Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10-002041-23 Datum uitspraak: 4 april 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan: 1. het medeplegen van de invoer van ongeveer 540 kilogram cocaïne, subsidiair het medeplegen van voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen daartoe; 2. het wederrechtelijk verblijven op een haventerrein; 3. deelname aan een criminele organisatie. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd: vrijspraak van het medeplegen van invoer en deelname aan een criminele organisatie (onder 1 primair en 3 ten laste gelegd); bewezenverklaring van voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot invoer van ongeveer 540 kilogram cocaïne en het wederrechtelijk verblijf op een haventerrein (onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegd); veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest; oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een locatieverbod voor het havengebied van Rotterdam en Vlissingen voor 5 jaar, met vervangende hechtenis voor de duur van 2 weken per overtreding. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering feit 1 primair (medeplegen verlengde invoer) en feit 3 (deelname criminele organisatie) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering feit 1 subsidiair (voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen invoer) en feit 2 (wederrechtelijk verblijven op haventerrein) 4.2.1. Standpunt verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ook wordt vrijgesproken van het medeplegen van de tenlastegelegde voorbereidings- en bevorderingshandelingen (feit 1 subsidiair) vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Er kan geen link worden gelegd tussen de aanwezigheid van de verdachte op het terrein en de container met verdovende middelen. Evenmin kan worden bewezen dat hij opzet had op de voorbereidingshandelingen gericht op verdovende middelen, nu er ook andere zaken uit containers kunnen worden gehaald. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op het haventerrein was, omdat hij op zoek was naar apparatuur, zoals IPhones en laptops. Ten aanzien van de illegale aanwezigheid op het Rotterdamse haventerrein (feit 2) heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft het medeplegen, omdat niet uit de onderliggende stukken kan worden opgemaakt dat sprake was van enige samenwerking met de medeverdachten. De enkele aanwezigheid van de verdachte op het terrein is onvoldoende om te kunnen zeggen dat de verdachten steeds dezelfde handelingen hebben verricht en steeds in elkaars nabijheid hebben verkeerd. 4.2.2. Beoordeling Vaststaande feiten Op zondag 1 januari 2023, om 03:03 uur, surveilleerden ambtenaren van de douane in de Rotterdamse zeehaven, op het terrein van de Hutchison Ports ECT Delta op de DDN landzijde. De nummering van de – voor deze zaak relevante – stacks op dit terrein begint bij 135, dan volgt 136 en dan 101, 102, enzovoorts. Ter hoogte van laan 19 zagen de verbalisanten een lichtschijnsel en vier personen, in het donker gekleed en met de rug naar hen toe, bij een open container in stack 136. Eén van de vier personen scheen op de open container met een zaklamp. De verbalisanten zagen dat de containerdeur openstond. Vervolgens zagen zij in dezelfde laan nog een open container. Later bleek dat in deze container ( [containernummer 1] ; zie hierna) verdovende middelen zaten. De personen verplaatsten zich vervolgens richting stack 101. De douaneambtenaren en de beveiligers van de ECT hebben toen zichtlijnen genomen aan de landzijde van stack 135 tot en met stack 109, waardoor het onmogelijk was voor personen om deze stacks via de zijkanten en/of de landzijde ongezien te verlaten. Omstreeks 03:50 uur is het Team Bijzondere Bijstand een systematische zoekslag begonnen in de containerstacks die door middel van de zichtlijnen waren afgezet. De verbalisanten troffen de volgende containers aan: een container waarvan de deur open stond, in stack 136, begane grond, met containernummer [containernummer 1] (hierna te noemen: de drugscontainer). Hierin werden twee soorten ladingen aangetroffen, te weten oranje met wit gekleurde dozen, die werden aangemerkt als de reguliere lading, en vijftien dozen die qua vorm en grootte afweken van de reguliere lading. Uit onderzoek is gebleken dat de inhoud van de afwijkende dozen bestond uit 540,41 kilogram cocaïne; een container waarvan de deur open stond, in stack 136, begane grond, met containernummer [containernummer 2] (hierna te noemen: de switchcontainer). In deze container stonden qua uiterlijk dezelfde dozen als de dozen die als reguliere lading van de drugscontainer waren aangemerkt; een container waarvan de deur open stond, in stack 101, begane grond, met containernummer [containernummer 3] (hierna te noemen: de hotelcontainer). In deze container lagen diverse goederen, waaronder zes zwarte sporttassen van hetzelfde merk met bijna identieke inhoud (onder andere powerbanks, toiletpapier, tandenborstels, tandpasta, brood, beleg, stanleymesjes, handschoenen van hetzelfde merk en doorzichtige lege seal tassen), slaapzakken en gereedschap, waaronder een betonschaar en kniptangen. Om 04:16 uur troffen de verbalisanten van het Team Bijzondere Bijstand de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] aan in de omgeving van stack 109 en 110. Bij de fouillering van de verdachte [medeverdachte 1] werd een nieuw penlood (barrier seal) met nummer [nummer 1] aangetroffen. Rond 9:00 uur zagen de verbalisanten van de douane in stack 109 een container met nummer [containernummer 4] (hierna te noemen: de aanhoudingscontainer), op één hoog, waarvan de deur op een kier stond. In deze container werden de vier verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aangetroffen. In de aanhoudingscontainer werden ook drie barrier seals met nummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] aangetroffen. Op verschillende sigarettenpeuken in de hotelcontainer is DNA aangetroffen van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Op flesjes AA Drink uit deze container zijn dactyloscopische sporen gevonden van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] en op een sigarettenpakje zijn dactyloscopische sporen aangetroffen van de verdachte [medeverdachte 3] . Het verband tussen de verdachten onderling De rechtbank stelt vast dat de zes verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] gezamenlijk zijn opgetrokken. Zij overweegt daartoe als volgt. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn samen aangetroffen en aangehouden, en ook [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zijn samen aangetroffen en aangehouden. Beide groepen verdachten kunnen worden verbonden met de hotelcontainer en met elkaar. In de hotelcontainer zijn immers zes sporttassen aangetroffen die bijna identiek gevuld waren, en op voorwerpen in de hotelcontainer zijn DNA en vingerafdrukken aangetroffen van personen uit beide groepen ( [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] ). De twee groepen kunnen bovendien met elkaar worden verbonden doordat [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn aangehouden bij dezelfde stack als die waarin de aanhoudingscontainer met de vier overige verdachten zich bevond (stack 109 en 110) en doordat het nummer van de barrier seal die is aangetroffen bij [medeverdachte 1] ( [nummer 1] ) past in de nummerreeks van de barrier seals die zijn aangetroffen in de aanhoudingscontainer ( [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] ). De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte niet met [medeverdachte 1] was toen hij werd aangehouden. Dat de verdachte op het moment van zijn aanhouding op 50 tot 100 meter afstand van [medeverdachte 1] stond, zoals hij ter terechtzitting heeft aangevoerd, blijkt niet uit de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal, en zelfs als dat zo is geweest, is dat enkele feit van onvoldoende gewicht om aan voormelde conclusie te kunnen afdoen. Het verband tussen de verdachten en de ten laste gelegde gedragingen De rechtbank is van oordeel dat de handelingen van de verdachten kunnen worden aangemerkt als de tenlastegelegde voorbereidingshandelingen op de invoer van ongeveer 540 kilo cocaïne. Zij overweegt daartoe als volgt. De verdachten zijn aangehouden op 1 januari 2023 omstreeks 04:00 uur respectievelijk omstreeks 09:00 uur. Het bedrijfsproces op het haventerrein lag in die nacht stil vanwege de jaarwisseling, tot 1 januari 2023 om 15.00 uur. Dat betekent dat uitsluitend douanemedewerkers in de stacks aanwezig zouden moeten zijn geweest. Om 03:03 uur zijn echter vier andere personen gezien bij de drugs- en switchcontainer. Die personen hebben zich vervolgens verplaatst in de richting van de hotelcontainer, waarvan hiervoor is vastgesteld dat alle zes verdachten hierin hebben verbleven. De hotelcontainer stond op korte afstand van de drugs- en switchcontainer, namelijk in dezelfde laan in tegenover elkaar gelegen stacks (laan 19, stacks 101 en 136). Stacks 135 tot en met 109 zijn toen afgezet door middel van zichtlijnen, waardoor niemand dat gebied ongezien heeft kunnen verlaten. Vervolgens zijn alle zes verdachten in de buurt van ( [verdachte] en [medeverdachte 1] ) of ín de aanhoudingscontainer ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) aangehouden. De aanhoudingscontainer bevond zich op een eenvoudig te overbruggen afstand van de drugs- en switchcontainer (stack 109, ongeveer 400 meter verderop). Er zijn die nacht geen andere personen op het terrein gezien. De rechtbank betrekt ook het volgende bij haar conclusie dat de zes verdachten gelinkt kunnen worden aan de drugscontainer. Zij zijn aangetroffen op een deel van de haven waar overslag van zeecontainers afkomstig uit het buitenland plaatsvindt. Die zeecontainers komen onder andere uit Zuid-Amerikaanse landen, bekend om de productie van harddrugs, met name cocaïne. De feiten en omstandigheden waaronder de verdachten zijn aangetroffen passen bij een in de Rotterdamse haven inmiddels algemeen bekende methode van het uithalen van die drugs, zoals die uit andere zaken bij de rechtbank bekend is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van uithalers die zich voor langere tijd op het haventerrein kunnen ophouden omdat zij gebruik maken van hotelcontainers die zijn uitgerust met levensmiddelen, powerbanks en slaapzakken. De containers die gelost zijn op dat terrein en waarin de drugs verstopt zijn, worden vervolgens in etappes leeggehaald. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gereedschap om een container te kunnen openen (betonschaar, kniptang), materiaal om de container opnieuw te kunnen verzegelen (barrier seals) en eventueel van een switchcontainer. De omstandigheden waaronder de verdachte is aangehouden passen hier naadloos in. Zijn verklaring dat hij op die plek was op zoek naar apparatuur vindt de rechtbank in dat licht bezien ongeloofwaardig. Van een verdachte, die wordt aangetroffen in een dergelijke situatie - die zo past bij drugsuithalen - mag bovendien een meer concrete en te verifiëren andere verklaring voor zijn aanwezigheid worden verwacht. De enkele verklaring van de verdachte dat hij daar was op zoek naar apparatuur kan niet als een dergelijke verklaring worden aangemerkt. Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidings- en bevorderingshandelingen gericht op de invoer en het vervoeren van 540 kilo cocaïne en daarmee ook dat hij tezamen en in vereniging wederrechtelijk met anderen heeft verbleven op het haventerrein. 4.2.3. Conclusie De onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat: 1. subsidiair, hij, op 1 januari 2023, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en - het opzettelijk vervoeren van 540 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1 - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.