RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10819801 \ CV EXPL 23-32029 datum uitspraak: 22 maart 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 21 november 2023, met bijlagen; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek met een eisvermindering, met bijlagen; de conclusie van dupliek. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
- [gedaagde] heeft bij [eiseres] een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] elke maand premie aan [eiseres] betalen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] € 265,25 aan zorgpremies voor december 2022 en april 2023 niet betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] deze premies betaalt. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald vordert [eiseres] ook buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Verder wil [eiseres] dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. 2.
- [gedaagde] voert als verweer dat zij de premie voor december 2022 al heeft betaald. Zij erkent dat zij de premie voor april 2023 nog moet betalen. 2.
- De vordering van [eiseres] wordt toegewezen. [gedaagde] moet € 273,53 aan [eiseres] betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom. [gedaagde] moet de premie voor december 2022 en april 2023 betalen 2.
- [gedaagde] heeft de premie voor december 2022 nog niet betaald. [gedaagde] heeft weliswaar in december 2022 een bedrag betaald, maar zij heeft bij die betaling geen betalingskenmerk vermeld. [eiseres] mocht daarom op basis van artikel 7 lid 3 van haar polisvoorwaarden bepalen op welke openstaande vordering de betaling wordt afgeboekt. 2.
- [eiseres] en [gedaagde] hebben beiden een overzicht van betalingen bijgevoegd. Het betaaloverzicht van [gedaagde] gaat alleen over de maanden juli tot en met december
- [eiseres] heeft een overzicht van het hele jaar 2022 ingediend. Uit het overzicht van [eiseres] blijkt dat [gedaagde] in 2022 elf keer de maandelijkse zorgpremie heeft betaald. [gedaagde] heeft niet gesteld dat zij in 2022 meer heeft betaald dan uit het overzicht van [eiseres] blijkt. Dit betekent dat [gedaagde] over het jaar 2022 nog voor één maand premie moet betalen. Uit het overzicht van [eiseres] blijkt ook dat [gedaagde] de premie over april 2022 niet heeft betaald. [eiseres] heeft uitgelegd dat zij de bedragen die [gedaagde] in de maanden daarna heeft betaald, steeds heeft toegerekend aan de maand ervoor. De premie die [gedaagde] in december 2022 heeft betaald, heeft [eiseres] toegerekend aan de maand november
- Daarom moet [gedaagde] de premie over december 2022 nog betalen. Dit geldt ook voor de premie over april 2023, omdat [gedaagde] heeft erkend dat die nog niet is betaald. Het bedrag van € 265,25 aan zorgpremies is dus toewijsbaar. [gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente betalen 2.
- Het gevorderde bedrag van € 48,40 aan incassokosten (inclusief btw) is toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente is ook toewijsbaar omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [gedaagde] moet € 273,53 aan [eiseres] betalen 2.
- [gedaagde] heeft na dagvaarding al € 50,- aan [eiseres] betaald. Dit bedrag komt eerst in mindering op de kosten, daarna op de verschenen rente en tot slot op de hoofdsom (artikel 6:44 BW). Met de betaling van € 50,- heeft [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten (€ 48,40 inclusief btw) en een deel van de rente (€ 1,60) voldaan. Het resterende bedrag aan rente van € 8,28 en de hoofdsom van € 265,25, bij elkaar opgeteld € 273,53, moet [gedaagde] aan [eiseres] betalen. Partijen hebben een betalingsregeling 2.
- [gedaagde] mag het bedrag van € 273,53 in termijnen van € 50,- per maand betalen. Partijen hebben namelijk op 12 december 2023 – na het uitbrengen van de dagvaarding – een betalingsregeling afgesproken en [eiseres] heeft gevraagd om deze afspraak op te nemen in dit vonnis. Proceskosten 2.
- [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres] tot vandaag vast op € 130,49 aan dagvaardingskosten, € 128,- aan griffierecht, € 164,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 82,-) en € 41,- aan nakosten (½ punt × € 82,-). Dit is totaal € 463,
- Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 273,53 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 265,25 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] tot vandaag worden vastgesteld op € 463,49; 3.
- bepaalt dat [eiseres] de hiervoor genoemde bedragen niet kan opeisen zolang [gedaagde] elke maand voor de 19e van de maand € 50,- aflost; en, als [gedaagde] een maandelijkse aflossingstermijn niet of te laat betaalt: 3.
- bepaalt dat [gedaagde] het bedrag dat op dat moment open staat direct in één keer aan [eiseres] moet betalen; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken. 53954