← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:3268

Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummers] uitspraakdatum: 28 maart 2024 [verzoekster] , wonende te [adres] [woonplaats], verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 27 februari 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 28 februari 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 maart

  1. Ter zitting van 21 maart 2024 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat). Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 11 juli 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. Verzoekster werkte als zelfstandig ondernemer en heeft een leeftijd van 65 jaar. Verzoekster heeft een IOAZ-uitkering aangevraagd, welke door de gemeente Rotterdam is afgewezen. Hierna heeft verzoekster haar onderneming uitgeschreven en een PW-uitkering aangevraagd. Op 20 maart 2024 heeft verzoekster een voorschot op haar PW-uitkering ontvangen van € 1.100,-. Verzoekster heeft op 20 maart 2024 een bedrag van € 1.000,- overgemaakt aan verweerster, waarvan € 631,- ziet op de huurbetaling van maart
  2. Op 2 april 2024 ontvangt verzoekster een definitieve beslissing op haar PW-uitkering. Daarnaast ontvangt verzoekster een bedrag van € 342,- aan huurtoeslag. De totale schuldenlast van verzoekster bedraagt (naar schatting) € 10.000,-. Verzoekster zal haar inkomen laten overmaken op een betalingsrekening van de schuldhulpverlener, waardoor voldoende wordt gewaarborgd dat de huur tijdig zal worden betaald. 3Het verweer Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten. 4De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 11 juli 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 12 februari 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 5 maart 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 juli 2023 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft aangetoond dat de huur van maart 2024 is betaald. Doordat verzoekster haar inkomen zal laten overmaken op een betalingsrekening van de schuldhulpverlener, is ook voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen tijdig kunnen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. 5De beslissing De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 juli 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 28 februari 2024; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat SHV die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.