Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/075285-23 Datum uitspraak: 12 februari 2024 Tegenspraak (art. 279 Sv) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hiertoe is – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Vastgesteld kan worden dat de feitelijke (voorbereidings-)handelingen zijn gepleegd, maar het bewijs dat de verdachte zijn gegevens heeft gegeven om voorbereidingshandelingen te treffen, ontbreekt. Er is weliswaar contact geweest in de nacht van 11 op 12 januari 2023, maar daaruit blijkt niet van enige betrokkenheid aan de zijde van de verdachte. 4.1.2. Beoordeling Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. In de vroege ochtend van 12 januari 2023 heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] de container [containernummer] (hierna ook: de container) met zijn vrachtwagen met Belgisch kenteken [kenteken] uitgehaald bij de APM-2 Terminal van de Rotterdamse haven. In deze container lagen zestien tassen met daarin pakketten. Uit onderzoek is gebleken dat het hierbij om 175 pakketten met cocaïne gaat, met een nettogewicht van 174,65 kilogram. Omstreeks 08:34 uur zijn er drie uithalers aangehouden die zich in een Trojaanse container op het terrein van de APM-2 Terminal bevonden. Uit onderzoek is gebleken dat de organisatoren van de invoer van deze pakketten cocaïne de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn geweest. De medeverdachten zijn reeds in 2023 veroordeeld voor hun rol bij de invoer van verdovende middelen. Uit onderzoek aan de gegevens van het bedrijf [bedrijf 1] blijkt dat de container [containernummer] op 12 januari 2023 om 04:51 uur was voorgemeld door het account van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]), op naam van de verdachte. De vooraanmelding werd om 04:55 uur geaccepteerd en vervolgens werd de container om 06:02 uur uitgehaald door een truck met kenteken [kenteken], op naam van medeverdachte [medeverdachte 1]. Het transportbedrijf [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) had zich op 12 januari 2023 om 16:18 uur voorgemeld voor de container, maar deze vooraanmelding werd geweigerd. Uit nader onderzoek en navraag bij de verzender en vertegenwoordiger van de container is gebleken dat [bedrijf 3] de opdracht had gekregen om de container uit te halen. Uit een tapgesprek dat op 11 januari 2023 vanaf 19:27 uur plaatsvond tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat de medeverdachte [medeverdachte 2] de verdachte naar de inloggegevens van zijn account bij [bedrijf 4] vraagt. De verdachte geeft in dat gesprek aan dat hij de inloggegevens terug zal zoeken in zijn e-mailbox en deze – wanneer hij ze gevonden zou hebben – aan de medeverdachte [medeverdachte 2] door zou geven. Het bedrijf [bedrijf 4] beheert en verstrekt toegangspassen die voor een chauffeur benodigd zijn om een container uit te kunnen halen bij een van de terminals in de Rotterdamse haven. In de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] is een Whatsapp-gesprek aangetroffen tussen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] dat plaatsvond op 11 en 12 januari 2023. Op 12 januari 2023 stuurt medeverdachte [medeverdachte 2] om 05:06 uur een afbeelding van Portbase naar [medeverdachte 1], waarop de vooraanmelding van de container [containernummer] stond. Daarnaast werden in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] de volgende opgeslagen gebruikersaccounts gevonden: [account 1] en [account 2]. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat aan deze gebruikersaccounts de naam van de verdachte was gekoppeld. Bij de medeverdachte [medeverdachte 2] werden bij zijn aanhouding onder andere een bankpas van de ABN AMRO Bank op naam van het transportbedrijf van de verdachte, [bedrijf 2], aangetroffen alsmede twee vrachtbrieven, daterend van 14 december 2022, met daarop transporten van containers door medeverdachte [medeverdachte 1] met kenteken [kenteken] als ondervervoerder en [bedrijf 2] als hoofdvervoerder vermeld. Uit onderzoek aan de getapte telefoongesprekken van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat de medeverdachte [medeverdachte 2] op 12 januari 2023 in totaal vijf keer naar de verdachte had gebeld, maar dat er niet werd opgenomen door de verdachte. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte zelf in de nacht van 19 op 20 november 2022 in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte 2] een container middels pincodefraude heeft uitgehaald op het haventerrein van de ECT Delta Terminal op de Maasvlakte in Rotterdam. Daarnaast is in de telefoon van de verdachte een Whatsapp-gesprek aangetroffen tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] dat plaatsvond in de nacht van 11 op 12 januari 2023. De verdachte heeft bij de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij de (bank)gegevens van zijn transportbedrijf met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] had gedeeld, zodat zijn bedrijf door hen gerund kon worden. Hij heeft ook verklaard dat hij op een gegeven moment het idee kreeg dat er iets niet goed was en dat het rond december 2022 begon te rommelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat er via de haven van Rotterdam met grote regelmaat cocaïne wordt ingevoerd in Nederland. De modus operandi van pincodefraude komt daarbij geregeld voor. Wanneer voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, in combinatie met het feit dat de werkwijze van pincodefraude de verdachte niet onbekend was en hij naar eigen zeggen het idee had dat er iets niet goed was, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de verdachte met het ter beschikking stellen van de gegevens van zijn transportbedrijf aan de medeverdachten bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die medeverdachten deze gegevens zouden gebruiken voor de invoer van harddrugs. De rechtbank is van oordeel dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat de verdachte het opzet – op zijn minst in voorwaardelijke zin – heeft gehad op de invoer van cocaïne en dat de verdachte daartoe voorbereidingshandelingen heeft getroffen. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde treffen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de gehele hoeveelheid cocaïne bewezen. 4.1.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hierna opgenomen. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 11 januari 2023 tot en met 12 januari 2023 te Rotterdam , althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en - het opzettelijk vervoeren van 174,65 kilogram cocaïne, - een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door- met één mededader (telefonisch) contacten te onderhouden en informatie uit te wisselen en instructies te geven over het uithalen van container(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.