RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10764606 CV EXPL 23-28654 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 12 april 2024 in de zaak van [eiser] , die handelt onder de naam [naam autobedrijf] , woonplaats: Rotterdam, eiser, gemachtigde: mr. J.F. van Dijk, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. M.P.A. Roelands (AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders). De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. De kantonrechter is mr. A.M. van Kalmthout en de griffier is mr. J. Ista. Aanwezig zijn: [eiser] met de gemachtigde; Mevrouw [persoon A] (administratief medewerker) en de heer [persoon B] (statutair bestuurder) namens [gedaagde] , met mr. W. Kistemaker namens de gemachtigde. 1De beoordeling Waar gaat de zaak over? 1.
- Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 15 februari 2018 (zaaknummer 6587061 \ CV EXPL 18-179, hierna ‘het verstekvonnis’) is [eiser] veroordeeld om € 4.536,56 met rente en kosten aan [gedaagde] te betalen. Volgens [eiser] heeft hij volledig aan zijn betalingsverplichting voldaan en zelfs € 920,77 teveel betaald. Bij dagvaarding eist hij terugbetaling van dit bedrag met rente en kosten en een verklaring voor recht dat hij volledig heeft voldaan aan het verstekvonnis. 1.
- [gedaagde] is het niet eens met de eis. De berekening van [eiser] klopt niet en hij moet juist nog een bedrag aan haar betalen, aldus [gedaagde] . De uitkomst 1.
- De eis wordt afgewezen. Hierna wordt toegelicht waarom. Er staat nog een bedrag open, dus [eiser] heeft niet volledig aan het verstekvonnis voldaan 1.
- [eiser] heeft als productie 9 bij de dagvaarding een brief van 30 mei 2023 aan [gedaagde] overgelegd met een berekening. Op grond van die berekening komt hij uit op een door [gedaagde] aan hem terug te betalen bedrag van € 920,
- Tijdens de zitting is vastgesteld dat die berekening op twee punten onjuist is. Ten eerste is de door [eiser] gestelde dubbele betaling van een factuur van € 544,50 (op 21 augustus 2017 en 18 januari 2018) niet één keer, maar twee keer in mindering gebracht op het door hem verschuldigde bedrag. Ten tweede heeft [eiser] ten onrechte twee betalingen op 7 december 2017 (€ 544,50 en € 363,-) in mindering gebracht, terwijl deze bedragen in de eerdere procedure al in mindering waren gebracht op de hoofdsom. [eiser] heeft tijdens de zitting dan ook erkend dat hij, als hij daarmee rekening houdt, nog € 531,23 aan [gedaagde] verschuldigd is (€ 920,77 – € 544,50 – € 544,50 – € 363,-). Zowel de eis tot betaling van € 920,77 als de geëiste verklaring voor recht dat [eiser] volledig aan het verstekvonnis heeft gedaan, wordt daarom afgewezen. 1.
- De geëiste rente en overige bijkomende kosten worden eveneens afgewezen, omdat daar door het afwijzen van de hoofdsom geen grond voor bestaat. [eiser] moet de proceskosten betalen 1.
- [eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135,-) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 337,
- Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend. 2De beslissing De kantonrechter: 2.
- wijst de eis van [eiser] af; 2.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 337,
- Dit proces-verbaal is op 23 april 2024 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter. 43416