Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 71-283822-22 Datum uitspraak: 18 januari 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01], ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [detentieadres01] , raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2023. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Onder feit 1 wordt de verdachte deelname aan de Islamitische Staat (hierna: IS) verweten en onder feit 2 het verrichten van handelingen ter voorbereiding en bevordering van terroristische misdrijven in de periode van 1 augustus 2013 tot en met 2 november 2022. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde in de periode van 1 augustus 2013 tot 27 januari 2019; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt van de verdediging De verdachte moet worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten. Er kan niet meer worden bewezen dan dat de verdachte in Syrië een gezamenlijke huishouding voerde met verschillende mannen die aan IS gelinkt zouden kunnen worden. Het voeren van een gezamenlijke huishouding staat in een te ver verband van enig terroristisch misdrijf om van voorbereiding of bevordering hiervan te kunnen spreken. Het is ook geen handeling waarmee de verdachte een voldoende concreet aandeel heeft in het plegen van terroristische misdrijven of deze misdrijven bevordert om van een deelnemingshandeling ex artikel 140a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) te kunnen spreken. De gezamenlijke huishoudingsleer is in strijd met het internationaal erkende recht op het gezinsleven, het verbod op discriminatie op politieke of religieuze overtuiging en op geslacht, en het gewoonterechtelijke principe van onderscheid tussen de strijdende partijen en burgers uit het Internationaal Humanitair Recht. De aangifte van [naam01] is onvoldoende betrouwbaar om als bewijs te gebruiken. Dit geldt ook voor de registratiedocumenten, financieringslijsten en het zelfmoorddocument die afkomstig zouden zijn uit de IS-administratie. Dat deze stukken afkomstig zijn uit IS-administratie is een aanname, die niet door onafhankelijke bronnen wordt ondersteund. Er zijn tegenstrijdigheden in de stukken waaruit kan blijken dat ze (deels) valselijk zijn opgemaakt. De inhoud van de Marktplaats-chats kan niet voor het bewijs worden gebruikt omdat het telefoonnummer waarmee aan de chats wordt deelgenomen in die periode niet in gebruik was bij de verdachte. De onder 2 ten laste gelegde onderdelen A, E, F, G, H, en I kunnen niet worden bewezen bij gebrek aan voldoende betrouwbaar bewijs, en de onderdelen B, C en D zijn geen handelingen waarmee terroristische misdrijven worden voorbereid of bevorderd. In ieder geval ontbreekt het opzet en oogmerk hiertoe. Omdat de laatste echtgenoot van de verdachte geen lid was van IS kan bij een bewezenverklaring van de verweten handelingen slechts de periode tot en met 2017 worden bewezen. 4.2. Bewijsbeslissing feit 1 4.2.1. Over het recht IS is een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr die het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Van ‘deelneming’ aan een dergelijke organisatie kan slechts dan sprake zijn als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. De regering merkt in de memorie van antwoord bij het wetsontwerp dat leidde tot artikel 140a Sr op, dat “de facto elke bijdrage aan een organisatie met een terroristisch oogmerk strafbaar (zal) zijn”. In eerdere uitspraken heeft deze rechtbank overwogen dat het naar het strijdgebied gaan en zich daar voegen bij een strijder van IS en met hem een huwelijk aangaan, in feitelijke zin bewijs is van het deelnemen aan IS (o.a. rechtbank Rotterdam, 29 september 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9570). Daarbij dient de betrokkene te weten dat IS een terroristisch oogmerk heeft. Niet is vereist dat de betrokkene in enige vorm opzet heeft op de door IS beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat de betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd. De lijn van de rechtbank ten aanzien van deze manier van deelneming aan een terroristische organisatie vindt bevestiging in het arrest van het Hof Den Haag van 20 december 2023 (ECLI:NL:GHDHA:2023:2570), waarin het hof tot het oordeel komt dat het voeren van een gezamenlijke huishouding met een IS-strijder onder in dat arrest genoemde omstandigheden kan worden aangemerkt als deelneming aan een terroristische organisatie in de zin van artikel 140a Sr. Omstandigheden die in dat arrest zijn genoemd zijn het steunen van de jihadistische ideologie en voorstander zijn van de gewapende jihadstrijd, en met die overtuiging zijn afgereisd naar het strijdgebied, daar huwen met een IS-lid, terwijl hij actief heeft deelgenomen aan IS en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was, het getalsmatig versterken van de invloedssfeer van IS, het actief uitdragen van de jihadistische ideologie en anderen aansporen om ook naar Syrië te gaan, en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Het hof oordeelt dat de verdachte hierdoor gedragingen heeft verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van de terroristische organisatie terwijl zij van het terroristische oogmerk van deze organisatie in zijn algemeenheid op de hoogte was. De rechtbank volgt deze overwegingen. Het beroep van de verdediging op diverse internationaalrechtelijke bepalingen zoals onder andere het recht op huwelijk en gezin leidt niet tot een ander afwegingskader. Het recht op huwelijk en gezin rechtvaardigt niet de deelneming aan een terroristische organisatie noch het aan anderen gelegenheid verschaffen tot het plegen van de omschreven terroristische misdrijven. Met deze overwegingen van het hof als achtergrond beoordeelt de rechtbank de feiten en omstandigheden in de situatie van de verdachte. 4.2.2. Over de feiten De rechtbank acht de volgende feiten en omstandigheden bewezen. Op 24 september 2013 is de verdachte samen met de inmiddels veroordeelde uitreizigster [naam02] naar Syrië uitgereisd. De verdachte heeft verklaard dat zij in de maanden voor haar vertrek uit Nederland lid was van een Facebook-groep die ging over emigratie naar een land waar moslims hun religie beter kunnen praktiseren. In die groep is de verdachte in contact gekomen met [naam03] , die afkomstig was uit België en op dat moment in Syrië woonde. De verdachte wist dat er oorlog was in Syrië. Volgens haar oudere zus [naam01] heeft de verdachte in de maanden voorafgaand aan haar vertrek het over vertrekken naar een islamitisch land en deelname aan de Jihad. Ook heeft zij verkondigd te willen strijden voor de jihad en te willen sterven in de strijd, waarbij haar zus dacht dat zij zichzelf zou opblazen in Syrië. De rechtbank ziet geen reden om de betrouwbaarheid van die verklaring, die in lijn is met de feitelijke gebeurtenissen rond het vertrek van de verdachte, in twijfel te trekken. De vader van de verdachte heeft [naam01] verteld dat hij op 27 september 2013 is gebeld door een hem onbekende man die hem om toestemming vroeg voor het huwelijk met zijn dochter, en hem vertelde dat hij uit België kwam, een Mujahadin was, en dat hij aan het strijden was in Syrië. De verdachte heeft ter zitting bevestigd dat [naam03] telefonisch contact heeft opgenomen met haar vader om toestemming te vragen voor hun huwelijk. Een week na haar aankomst in Syrië is de verdachte met [naam03] getrouwd. Zij woonden eerst in Idlib en daarna in Raqqa. Op 29 juni 2014 werd in Syrië het kalifaat uitgeroepen. De verdachte heeft verklaard dat zij schoten hoorde, dat haar man haar vertelde dat het kalifaat was uitgeroepen en dat voortaan de islamitische wetgeving van toepassing was. De verdachte en haar man zijn in Raqqa blijven wonen en haar man bleef er ook werken. Haar man was dagelijks van huis en de verdachte wist dat hij in het bezit was van een vuurwapen. De verdachte maakte daaruit op dat hij bij IS zat. Haar man heeft later ook tegen haar gezegd dat hij bij IS zat. Op [datum01] 2014 is de verdachte bevallen van haar eerste kind. Op 21 augustus 2015 is [naam03] om het leven gekomen bij een drone-aanval in Raqqa. Dit overlijden en zijn rol bij IS worden bevestigd door een formulier in de administratie van IS ‘ter documentatie van gevangenen en martelaren’ van 26 juni 2016, waarin staat dat [naam03] 10 maanden daarvoor is gesneuveld. Ook in een registratieverzoek aan IS van 22 september 2016 meldt de verdachte dat haar echtgenoot [naam03] hoorde bij het ‘kantoor voor oorlogsbuiten’ en dat hij een jaar en een maand daarvoor met een drone is gedood. De verdachte heeft na het overlijden van haar eerste man met een andere vrouw in een huis gewoond totdat zij werd overgeplaatst naar een madafa , een vrouwenhuis. Begin april 2016 is de verdachte getrouwd met [naam04] . Uit een aanvraag in de IS-administratie blijkt dat de verdachte op 26 juni 2016 is gescheiden van [naam04] na een huwelijk van twee en een halve maand, en dat zij een verzoek tot terugplaatsing heeft aangevraagd bij het IS-centrum voor gevangenen en martelaren onder de registratie van haar overleden echtgenoot [naam03] . Op 22 september 2016 heeft de verdachte opnieuw zo’n verzoek gedaan tegelijk met een aanvraag tot scheiding van [naam05] , met wie zij in de tussentijd gehuwd was. De verdachte wordt daarin aangeduid met haar westerse naam, waarbij in één document de verbinding wordt gelegd tussen de naam [naam06] of de naam van haar vader, [naam07] , en de kunya [naam08] . In de documenten worden verdachtes leeftijd genoemd, haar geboortedatum en de naam en leeftijd van haar dochter. De verdachte gebruikte de kunya’s [naam09] en [naam08] . Eind 2016 is de verdachte getrouwd met [naam10] (kunya [naam11] ), een Nederlandse IS-strijder, die waarschijnlijk is omgekomen op 16 december 2016 bij een door hem uitgevoerde zelfmoordaanslag in Syrië. De verdachte heeft verklaard dat zij wist dat [naam10] een IS-strijder was. In IS administratie is een aanvraag tot het mogen uitvoeren van een zelfmoordaanslag aangetroffen. Die aanvraag luidt als volgt: Ik ben zuster [naam12] , negenentwintig jaar oud en heb een dochtertje. Mijn echtgenoot heet [naam11] en hoort bij het kalifaatleger, Anas Bin al-Nadher bataljon. Ik wil een zelfmoordaanslag uitvoeren en verzoek u om uw goedkeuring aan dit verzoek te geven. Moge Allah u belonen. De rechtbank is van oordeel dat de identificerende kenmerken die het bericht bevat - de kunya [naam13] , verwijzend naar de naam van de dochter van de verdachte, het achtervoegsel [achtervoegsel01] , verwijzend naar de Marokkaanse origine van de verdachte, de verblijfplaats Raqqa, de status van migrant, de leeftijd van 29 jaar oud, het hebben van een dochtertje (met de naam [naam14] ), de echtgenoot [naam11] , verwijzend naar [naam10] en het bataljon Anas Bin al-Nadher - erop wijzen dat dit verzoek door de verdachte is gedaan. In IS-administratie zijn documenten aangetroffen waaruit kan worden geconcludeerd dat de verdachte vanwege het overlijden van [naam10] geld heeft ontvangen van IS. In die documenten wordt de westerse naam [naam10] gekoppeld aan de kunya van de verdachte. Ook staat op één document dat [naam10] heeft behoord bij de afdeling Anas Bin al Nazer. De verdachte heeft na het overlijden van [naam10] op verschillende plaatsen in Syrië in vrouwenhuizen verbleven. Begin 2018 is de verdachte getrouwd met een Tunesische man genaamd “ [naam15] ”. Uit de IS-administratie blijkt dat de uitkeringen aan de verdachte medio 2018 werden stopgezet, waarschijnlijk omdat de verdachte opnieuw gehuwd was. De verklaring van de verdachte dat haar laatste man geen IS-strijder was en niet meer voor IS werkte, is niet controleerbaar en ook onaannemelijk omdat deze man, als niet Syriër, zich kennelijk medio 2018 nog steeds in door IS bestuurd gebied bevond. Anders dan door de verdediging is betoogd worden de documenten uit de IS-administratie betrouwbaar geacht. Het betreft een reeks verschillende documenten van diverse aard, waarvan het zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt - onaannemelijk is dat die systematisch ten nadele van de verdachte zouden zijn vervalst. Zoals hiervoor overwogen, worden in de documenten (registratielijsten met betrekking tot huwelijken en scheidingen, financieringslijsten en het “zelfmoordaanslagdocument”) diverse persoonskenmerken van de verdachte genoemd die leiden tot de conclusie dat deze documenten op de verdachte zien. In de WhatsApp-groep [naam whatsapp-groep01] (marktplaats van het kalifaat) is op 26 december 2018 een bericht geplaatst onder telefoonnummer + [telefoonnummer01] . Dit bericht luidt: “Wallaahi akhawaat het is de sunnah van Allaah subhanahu wa ta'ala om Zijn dienaren te beproeven om te kijken wie waarachtig is en wie de leugenaar is dus doe jou best om niet tot de leugenaars te behoren ya akhwaat wij dienen elke dag onze intentie te zuiveren zodat als we sterven we krijgen waar we in de eerste instantie zijn gekomen en dat is de shahada fi sabili Allaah. Geef niet al die jaren op van beproevingen die je al achter de rug hebt en je mannen die hun bloed hebben opgeoffert voor deze khilafa voor niks” Deze tekst is naar het oordeel van de rechtbank te kwalificeren als jihadistisch getinte content/propaganda. Tevens worden onder voornoemd telefoonnummer twee handgranaten te koop aangeboden en wordt verwezen naar de prijs die voor een handgranaat moet worden betaald bij IS. Ook worden foto’s gedeeld van vuurwapens die te koop worden aangeboden met de vraagprijs erbij. Tevens worden een MP5, een Glock, zijnde vuurwapens en een zgn. “Hizam” aangeboden. Volgens de Midden-Oosten deskundige zou met dit laatste een bomgordel worden bedoeld. In de whatsappgroep maakt de gebruiker van het genoemde telefoonnummer gebruik van de kunya’s [naam16] en [naam17] . Uit het dossier blijkt dat verdachte van het hiervoor genoemde nummer gebruik heeft gemaakt. De kunya’s die bij dit nummer worden genoemd worden door de verdachte gebruikt. De verdachte heeft ontkend dat zij de berichten en foto’s onder dit nummer heeft geplaatst, met uitzondering van het bericht op 26 december 2018. Haar stelling dat anderen met het telefoonnummer + [telefoonnummer01] berichten in de Whatsapp-groep hebben geplaatst en dat wellicht anderen hebben ingelogd en haar kunya’s hebben gebruikt, heeft zij niet nader onderbouwd. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden die duidelijk in de richting van de verdachte als gebruiker van dit nummer wijzen acht de rechtbank deze stelling onaannemelijk. De verdachte heeft tot de val van het kalifaat gewoond in het gebied dat onder controle was van IS. Vanaf 27 januari 2019 verbleef zij samen met haar kinderen in detentiekamp Al Hol in Syrië. Daar heeft zij op [datum02] 2019 haar tweede kind gekregen. Na een ontsnappingspoging heeft de verdachte vastgezeten in een gevangenis en daarna, in juli 2020, is zij in kamp Al-Roj terecht gekomen. In november 2022 is zij naar Nederland gebracht. Op grond van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte, in de periode vanaf haar uitreis tot haar aankomst in kamp Al-Hol, lid is geweest van IS en gedragingen heeft ondersteund die bijdragen aan de verwezenlijking van het doel van die organisatie en daardoor heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS. Naar het oordeel van de rechtbank volgt bovendien uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar echtgenoten die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ten aanzien van dit feit het ten laste gelegde medeplegen bewezen kan worden. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte toen zij in de kampen verbleef, nog enige deelnemingshandeling heeft verricht. De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde deelname voor zover dit ziet op de periode na 27 januari 2019. 4.2.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte in de periode van 24 september 2013 tot en met 27 januari 2019 tezamen en in vereniging heeft deelgenomen heeft aan de terroristische organisatie IS. 4.3. Bewijsbeslissing feit 2 4.3.1. Beoordeling Aansluitend op de overwegingen met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door de rechtbank gehanteerde bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder B, C, D, F, G, H en I opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank volgt bovendien uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar echtgenoten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook ten aanzien van dit feit het tenlastegelegde medeplegen met betrekking tot een deel van de handelingen bewezen kan worden. De verdachte heeft samen met haar respectievelijke echtgenoten zichzelf en/of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 2 genoemde terroristische misdrijven. Zij heeft vuurwapens en andere voorwerpen voorhanden gehad waarvan zij wist dat die bestemd waren tot het plegen van dergelijke misdrijven. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich voor haar vertrek het radicaal extremistisch gedachtegoed heeft eigen gemaakt (onderdeel A) en dat zij heeft deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd (onderdeel E). De verdachte wordt van die onderdelen dan ook vrijgesproken. Uit het dossier volgt evenmin dat de verdachte toen zij in de kampen verbleef, enige voorbereidings- dan wel bevorderingshandeling heeft verricht. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen voor zover die zien op de periode na 27 januari 2019. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. zij in de periode van 24 september 2013 tot en met 27 januari 2019 in plaatsen in Syrië, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), welke organisaties tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven, te weten, A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.