Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2024:3505
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/4163 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaats] , eiser en [naam verweerder] , verweerder (gemachtigde: mr. A. Holtland), en de Staat der Nederlanden (namens deze: de minister van Justitie en Veiligheid, hierna de Staat).
Procesverloop Bij brief van 9 april 2020 heeft eiser verweerder verzocht bij beschikking de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsommen vast te stellen die verschuldigd zouden zijn wegens het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar van 22 juli 2019 tegen een brief van 25 juni 2019.
Bij brief van 21 april 2020 heeft verweerder het verzoek om een dwangsombesluit afgewezen.
Bij brief van 13 mei 2020 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 10 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij beslissing als bedoeld in artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de rechtbank Den Haag op 5 augustus 2020 de zaak naar de rechtbank Rotterdam verwezen.
Eiser heeft (aanvullende) beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. P.A. de Jong.
Overwegingen 1. Bij brief van 22 juli 2019 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van 25 juni 2019.
1.1.
Bij brief van 23 januari 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar en verzocht binnen twee weken alsnog op het bezwaarschrift te beslissen.
1.2.
Bij besluit van 22 juni 2020 heeft verweerder het bezwaar tegen de brief van 25 juni 2019 niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
In het verweerschrift van 2 oktober 2020, zoals toegelicht ter zitting, heeft verweerder zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het oordeel dat de brief van 25 juni 2019 niet kwalificeert als een besluit of daarmee gelijkgestelde handeling tot consequentie heeft dat de aanvraag (hier: het bezwaar) kennelijk niet-ontvankelijk moet worden geacht, zodat eiser ook op die grond geen aanspraak kan maken op een dwangsom (artikel 4:17, zesde lid, onder c van de Awb).
2.2.
Eiser voert in beroep aan (kort samengevat) dat de brief van 25 juni 2019 wel een besluit is in de zin van de Awb en dat hij wel als belanghebbende moet worden aangemerkt.
Beoordelingskader 4. Artikel 4:17 van de Awb (welke bepaling op grond van artikel 7:14 van de Awb ook van toepassing is op een besluit op bezwaar) luidt als volgt:
Beoordeling 5. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de CRvB blijkt dat bestuursrechters niet op alle aangevoerde gronden en argumenten hoeven in te gaan, maar zich mogen beperken tot de kern daarvan. In lijn hiermee gaat de rechtbank niet op alles wat door partijen is aangevoerd in, maar beperkt zich tot wat bepalend is voor haar oordeel over de vraag of verweerder een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op eisers bezwaar tegen de brief van 25 juni 2019.
5.1.
Eiser heeft bij brief van 22 oktober 2021 gesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en de rechtbank verzocht nader genoemde stukken op te vragen bij verweerder en aan hem door te sturen. Ter zitting heeft eiser verklaard dit verzoek te handhaven. De rechtbank wijst dit verzoek af. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding te oordelen dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken die relevant zijn in het kader van de in deze zaak te beoordelen vraag of verweerder een dwangsom is verschuldigd, heeft ingediend. Mede daarom acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser door het ontbreken van de genoemde stukken in zijn verweermogelijkheden is geschaad. De rechtbank verwijst verder naar wat zij heeft overwogen in de uitspraak van heden in de zaak met nummer 20/4164.
Verzoek om schadevergoeding 9. Eiser heeft bij brieven van 14 november 2021 en 24 november 2023 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat aangemerkt als partij in deze zaak.
9.1.
De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden indien de duur van de totale procedure te lang is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Hiervan geldt een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De te beoordelen periode vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank (eind)uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen maken dat een langere behandelduur gerechtvaardigd is. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De rechtbank moet beoordelen of sprake is van een termijnoverschrijding en zo ja, of deze moet worden toegerekend aan de bezwaar- en/of aan de beroepsfase.
9.2.
Het bezwaarschrift van eiser is ingediend bij verweerder op 13 mei 2020. Verweerder heeft op 10 juli 2020 op het bezwaar van eiser beslist. Eiser heeft op 20 juli 2020 beroep ingesteld. De bezwaar- en beroepsfase heeft daarmee op het moment van deze uitspraak (naar boven afgerond) 46 maanden geduurd. De redelijke termijn van 24 maanden is hiermee overschreden, nu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat die termijn in dit geval moet worden verlengd. De omstandigheid dat de procedure werd onderbroken doordat eiser een verzoek tot wraking had ingediend en in hoger beroep is gegaan tegen de afwijzing van dat verzoek, rechtvaardigt in beginsel geen langere behandelingsduur. Dit laatste geldt ook voor vertraging die de procedure heeft opgelopen door de Covid-pandemie en de door beide partijen ingediende verzoeken om een andere zittingsdatum. De procedure heeft dus (naar boven afgerond) 22 maanden te lang geduurd. Uitgaande van een bedrag van € 500,- per 6 maanden of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden, bedraagt de schadevergoeding voor eiser (naar boven afgerond) € 2.000,-. De overschrijding heeft plaatsgevonden in de beroepsfase. De Staat zal daarom worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
9.3.
Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000,- is, hoeft de minister van Justitie en Veiligheid, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014 (Staatscourant 2014, 20210), niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren.
Conclusie en gevolgen daarvan 10. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit bevat wel een motiveringsgebrek, maar dit wordt gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Verweerder dient het griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling in het beroep bestaat geen aanleiding.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; draagt verweerder op het griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden; wijst het verzoek om schadevergoeding toe; veroordeelt de Staat tot vergoeding aan eiser van immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van S.R. Jonkergouw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te tekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van Beroep voor het Bedrijfslaven van 24 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:187, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2849.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3108.
Zie de uitspraken van de Hoge Raad van 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3119, en van 5 februari 2016 van de Centrale Raad van Beroep van ECLI:NL:CRVB:2016:435.