Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/2149 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. P. Salim, en Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft bij verweerder een verzoek gedaan om aanvullende schadevergoeding. Eiseres heeft beroep ingesteld vanwege het uitblijven van een besluit. Verweerder heeft op 7 maart 2024 een verweerschrift ingediend. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is. Eiseres heeft zich gemeld bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het verzoek van eiseres is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek. Het beroep is daarom gegrond. Verweerder heeft op 26 januari 2024 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen. Gelet op de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209). Verweerder moet in beginsel binnen twaalf weken na de datum van het verweerschrift een beslissing nemen op het verzoek van eiseres. Omdat sinds de datum van het verweerschrift meer dan zes weken zijn verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op het verzoek moet bekendmaken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de proceskostenveroordeling een wegingsfactor van 0,25 moet worden toegepast, omdat de zaak van zeer licht gewicht is. Verweerder verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7513, en een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.