Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2] uitspraakdatum: 16 april 2024 [verzoekster] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats] , verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 25 maart 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In de oproepingsbrief van 28 maart 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2024. Ter zitting van 10 april 2024 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat). Mr. R.H.D. van Dam, werkzaam bij deurwaarderskantoor Flanderijn heeft namens Stichting Woonbron (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden, waarbij is gemeld dat zowel een vertegenwoordiger van de deurwaarder als van verweerster niet aanwezig zal zijn ter zitting. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 17 april en heden bij vervroeging, uitgesproken. 2Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 februari 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. 3Het verweer Verweerster heeft geen inzicht gekregen in de financiële situatie van verzoekster en heeft dan ook geen vertrouwen dat de openstaande vordering en de lopende termijnen betaald zullen worden. Verweerster meent dat, gezien het tijdsverloop en het steeds opnieuw niet nakomen van afspraken, nu niet langer van haar gevergd kan worden om verzoekster nog langer in de woning te laten verblijven. Toewijzing van het moratorium zou ten aanzien van verweerster onredelijk zijn. 4De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 februari 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 19 maart 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 17 april 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 22 februari 2022 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft de huur over april 2024 betaald. Verder heeft verzoekster verklaard dat zij beschikt over voldoende inkomsten uit haar werk als zelfstandige in de zorg om ook de lopende termijnen steeds te kunnen voldoen. Inmiddels is ook een intakegesprek bij Zuidweg & Partners gepland. Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij vanaf de start van dat traject haar inkomsten zal overmaken aan Zuidweg & Partners, die dan vervolgens voor haar de huurbetalingen steeds tijdig zullen verrichten. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. 5De beslissing De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 22 februari 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan ( [postcode] ) de [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf heden; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat Schuldhulpverlening Zuidweg & Partners die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengen als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. van Vuren, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2024.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.