Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10.965110.21 Datum uitspraak: 19 maart 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1], raadsman mr. M. van Stratum, advocaat te [plaatsnaam 3]. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 en 30 januari, 1 februari en 5 maart 2024. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 5 maart 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. S. Kubicz en C. Goedegebuure hebben gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest en een geldboete van 20.000 euro, te vervangen door 135 dagen hechtenis. 4Vrijspraak van het onder 1 en 5 ten laste gelegde 4.1. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde Op 25 mei 2021 is de politie binnengetreden in het appartement gelegen aan [adres 2] (hierna: de woning). De woning bleek te zijn ingericht als cocaïnewasserij en werd gebruikt voor het bewerken c.q. verwerken van cocaïne base tot snuifbare cocaïne in poedervorm – zogenaamde cocaïne hydrochloride (hierna: cocaïne HCL) – met behulp van de aanwezige goederen (waaronder een persmal met audi logo, droogapparaten, vaten, stokken, maatbekers en emmers) en grote hoeveelheden chemicaliën (wasbenzine, ethylacetaat, methylethylketon, zwavelzuur en zoutzuur). In de woning werd bijna zes kilogram cocaïnebase en (in totaal) 12,7 kilogram cocaïne HCL aangetroffen. De verdachte wordt onder feit 1 verweten tezamen en in vereniging met anderen in de woning cocaïne te hebben geproduceerd dan wel aanwezig te hebben gehad. Uit een analyse van diverse Anom-berichten blijkt dat een groep personen, die gebruik maakte van de Anom-accounts met de gebruikersnamen [gebruikersnaam 1], [gebruikersnaam 2], [gebruikersnaam 3] ([gebruikersnaam 4]), [gebruikersnaam 5] en [gebruikersnaam 6], betrokken was bij het opzetten van deze cocaïnewasserij. Zoals hierna zal worden overwogen, was de verdachte de gebruiker van het account ‘[gebruikersnaam 4]’. Uit de weergave van de Anom-berichten die zich in het dossier bevinden, volgt onmiskenbaar dat de verdachte in de ten laste gelegde periode contact heeft gehad met andere bij deze cocaïnewasserij betrokken personen. Deze contacten gingen met name over het afleveren door de verdachte van goederen en chemicaliën die worden gebruikt bij de productie van cocaïne bij (onder andere) de woning. Wat betreft die chemicaliën volgt uit Anom-berichten voorts dat de verdachte daarover een enkel advies heeft gegeven aan de andere betrokkenen. Verdere betrokkenheid van de verdachte bij de in de woning aangetroffen cocaïne wasserij is evenwel niet komen vast te staan. Niet is gebleken dat de verdachte in de woning is geweest, dan wel dat hij op afstand met de andere betrokkenen over de productie van cocaïne in de woning contact onderhield of de supervisie daarover had. Het enkele afleveren van goederen en chemicaliën en het (in beperkte mate) adviseren over het gebruik van die chemicaliën maakt niet dat de verdachte als medepleger van de productie van cocaïne in de woning kan worden aangemerkt. Daarvoor is onvoldoende gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking met de andere bij de cocaïnewasserij betrokken personen. Het aantreffen van twee bigshoppers met cocaïne-base in de door de verdachte gehuurde loods aan de [adres 3] met daarop sporen van andere betrokkenen bij de cocaïnewasserij, maakt dit niet anders. Dit aantreffen zegt niets over deelname van de verdachte (ter plaatse dan wel op afstand) aan dan wel wetenschap van de activiteiten in de woning. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat de verdachte, op de dag van ontdekking van de cocaïnewasserij door de politie, polshoogte heeft genomen bij de woning. Dit deed de verdachte immers niet op eigen initiatief, maar op verzoek van de gebruiker van Anom-account [gebruikersnaam 1]. Deze heeft aan de verdachte gevraagd of de verdachte ‘iemand naar dat huis in Ams’ kan sturen, waarbij de verdachte heeft geantwoord dat hij zelf in [plaatsnaam 1] is en heeft gevraagd of [gebruikersnaam 1] de straat nog voor hem heeft. Dat het de verdachte is geweest die polshoogte is gaan nemen, lijkt dus toeval te zijn. Dat de verdachte daarna aan [gebruikersnaam 1] om het adres moest vragen en hij dit dus kennelijk niet (meer) wist, bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte nauwelijks betrokkenheid heeft gehad bij de cocaïnewasserij die in de woning is aangetroffen. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. 4.2. Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde De verdachte was de huurder van de loods aan [adres 3] toen daar op 7 juni 2021 tijdens een doorzoeking drie jammers werden aangetroffen. Deze jammers bevonden zich in een sporttas, die stond in een kast onder een trap op de begane grond. Onderzoek door het Agentschap Telecom wees uit dat de drie jammers apparatuur betrof, bestemd voor het uitzenden van radiosignalen met grote bandbreedte. De jammers zijn, afgaande op de onderzochte karakteristieken, gebouwd en ontworpen om doelgericht frequenties die door andere toepassingen worden gebruikt te verstoren op de hiervoor genoemde frequentiebanden. De rechtbank stelt voorop dat enkel het aanwezig hebben van de jammers onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen. Vastgesteld moet kunnen worden dat de verdachte de jammers ‘heeft aangelegd en/of geheel of gedeeltelijk aangelegd aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt’. Naar het oordeel van de rechtbank kan het gebruik van de jammers op de ten laste gelegde datum, gelet op de wijze waarop de jammers werden aangetroffen, niet wettig en overtuigend worden bewezen. Het ‘aangelegd hebben of aangelegd aanwezig hebben gehad’ kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen. Immers, bij ‘aangelegd aanwezig hebben’ moet in ieder geval sprake zijn van de situatie dat in de omgeving van het radiozendapparaat een geschikte antenne of andere hulpmiddelen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn om het radiozendapparaat met een betrekkelijk simpele handeling in gebruik te nemen. Van ‘aangelegd aanwezig zijn’ is geen sprake, indien het apparaat in verpakte toestand aanwezig is of uit andere omstandigheden blijkt of kan worden aangetoond dat de intentie van gebruik niet aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de wijze waarop de jammers lagen opgeslagen – in een sporttas onder een trap – dat de intentie van gebruik van die jammers, in ieder geval op of omstreeks 7 juni 2023, niet aanwezig was. De verdachte wordt daarom van het onder 5 ten laste gelegde vrijgesproken. 4.3. Conclusie Het onder 1 en 5 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt van deze feiten vrijgesproken. 5Waardering van het bewijs 5.1. Standpunten van de verdediging 5.1.1. Het onder 2 ten laste gelegde De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 5.1.2. Het onder 3 ten laste gelegde De verdachte is nooit in de woning aan [adres 2] geweest en ook niet in of nabij de Shurgard opslagbox aan [adres 4]. Voor zover het ten laste gelegde ziet op deze locaties in [plaatsnaam 1], dient de verdachte daarvan (partieel) te worden vrijgesproken. 5.1.3. Het onder 4 ten laste gelegde Het bedrag, waarvan de verdachte wordt verweten dit te hebben witgewassen, betreft contant ontvangen inkomsten uit arbeid – de verdachte heeft een eigen bedrijf – en aanbetalingen voor door het bedrijf van de verdachte te leggen vloeren. Het is algemeen bekend dat in die branche veel contant geld omgaat en het is niet ongebruikelijk dat kleine zelfstandigen handelsgeld en ontvangen aanbetalingen niet altijd direct afstorten bij de bank. Er is bovendien geen aantoonbaar rechtstreeks verband gelegd met een bepaald misdrijf en evenmin met de jegens de verdachte verweten drugsfeiten. Het enkele feit dat het aangetroffen geldbedrag deels in de berging lag, maakt niet dat sprake is van een vermoeden dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Nu de verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van het geld, dient de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. 5.1.4. Het onder 6 ten laste gelegde De verdachte heeft weliswaar cocaïne verkocht, maar heeft geen cocaïne uitgevoerd naar Polen, en heeft hier ook geen opzet op gehad. Uit de zich in het dossier bevindende Anom-chats blijkt enkel van betrokkenheid van de verdachte bij een transactie maar niet van betrokkenheid van de verdachte bij de uitvoer van cocaïne naar Polen. Dat de ontvanger van de cocaïne ‘Pooltje’ genoemd wordt, maakt niet dat het voor de verdachte duidelijk moest zijn dat deze persoon na ontvangst van de cocaïne daarmee terugging naar Polen en dat daarmee het opzet van de verdachte tevens op de uitvoer van de cocaïne zou zijn gericht. Het enkele feit dat een afspraak wordt gemaakt voor het ophalen van ’bricks’ door een chauffeur en praten over een bepaalde prijs, is niet redengevend voor uitvoer, maar past ook bij enkel (lokale) verkoop. De verdachte dient van het onder 6 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. 5.2. Oordeel van de rechtbank 5.2.1. De gebruiker van het Anom-account [gebruikersnaam 3] ([gebruikersnaam 4]) Door en namens de verdachte is betoogd dat het Anom-account [gebruikersnaam 3] met de bijnaam [gebruikersnaam 4] niet alleen door de verdachte werd gebruikt maar ook door anderen waarvan de verdachte de naam niet wil noemen in verband met zijn veiligheid. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte gebruiker is geweest van het Anom-account met de bijnaam [gebruikersnaam 4]. Het verweer dat de verdachte niet de enige gebruiker is geweest van dit Anom-account zal niet worden gevolgd. De inhoud van de aan en door het account [gebruikersnaam 4] verstuurde berichten bevatten geen enkele aanwijzing dat dit account door andere personen dan de verdachte werd gebruikt. Uit de berichten volgt dat voor de tegenaccounts van [gebruikersnaam 4] op geen enkel moment onduidelijkheid heeft bestaan met wie zij via het account [gebruikersnaam 4] van doen hadden. Daar komt bij dat de verdachte ter zitting van nagenoeg alle via dit account verstuurde berichten die hem zijn voorgehouden, heeft erkend deze te hebben verstuurd. Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen de verdachte degene is geweest die in de ten laste gelegde periode met de bijnaam [gebruikersnaam 4] van het bijbehorende Anom-account gebruik heeft gemaakt en dat de door [gebruikersnaam 4] verstuurde berichten door de verdachte zijn verstuurd. 5.2.2. Het onder 2 ten laste gelegde In een door de verdachte gehuurde loods aan de [adres 3] zijn twee bigshoppers aangetroffen waarin (ongeveer) 16,6 kilogram base cocaïne zat. De verdachte heeft verklaard dat hij deze tassen eerder had opgehaald en daar neer heeft gezet. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. 5.2.3. Het onder 3 ten laste gelegde De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met de opslag van chemicaliën en het transport daarvan te maken heeft gehad. Hij heeft verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode meerdere opdrachten heeft uitgevoerd voor anderen, van wie hij de namen niet heeft willen noemen. Hij kreeg die opdrachten via Anom-berichten. In eerste instantie heeft de verdachte voor die persoon alleen chemicaliën opgeslagen – in een loods aan [adres 5] en in een loods aan de [adres 3] – en later heeft de verdachte in opdracht van die persoon ook gezorgd voor het transport van chemicaliën. De verdachte heeft verklaard dat die transporten vanaf de door hem gebruikte loodsen in [plaatsnaam 2] en [plaatsnaam 3] naar de [straatnaam 1] in [plaatsnaam 1] (welke straat om de hoek ligt van de [straatnaam 2]) gingen. Ook is er een transport van [plaatsnaam 4] naar [plaatsnaam 1] geweest. De verdachte gebruikte voor deze transporten zijn bedrijfsbus, een witte Renault Master met het kenteken [kenteken 1] De verdachte heeft voorts verklaard dat hij bij deze transporten niet zelf reed, maar dat hij heeft geregeld dat iemand anders zou rijden. De verdachte heeft verklaard dat hij de opslag van de chemicaliën heeft geregeld en dat hij ervoor zorgde dat het ‘van A naar B’ ging. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de transporten met de bedrijfsbus van de verdachte niet alleen naar de woning aan [adres 2] zijn gegaan, maar ook naar de opslagbox bij Shurgard in [plaatsnaam 1] die door de medeverdachte [medeverdachte] was gehuurd. Weliswaar is door verbalisanten bij het bekijken van de beelden die door een camera bij de Shurgardlocatie zijn opgenomen, niet het volledige kenteken gezien van de witte Renault Master die op die beelden is waargenomen, maar wel het kenteken [kenteken 1]. Gelet ook op de verklaring van de verdachte dat hij met zijn bedrijfsbus in deze periode transporten naar [plaatsnaam 1] heeft verzorgd en de grote gelijkenis qua kleur, type voertuig en kenteken, twijfelt de rechtbank er niet aan dat dit de bedrijfsbus van de verdachte is geweest. Via Anom heeft de verdachte onder meer op 21 mei 2021 veelvuldig berichten verstuurd over chemicaliën die bij de bewerking en/of verwerking van cocaïne benodigd zijn, in termen als ‘hexano’, ‘etil’, ‘mek’, ‘ethyl’. De verdachte heeft over deze chemicaliën ter zitting verklaard dat hij wel dacht dat deze iets met drugs te maken hadden. Uit de inhoud van de Anom-berichten die de verdachte heeft verstuurd, volgt voorts dat de verdachte goed op de hoogte was van de verschillende soorten chemische middelen en ook van de daarmee gemoeide gevaren. Zo waarschuwt de verdachte via Anom dat ‘ze’ heel goed moeten kijken wat erop staat, dat zijn tegenaccount ‘hem’ handschoenen moet laten aandoen en een paar moet meenemen voor die ander. Ook vraagt hij om verduidelijking als hem om ethyl wordt gevraagd, omdat er twee verschillende soorten ethyl zijn: “Er is methyl ethyl katone en die andere ethyl acetate”. Aldus volgt uit het vorenstaande dat de verdachte ermee bekend was dat de door hem getransporteerde chemicaliën gebruikt konden worden voor het verwerken/bewerken van cocaïne. Daar komt bij dat uit de berichten die via Anom tussen de verdachte en het account [gebruikersnaam 1] zijn verstuurd, volgt dat het de verdachte bekend was dat ook andere goederen van [plaatsnaam 4] naar [plaatsnaam 1] werden getransporteerd dan chemicaliën. Zo werd tegen hem gezegd dat dingen opgehaald moesten worden, wat later werd verduidelijkt in ‘magnetron en dat water’. Bovendien volgt uit deze berichten dat de goederen van [plaatsnaam 4] naar [plaatsnaam 1] moesten worden verplaatst ‘omdat op de locatie in [plaatsnaam 4] niet te werken viel’. Aldus volgt uit het vorenstaande dat de verdachte ermee bekend was dat de naar [plaatsnaam 1] getransporteerde goederen en chemicaliën gebruikt zouden gaan worden voor de productie van cocaïne aldaar. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte aan het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van cocaïne een belangrijke bijdrage heeft geleverd door het opslaan, leveren en vervoeren van de benodigde chemicaliën en andere goederen. Aldus kan het onder 3 ten laste gelegde feit bewezen worden. De verweren worden verworpen. 5.2.4. Het onder 4 ten laste gelegde Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken blijkt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende. Op 7 juni 2021 vond een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte aan de [adres 6]. Tijdens deze doorzoeking werd een contant geldbedrag van in totaal 25.410 euro aangetroffen en inbeslaggenomen. Dit geldbedrag, bestaande uit bankbiljetten, lag verspreid in de woning: een bedrag van 4.115 euro lag in een zwarte tas in de keuken, een bedrag van 21.000 euro lag in de berging in een Jumbo tas en een bedrag van 295 euro lag in een kledingkast. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat er een rechtstreeks verband valt te leggen tussen het geld en een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat het aangetroffen geld 'uit enig misdrijf afkomstig is', kan niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. In het oog springt dat de contante geldbedragen door de verdachte op, voor dergelijke geldbedragen, ongebruikelijke plekken werden bewaard. Het voorhanden hebben in huis van een hoeveelheid contant geld als hiervoor genoemd, is ook hoogst ongebruikelijk vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij geld niet verzekerd is. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit, waaronder drugsdelicten, gepaard gaan met de aanwezigheid van grote hoeveelheden contant geld. De verdachte heeft ter zitting bovendien een verklaring afgelegd die er – kort gezegd – op neerkomt dat hij zich in 2021 bezig heeft gehouden met diverse drugsgerelateerde feiten. Op grond van het voorgaande is er zonder meer sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen van het aangetroffen geldbedrag. Van de verdachte mag onder deze omstandigheden worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de legale herkomst daarvan. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de twee grote geldbedragen afkomstig waren uit zijn bedrijf en dat het kleinere geldbedrag boodschappengeld betrof. De verdachte heeft dit standpunt echter niet concreet gemaakt en op geen enkele wijze verifieerbaar onderbouwd. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist. Aldus is bewezen dat verdachte het geldbedrag van 25.410 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf. Het verweer wordt verworpen. 5.2.5. Het onder 6 ten laste gelegde Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken blijkt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende. Via het door de verdachte gebruikte Anom-account [gebruikersnaam 3] ([gebruikersnaam 4]) had de verdachte op 2 juni 2021 in chatsessies contact met personen onder de accountnamen [accountnaam 1], [accountnaam 2] en [gebruikersnaam 5]. In de chats werd gecommuniceerd in zowel de Engelse als de Nederlandse taal. Uit deze chatsessies blijkt dat op 2 juni 2021 een afspraak is gemaakt voor het ophalen van ‘9 bricks’ door een chauffeur. Ter terechtzitting verklaarde de verdachte dat het door hem op 2 juni 2021 aan [accountnaam 2] verstuurde bericht inhoudende ’29,5 x 9 – 10.000’ betekende dat het ging om een bedrag van 29.500 euro per blok. De verdachte verklaarde tevens dat hij de blokken, waarvan hij wel vermoedde dat het cocaïne betrof, had opgehaald in [plaatsnaam 3] en aan de klant, een Poolse chauffeur, had meegegeven. De chauffeur kwam, na de nodige berichtenwisselingen over route, locatie en aankomsttijdstip, naar de Winkelhaak te [plaatsnaam 3], waar de verdachte hem stond op te wachten. De verdachte en de chauffeur communiceerden in het Engels met elkaar. De verdachte droeg de vacuüm verpakte cocaïneblokken aan de chauffeur over, waarna deze ermee wegreed. Bij de overdracht van de cocaïneblokken kreeg de verdachte ‘9x29,5’, hetgeen hij controleerde met een telmachine, aldus de verdachte ter terechtzitting. Dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de Poolse chauffeur direct afkomstig was uit Polen, blijkt onder meer uit het verloop van de navolgende chatberichten van 2 juni 2021: om 09.24 uur bericht [accountnaam 2] aan de verdachte dat de chauffeur om ‘8-9 pm’ wordt verwacht, hetgeen de rechtbank begrijpt als een tijdsaanduiding van 20.00-21.00 uur; om 11.54 uur geeft de verdachte (een routeafbeelding van) de locatie [locatie] aan [accountnaam 2] door; om 17.33 uur vraagt [gebruikersnaam 5] aan de verdachte of de aankomst van Pooltje al bekend is; om 18.22 uur bericht [accountnaam 2] aan de verdachte dat er onderweg een ongeluk is geweest en dat ‘he’, waarmee kennelijk (in de Engelse taal) op de chauffeur wordt gedoeld, nog tweehonderd kilometer te gaan heeft. Deze berichten komen overeen met de afstand tussen [plaatsnaam 3] en Warschau, die volgens Googlemaps met een auto in ongeveer twaalf uur wordt afgelegd. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de chauffeur nadat hij de cocaïne van de verdachte in ontvangst had genomen in Polen door de politie is aangehouden waarbij de cocaïne in beslag is genomen, zodat van uitvoer sprake is geweest. Nu de verdachte wist dat hij de cocaïne heeft afgegeven aan een direct uit Polen afkomstige chauffeur, heeft de verdachte aldus minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze chauffeur ook weer direct terug zou rijden naar Polen en dat de aan deze chauffeur overgedragen cocaïneblokken door deze chauffeur ook uitgevoerd zouden worden naar Polen. Het verweer wordt verworpen. Beslissing op het voorwaardelijk verzoek van de verdediging In het geval van bewezenverklaring van de onder 6 ten laste gelegde uitvoer van cocaïne naar Polen heeft de raadsman ter terechtzitting verzocht de Poolse chauffeur alsnog als getuige te mogen horen, de in Polen in beslag genomen cocaïne door het NFI te laten onderzoeken en deze blokken cocaïne te vergelijken met de foto’s in het dossier, een en ander ook ter bevestiging van de verklaring van de verdachte dat er in zijn geval geen sprake is van uitvoer van cocaïne doch enkel van aanwezigheid en verkoop daarvan. De door de verdediging voorwaardelijk gedane verzoeken tot het horen van de Poolse chauffeur en het doen van nader onderzoek naar de cocaïne worden door de rechtbank afgewezen, omdat de rechtbank daartoe gelet op de onderbouwing die voor het verzoek is gegeven geen noodzaak ziet. Hetgeen de raadsman heeft gesteld doet immers niet af aan het hiervoor besproken bewijs voor voorwaardelijk opzet en ook overigens geeft hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding tot twijfel aan de Poolse onderzoeksbevindingen ten aanzien van de aldaar in beslag genomen cocaïne. 5.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het aanwezig hebben van cocaïne(base), het plegen van voorbereidingshandelingen voor het bewerken en verwerken van cocaïne, het witwassen van een aanzienlijk contant geldbedrag en de uitvoer van cocaïne naar Polen. 5.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 2. hij op 7 juni 2021 te [plaatsnaam 3] in een loods/bedrijfspand aan [adres 3] opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 16,6 kilogram cocaïne base, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 3. hij in de periode van 19 mei 2021 tot en met 7 juni 2021 te [plaatsnaam 1], [plaatsnaam 2], en/of [plaatsnaam 3], tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I , voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.