← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:2452

RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/671696 / JE RK 24-40 Datum uitspraak: 20 februari 2024 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI, over [kind] , geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [kind]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam 1] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [naam 2] , hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats]. 1Het verloop van de procedure 1.

  1. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 4 januari 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum. 1.
  2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari
  3. Daarbij waren aanwezig: [kind], die voorafgaand aan de zitting is gehoord; de vader; - een vertegenwoordiger van de GI, [naam 3]. De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. 2De feiten 2.
  4. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [kind]. 2.
  5. [kind] woont bij de vader. 2.
  6. Bij beschikking van 28 februari 2023 is de ondertoezichtstelling van [kind] verlengd tot 28 februari
  7. Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een netwerkpleeggezin verleend tot 28 februari
  8. 3Het verzoek De GI verzoekt – ter zitting – een verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de ouder zonder gezag, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4Het standpunt van de GI De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het volgende toe. Momenteel is er geen zicht op het gezin, waardoor een verlenging van de maatregelen noodzakelijk is. Ondanks de inzet van de jeugdbeschermer is het de afgelopen periode niet gelukt om contact te krijgen met het gezin. Dit heeft mede als gevolg dat er nog geen persoonlijkheidsonderzoek is verricht. 5Het standpunt van de vader De vader voert verweer tegen het verzoek van de GI. De betrokkenheid van de GI is niet (meer) nodig. Het gaat goed met [kind]. Hij verblijft bij de vader, hij gaat naar school en hij werkt. Daarnaast heeft [kind] (structureel) contact met de moeder en de vader heeft ook goed contact met de moeder. 6De beoordeling De kinderrechter overweegt het volgende. Onvoldoende is gebleken dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. [kind] woont bij de vader en dit gaat goed: hij gaat naar school, loopt stage en hij heeft structureel contact met de moeder. [kind] geeft aan geen specifieke hulpbehoefte te hebben. Ook de vader benoemt momenteel geen specifieke hulpbehoefte. Bovendien blijkt dat de afgelopen periode feitelijk geen echte uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling. Voorgaande betekent niet dat er geen zorgen zijn over [kind]. Hij heeft veel meegemaakt in zijn leven, mede als gevolg waarvan hij last ervaart van de betrokkenheid van de GI en een goede samenwerking met hen niet lukt. Tegelijkertijd is voor nu de jeugdreclassering betrokken bij [kind], mede als gevolg waarvan [kind] verplicht is zich te houden aan de (veiligheid)afspraken en waardoor er voldoende zicht blijft op zijn ontwikkeling. Dit begrijp [kind]. De kinderrechter vertrouwt erop dat [kind] en de beide ouders in staat zijn om samen een omgeving te creëren waar [kind] op een veilige manier kan opgroeien en ontwikkelen, zo nodig in samenwerking met de jeugdreclassering. Dit betekent dat het verzoek zal worden afgewezen. 7De beslissing De kinderrechter: wijst het verzoek af. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2024 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Lankhaar als griffier, en op schrift gesteld op 27 februari
  9. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.