proces-verbaal RECHTBANK ROTTERDAM Wrakingkamer Zaak-/rekestnummer: C/10/675066 / HA RK 24-203 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 21 maart 2024 op het verzoek van [verzoeker] , woonplaats: Rotterdam, hierna te noemen: verzoeker, naar aanvankelijk werd aangenomen strekkende tot de wraking van mr. B.J.R. van Tongeren, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: mr. Van Tongeren , en naar uiteindelijk is gebleken strekkende tot de wraking van mr. M. Fiege, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: mr. Fiege . De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank, locatie Rotterdam. Aanwezig zijn mrs. J. van den Bos, W.J.M. Diekman en L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechters, en mr. R.W.H. van Rijkom, griffier. Na uitroeping van de zaak verschijnen: verzoeker; en mr. Van Tongeren . Aansluitend op de mondelinge behandeling van het verzoek heeft de wrakingskamer – na een onderbreking voor beraad – mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt. 1De beoordeling 1.
- Verzoeker heeft met een brief van 4 maart 2024, die op 5 maart 2024 bij de Centrale Informatiebalie van de rechtbank is ingediend, een verzoek tot wraking gedaan in de civiele zaak met zaaknummer 10912782 / CV EXPL 24-2686 (hierna te noemen: de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een geschil tussen verzoeker en Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer. 1.
- De wrakingskamer moet allereerst vaststellen tegen welke rechter het wrakingsverzoek is gericht. Daar is tijdens de mondelinge behandeling uitgebreid over gesproken. De wrakingskamer ging er aanvankelijk vanuit dat verzoeker de rechter wilde wraken die zitting had op de rolzitting van 5 maart
- Dat is mr. Van Tongeren . Naar aanleiding van de vragen die de voorzitter van de wrakingskamer tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aan verzoeker heeft gesteld, heeft verzoeker echter uitgelegd dat de rechter die zitting had op de rolzitting van 6 februari 2024 het in zijn ogen verkeerd heeft gedaan. Op die rolzitting was niet mr. Van Tongeren , maar mr. Fiege de rechter. Gelet hierop leest de wrakingskamer het wrakingsverzoek zo, dat het verzoek zich niet richt tegen mr. Van Tongeren , maar tegen mr. Fiege . 1.
- Vervolgens moet de wrakingskamer de vraag beantwoorden of verzoeker mr. Fiege op tijd heeft gewraakt. In de wet staat namelijk dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker zijn wrakingsverzoek te laat heeft gedaan. Er zit namelijk bijna één maand tussen de rolzitting van 6 februari 2024 en het moment dat het wrakingsverzoek is gedaan op 5 maart
- Verzoeker heeft nog wel uitgelegd dat hij niet bekend was met de mogelijkheid om de rechter te wraken en dat hij niet op de hoogte was van de wettelijke regels voor wraking, maar dat baat verzoeker niet. Van verzoeker had mogen worden verwacht dat hij het verzoek tot wraking uiterlijk binnen enkele dagen na de zitting van 6 februari 2024 zou doen en dat heeft hij niet gedaan. 1.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek wordt daarom niet inhoudelijk behandeld. 2De beslissing De rechtbank: 2.
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. Fiege . Waarvan proces-verbaal. de voorzitter Verzonden op: 27 maart 2024 aan: - verzoeker - mr. Van Tongeren - mr. Fiege - mevrouw N. van Rijn, gemachtigde van Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam