RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/673656 / JE RK 24-289 Datum uitspraak: 20 februari 2024 Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting in de zaak van De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over [kind] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [kind]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam 1] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats], [naam 2] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 februari 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum. 1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2024. Daarbij waren aanwezig: - de moeder; de vader; een vertegenwoordiger van de GI, [naam 3]. 2De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [kind]. 2.2. [kind] woont bij zijn vader. 2.3. Bij beschikking van 7 november 2023 is de ondertoezichtstelling van [kind] verlengd tot 24 november 2024. 2.4. Bij beschikking van 19 januari 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] bij de ouder met gezag, te weten de vader, verlengd tot 8 juli 2024. 3Het verzoek De GI verzoekt op grond van artikel 1:265e lid 1 sub a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) te bepalen dat het gezag over [kind] gedeeltelijk, voor zover het betrekking heeft op de aanmelding bij een onderwijsinstelling, wordt uitgeoefend door de GI, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Tevens verzoekt de GI om te bevelen dat deze gedeeltelijke toekenning van het gezag zal worden aangetekend in het gezagsregister. 4Het standpunt van de GI De GI handhaaft ter zitting het verzoek. Er zijn ernstige zorgen om [kind], omdat hij niet naar school gaat. Dit komt doordat de moeder haar handtekening niet wil geven voor een nieuwe school, als gevolg waarvan [kind] nu niet staat ingeschreven. [kind] heeft recht op onderwijs en het is van belang dat hij naar school gaat. 5Het standpunt van de moeder De moeder voert verweer tegen het verzoek en zij licht het volgende toe. De moeder en de vader hebben hun best gedaan om [kind] Christelijk op te voeden. Het is daarom heel belangrijk dat [kind] naar een Christelijke school gaat. 6Het standpunt van de vader De vader stemt in met het verzoek. Het is verdrietig voor [kind] dat hij nu niet naar school gaat. 7De beoordeling 7.1. Op grond van artikel 1:265e lid 1 BW kan de kinderrechter nadat de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit - voor zover hier relevant - doen met betrekking tot (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.