Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/750170-21 Datum uitspraak: 28 mei 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:[adres 1] , raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 13, 14, 19, 22 en 28 maart en 8, 10 en 11 april 2024. Het onderzoek is gesloten op 28 mei 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd komt de verdenking erop neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende strafbare feiten: - feit 1: medeplegen van de invoer van 395 kilogram cocaïne (zaaksdossier Niagara); feit 2: medeplegen van de invoer van 390 kilogram cocaïne (zaaksdossier Tanya); feit 3: deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de Opiumwet. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van voorarrest; onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen bivakmuts en wapens en teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen geldbedrag van € 9.020,-. 4Waardering van het bewijs 4.1. Rechtmatigheid interceptie en verwerking van Sky-ECC data 4.1.1. Standpunt verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de interceptie en verwerking van de Sky-ECC data op onrechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Daartoe is het volgende aangevoerd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is niet van toepassing bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de interceptie van de Sky-ECC data door Frankrijk van gebruikers in Nederland. Uit zowel artikel 31 van de EOB-richtlijn (Richtlijn 2014/41/EU) als de nationale wetsgeschiedenis blijkt immers dat de wetgevende rechtsmacht - en daarmee de rechtsbescherming - in Nederland ligt. Gezien artikel 31 van de EOB-richtlijn had Frankrijk een kennisgeving naar Nederland moeten sturen voor de interceptie van de Sky-ECC data van gebruikers in Nederland. Deze kennisgeving had door een Nederlandse rechter-commissaris op basis van de Nederlandse wetgeving moeten worden beoordeeld. Indien Frankrijk een kennisgeving had gestuurd, had de rechter-commissaris toestemming voor de interceptie slechts kunnen weigeren omdat een wettelijke grondslag ontbreekt of, voor zover een wettelijke grondslag wel bestaat, omdat toepassing daarvan voor de interceptie van de data van alle gebruikers in Nederland zich niet verhoudt met het evenredigheidsbeginsel ex artikel 52 lid 1 van het Handvest voor de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Er is dan ook sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op de grondrechten die zijn vervat in de artikelen 7 en 8 Handvest. De verleende machtiging van de rechter-commissaris betreft geen machtiging voor de interceptie, omdat de rechter-commissaris (ten onrechte) reeds uitging van de rechtmatigheid daarvan. De rechter-commissaris heeft ook het belang van de Fransen bij de verkrijging van de data van gebruikers in Nederland niet getoetst. De verleende machtiging van de rechter-commissaris biedt slechts kaders voor de verwerking van de data en die kaders betreffen slechts de autorisatie om toegang te krijgen tot die data, nadat deze reeds zijn geanalyseerd en onderzocht. Het toezicht biedt daardoor onvoldoende waarborgen om in overeenstemming met eerder genoemd evenredigheidsbeginsel te zijn. Zowel de interceptie als de verwerking van de Sky-ECC data is dus onrechtmatig. Het Nederlandse Openbaar Ministerie is hiervoor net zo goed verantwoordelijk als de Franse autoriteiten, nu zij in deze operatie nauw met de Franse autoriteiten samenwerkte en op voorhand wist dat de data van de Nederlandse gebruikers zou worden onderschept en de Fransen dus had kunnen wijzen op de verplichting een kennisgeving te sturen. Nu de vormverzuimen van bepalende invloed zijn voor de (verdere) vervolging van de verdachte, kunnen deze in de onderhavige strafzaak rechtsgevolg hebben. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dient daarbij analoog te worden toegepast. De stelling van de verdediging is dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Subsidiair is het standpunt dat strafvermindering moet worden toegepast. Tot slot heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan om prejudiciële vragen aangaande de interpretatie van het Unierecht voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). 4.1.2. Beoordeling De Hoge Raad heeft reeds zijn beslissing van 13 juni 2023 prejudiciële vragen beantwoord over de rechtmatigheid van de vergaring en verwerking van onder andere Sky-ECC data (ECLI:NL:HR:2023:913). Uit deze uitspraak volgt dat indien er sprake is van opsporing in het buitenland onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten, het interstatelijk vertrouwensbeginsel aan toetsing van de rechtmatigheid van die opsporing door de Nederlandse rechter in de weg staat. Deze situatie heeft zich voorgedaan bij de interceptie van de Sky-ECC data. Deze interceptie heeft immers plaatsgevonden door de Franse autoriteiten, met machtiging van de Franse rechter door het plaatsen van een interceptietool op de server in Frankrijk. De omstandigheid dat inzet van de interceptietool heeft meegebracht dat ook gegevens van Sky-ECC toestellen die zich op het moment van interceptie in Nederland bevonden, zijn verzameld en gekopieerd, leidt niet tot een ander oordeel. De Nederlandse rechter mag er op vertrouwen dat de interceptie van de data door de Franse autoriteiten heeft plaatsgevonden op grond van Franse wettelijke bevoegdheden en in overeenstemming met de waarborgen die de artikelen 7 en 8 van het EU-Handvest en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bieden, nu Frankrijk zich als EU-lidstaat hierbij heeft aangesloten. De rechtbank ziet geen aanleiding om in de onderhavige zaak af te wijken van hetgeen de Hoge Raad over de toepasselijkheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft geoordeeld. De beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, worden gerespecteerd en er wordt van uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dit zou uitsluitend anders zijn als in het betreffende land onherroepelijk zou komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht, hetgeen op dit moment niet het geval is. De raadsman heeft aangevoerd dat een kennisgeving, zoals bedoeld in artikel 31 EOB-richtlijn, vanuit Frankrijk aan de Nederlandse autoriteiten gestuurd had moeten worden. Op 30 april 2024 heeft het Hof van Justitie van de EU een arrest gewezen (ECLI:EU:C:2024:372) waarin onder andere is overwogen dat in beginsel op basis van de Richtlijn 2014/41/EU bij interceptie op grondgebied van een andere EU-lidstaat een kennisgeving nodig is. De rechtbank stelt vast dat Nederland blijkens de gesloten JIT-overeenkomst op de hoogte was van het onderwerp en het doel van de interceptie. Nog los van de vraag of Frankrijk daarnaast nog een aparte kennisgeving aan Nederland had moeten sturen, kan niet worden gesteld dat de Nederlandse rechter-commissaris toestemming voor de interceptie zou hebben geweigerd. De Hoge Raad heeft immers in haar beslissing van 13 juni 2023 overwogen dat artikel 31 EOB-richtlijn niet is geschreven ter bescherming van specifieke belangen van de af te tappen of afgetapte persoon, maar verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden, ook al hebben de activiteiten hun uitwerking mede in andere landen. De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan de waarborgen die worden onderschreven in het arrest van 30 april 2024 van het Hof van Justitie EU, zodat het verweer wordt verworpen. De raadsman heeft betoogd dat artikel 31 van de EOB-richtlijn ook beoogt rechtsbescherming te verdelen en daarmee ook het recht op een effective remedy waarborgt. Ook indien deze uitleg van de raadsman zou worden gevolgd, leidt dit niet tot het door de raadsman beoogde gevolg. De rechtbank begrijpt het betoog aldus dat de raadsman meent dat er voorafgaand aan de interceptie een rechterlijke toetsing had moeten plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat deze toetsing heeft plaatsgevonden. Het Openbaar Ministerie heeft in onderzoek 26Argus, voorafgaand aan het door de Franse autoriteiten aansluiten en activeren van de in Nederland ontwikkelde techniek die het ontsleutelen van het berichtenverkeer mogelijk maakte, een machtiging van de rechter-commissaris gevorderd voor het geven van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie. Daarnaast zijn machtigingen gevorderd voor het geven van een bevel tot het binnendringen van en het doen van onderzoek in een geautomatiseerd werk. Deze machtigingen zijn afgegeven en daaraan zijn voorwaarden verbonden om op die manier de privacy-schending zoveel mogelijk te begrenzen. Dat hierbij het vertrouwensbeginsel in acht is genomen is in overeenstemming met het uitgangspunt van de EOB-richtlijn, namelijk het vertrouwen dat de lidstaten in elkaars rechtssysteem hebben. Gelet op het bovenstaande, in het bijzonder de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, is de rechtbank van oordeel dat de Sky-ECC data rechtmatig zijn verkregen en verwerkt en dat daarmee geen inbreuk is gemaakt op het recht van verdachte op een eerlijk proces, zoals opgenomen in artikel 6, eerste lid, EVRM. Ook hetgeen voor het overige door de raadsman is aangevoerd, leidt, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot een ander oordeel. Er is dan ook geen reden om tot bewijsuitsluiting of strafvermindering over te gaan. De Sky-ECC data kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt. De verdediging heeft tot slot een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, indien haar standpunt betreffende de wijze van toepassing van het Unierecht niet wordt gevolgd. De rechtbank acht zich echter voldoende voorgelicht om in deze strafzaak een beslissing te kunnen nemen, gezien de inhoud van het procesdossier, gehoord hetgeen ter zitting naar voren is gebracht en gelet op de rechtspraak op dit punt. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen. 4.1.3. Conclusie De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging. 4.2. Identificatie Sky-ID [Sky-ID 1] De verdachte wordt in het dossier geïdentificeerd als de gebruiker van het Sky-ID [Sky-ID 1] . De rechtbank stelt voorop dat de feiten en omstandigheden die tot deze identificatie hebben geleid in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd en dat de bewijswaarde daarvan ook op die wijze moet worden beoordeeld. Concreet betekent dit dat denkbaar is dat op basis van het samenstel van feiten en omstandigheden, die ieder voor zich onvoldoende onderscheidend zijn of niet met voldoende mate van zekerheid naar deze specifieke verdachte wijzen om de identificatie te kunnen dragen, desalniettemin buiten redelijke twijfel bewezen kan worden geacht dat de verdachte de gebruiker van het Sky-ID is geweest. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of de verdachte inderdaad kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van dit Sky-ID. Vervolgens zullen de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten worden besproken. De rechtbank begrijpt uit de tekst van de onder 3 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie en de daarbij ter zitting gegeven toelichting door de officier van justitie dat dit feit betrekking heeft op het zaaksdossier Niagara (feit 1). Daarom zal de deelname aan de criminele organisatie na behandeling van het onder 1 ten laste gelegde besproken worden. Vervolgens zal zaaksdossier Tanya (feit 2) worden besproken. 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheden die aan de identificatie ten grondslag liggen als onvoldoende dienen te worden beschouwd, nu de verdachte betwist gebruiker te zijn van het Sky-ID. Bij gebreke van een betrouwbare identificatie dient de verdachte te worden vrijgesproken. 4.2.2. Beoordeling De verdachte is op 6 februari 2020 aangehouden wegens verboden wapenbezit. Tijdens deze aanhouding is bij de verdachte een iPhone aangetroffen en in beslag genomen. Hieraan is het IMEI-nummer [nummer] gekoppeld. Na aanvullend onderzoek blijkt dit IMEI-nummer-nummer - naast twee andere IMEI-nummer-nummers - bij het Sky-ID [Sky-ID 1] te horen. Uit onderzoek naar historische verkeersgegevens van voornoemd IMEI-nummer-nummer blijkt dat het IMEI-nummer-nummer in de periode 10 september 2019 tot en met 9 maart 2021 gekoppeld is aan voornoemd Sky-ID. Het IMEI-nummer straalt in de periode van 10 september 2019 tot en met 9 maart 2021 399 keer een zendmast in Etten-Leur aan. Deze zendmast bevindt zich op ongeveer 600 meter afstand van de woning van verdachtes partner. Voorts maakt het IMEI-nummer in de periode van 10 september 2019 tot en met 9 maart 2021 op 30 dagen verbinding met een zendmast in Hank. Deze zendmast bevindt zich op ongeveer 550 meter afstand van het GBA-adres van de verdachte. Bovendien komen de locaties van de aangestraalde zendmasten overeen met de reisbewegingen van de verdachte. Zo straalt het IMEI-nummer op 6 februari 2020 - de dag dat de verdachte is aangehouden en zich op het politiebureau aan [adres 2] bevond - de zendmast aan [adres 2] aan en na heenzending van de verdachte op 7 februari 2020 de zendmasten in Hank en Etten-Leur. Hiernaast blijkt uit onderschepte chatberichten het volgende. Op 23 november 2020 verstuurt de gebruiker van het Sky-ID [Sky-ID 2] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 1] ) het e-mailadres [e-mailadres] naar de gebruiker van het Sky-ID [Sky-ID 3] (geïdentificeerd als medeverdachte [medeverdachte 2] ). Laatstgenoemde stelt vervolgens op 22 december 2020 een e-mail op die is gericht aan voornoemd e-mailadres, waarin hij zich voordoet als iemand van een transportbedrijf. [medeverdachte 2] stuurt een schermafbeelding van de opgestelde e-mail naar de gebruiker van het Sky-ID [Sky-ID 1] met daarbij de mededeling dat hij deze e-mail voor de betrokkene klaar heeft staan en deze zal versturen zodra die persoon wakker is. De gebruiker van het Sky-ID [Sky-ID 1] reageert daarop dat de e-mail “ok” is. Enig aandeelhouder van het bedrijf [naam bedrijf 1] blijkt [naam bedrijf 2] te zijn, van welke Beheer B.V. de verdachte destijds enig aandeelhouder en bestuurder was. Op 3 maart 2021 stuurt [medeverdachte 2] een foto door waarin staat dat [naam bedrijf 2] in functie is getreden bij [naam bedrijf 3] , waarop de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 1] antwoordt: “koop mijn aandelen en je bent mijn baas”. Bovendien blijkt uit de gegevens van het systeem Portbase dat de verdachte zich op 2 december 2020 namens [naam bedrijf 1] drie keer heeft gemeld om een container op te halen waarin cocaïne is aangetroffen. De rechtbank is op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de verdachte de gebruiker is geweest van Sky-ID [Sky-ID 1] . Nu de verdachte is geïdentificeerd als de gebruiker van het Sky-ID, zal de rechtbank daar bij de verdere bespreking en beoordeling van de ten laste gelegde feiten ook van uitgaan. 4.3. Zaaksdossier Niagara (feit 1) 4.3.1. Standpunt verdediging De verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken. De verdachte heeft geen enkele betrokkenheid gehad bij de (verlengde) invoer van deze partij cocaïne. Betwist wordt dat de verdachte een materiële of intellectuele bijdrage van enig gewicht heeft geleverd aan dit transport. Aan de verdachte is bovendien pas opdracht gegeven om te gaan rijden en voor te melden toen de lading al in beslag was genomen. Handelingen van na de inbeslagname van de cocaïne kunnen niet bijdragen aan het (bewijs van) de invoer daarvan. De verdediging wijst in dit verband op het zogenoemde Kokosnootarrest (ECLI:HR:1998:ZD0975). Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het (voorwaardelijk) opzet op de verlengde invoer van cocaïne ontbreekt, omdat de verdachte geen wetenschap had van het feit dat het ging om de invoer van een lading cocaïne. De verdachte heeft niet aan alle chats deelgenomen en in de chats waaraan hij wel zou hebben deelgenomen komt dit in ieder geval niet aan de orde. Het had ook om andere soorten (illegale) goederen kunnen gaan. 4.3.2. Beoordeling Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het navolgende worden afgeleid. Op 1 december 2020 is het uit de Dominicaanse Republiek afkomstige schip [naam schip 1] via de Rotterdamse haven Nederland binnengekomen. Bij het controleren van de containers van dit schip viel bij container met nummer [containernummer 1] op dat er naast het zegel met daarop Hamburg Sud een tweede verzegeling was aangebracht en er werden afwijkingen ten aanzien van deze zegels geconstateerd. Besloten werd om deze container, die was geladen met medische hulpmiddelen, te controleren. In de container werden links achterin 16 zwarte tassen met daarin 395 pakketten aangetroffen. De pakketten zijn om 13:30 uur in beslag genomen en hadden een nettogewicht van 395 kilogram. Hiervan zijn 32 willekeurige pakketten geselecteerd en 30 pakketten bemonsterd. Na onderzoek door het Douane Laboratorium van deze bemonsteringen bleek het om cocaïne te gaan. In zijn arresten van 17 maart 1998 en 15 december 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD0975 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1300, bekend als de zogenoemde kokosnootjurisprudentie) heeft de Hoge Raad bepaald dat handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer kunnen strekken tot bewijs van de invoer of het verdere vervoer en de overdracht van die verdovende middelen. Vast staat dat de volledige hoeveelheid cocaïne die in de container zat op 2 december 2020 om ongeveer 13:30 uur in beslag is genomen. De rechtbank zal dan ook hieronder de relevante (groeps)gesprekken die zijn gevoerd via de chatapplicatie Sky-ECC uit het zaaksdossier Niagara uiteenzetten waaraan de verdachte voor de inbeslagname heeft deelgenomen en die blijkens hun inhoud betrekking hebben op de in beslag genomen partij cocaïne. Volgens de rechtbank volgt hieruit de betrokkenheid van de verdachte als medepleger. Op 20 november 2020 voeren de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] een gesprek over het transport. [medeverdachte 2] laat de verdachte weten dat er werk onderweg is en vraagt of de medeverdachte [medeverdachte 1] goed met hem heeft gesproken, hetgeen de verdachte bevestigt. Verder geeft de verdachte aan geen geld te hebben om te investeren in een huurtruck, huurchassis en extra chauffeur, want [medeverdachte 1] wil twee trucks klaar hebben staan. Op 22 november 2020 laat de verdachte aan [medeverdachte 2] weten dat “de loods 100% gereed is met heftruck en vast staat voor nieuwe klus”, dat er “10k nodig is voor een extra chauffeur en twee trucks stand-by” en dat hij “platzak is min 40k en geen cash heeft om dit zonder hulp op te zetten”. [medeverdachte 1] geeft op 23 november 2020 aan [medeverdachte 2] het e-mailadres “ [e-mailadres] ” door. Dit is het e-mailadres van het bedrijf van de verdachte. Op 27 november 2020 laat [medeverdachte 2] aan de medeverdachte [medeverdachte 3] weten dat hij met [medeverdachte 1] naar de transporteur gaat, omdat hij “bedelde voor geld” en 10k laat ophalen bij [medeverdachte 1] . Op 28, 29 en 30 november 2020 heeft de verdachte contact met [medeverdachte 2] . Die geeft aan de verdachte de instructie meerdere “bakken” (containers) aan te nemen, dat die containers leeg terug naar Delta moeten op maandag, dat “de chauffeurs zo nodig onder tafel extra worden betaald om de bakken te rijden zoals afgesproken”, dat de boot er dinsdag om 15:00 uur is en dat “onze bak gelukkig nog geen scan heeft”. De verdachte laat weten klaar te staan met twee trucks. Op 1 december 2020 laat de verdachte aan [medeverdachte 2] weten dat zijn bak leeg naar binnen mag en voegt daaraan toe: “dus dat word dikke kerstpakket”. [medeverdachte 2] laat weten dat “het nog niet nodig is”, dat “de bak nog gewoon groen is”, maar dat “de bak aan de kant moet worden gehouden voor het geval dat”. [medeverdachte 2] vraagt aan de verdachte om met [medeverdachte 1] in de loods te wachten straks en samen met hem “pb (de rechtbank begrijpt: Portbase) in te schieten”, hetgeen de verdachte bevestigt. De verdachte mag voormelden zodra [medeverdachte 2] dit aangeeft, omdat hij van tevoren weet dat “alles groen is in Portbase”. Verder wordt in een door [medeverdachte 2] aangemaakte groepschat door de verdachte gemeld dat iedereen gereed staat en dat de telefoons zijn opgeladen. Op 2 december 2020 wordt de verdachte ongeduldig, waarop [medeverdachte 2] de verdachte laat weten dat hij weet dat het heel lang kan duren, dat hij geduldig moet zijn, dat “de bak geen scan heeft” en dat de “documenten zijn ingeschoten alleen nog niet op de grond staat”. Even later, om 12:29 uur, krijgt de verdachte de opdracht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om te gaan rijden en voor te melden. [medeverdachte 3] deelt daarop de releasecode behorend bij de container. [medeverdachte 2] deelt een afbeelding in de groepschat (met als deelnemers [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en de verdachte) en meldt dat de koelmonteur binnen is. De verdachte meldt op 2 december 2020 om 13:22 uur dat de bak groen is en dat het druk is. Na de inbeslagname van de drugs, om 15:50 uur, meldt de verdachte dat de chauffeur de bak niet meekrijgt en even later dat de originele vervoerder zich bij hem heeft gemeld omdat “zij een bak van hen hadden”. [medeverdachte 1] meldt nog dat de originele transporteur daar is. Op 3 december 2020 wijst [medeverdachte 2] de verdachte op een artikel op de website Crimesite. Hierin staat dat de Douane in een container die was geladen met medische hulpmiddelen en afkomstig uit de Dominicaanse Republiek 395 blokken cocaïne heeft aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde chatberichten, daterend van voor de inbeslagname van de verdovende middelen, en de nader uitgewerkte bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met meerdere betrokkenen, waarbij de verdachte de zorg droeg voor het transport. Het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op het invoeren van cocaïne kan in het licht van de bewijsmiddelen geen stand houden. Gezien de inhoud van voornoemde chats, waaraan de verdachte actief heeft deelgenomen, was hij ervan op de hoogte dat er werk aan kwam waarvoor hij met twee trucks en een extra chauffeur ruim van tevoren stand by moest staan en waarvoor hij € 10.000,- nodig had (en kennelijk heeft gekregen, omdat hij de trucks kort erna gereed had staan). Verder heeft de verdachte bevestigd dat hij een loods had geregeld, is hij met lege bakken gaan rijden, wist hij dat hij niet de legale vervoerder was en sprak hij over een flinke kerstbonus. De verdachte heeft zelf geen uitleg gegeven over hoe de gesprekken anders zouden moeten worden geïnterpreteerd dan dat deze over cocaïne gingen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze container cocaïne zou bevatten en daarmee is de aanwezigheid van opzet, in voorwaardelijke zin, wettig en overtuigend bewezen. Vorenstaande leidt ertoe dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de invoer van deze partij cocaïne. 4.3.3. Conclusie De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.4. Deelname criminele organisatie (feit 3) 4.4.1. Standpunt verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdachte behoorde niet tot de organisatie, hij werd hooguit als derde door de organisatie ingeschakeld op het moment dat een transport reeds onderweg was. Hij was niet op de hoogte van of betrokken bij gesprekken over bijvoorbeeld de planning van transporten. 4.4.2. Beoordeling Juridisch kader Van een organisatie in de zin van artikel 11b van de Opiumwet is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon, met als oogmerk het plegen van een of meer Opiumwetmisdrijven. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is, dat sprake is van formeel afgebakende taken of dat alle deelnemers elkaar of elkaars bezigheden voor die organisatie kennen. Wel moet de samenwerking een meer dan incidenteel karakter hebben. Van deelneming aan een dergelijke organisatie is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voor deelneming is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (ook in de zin van voorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven uit de Opiumwet tot oogmerk heeft. Organisatie van drugstransporten Het is een feit van algemene bekendheid dat het invoeren van grote partijen cocaïne via de haven van Rotterdam een hoge mate van organisatie, structuur en samenwerking vereist, vanwege de vele schakels in de (vervoers-)keten en het (grote) aantal mensen dat daarbij betrokken moet worden. Ook vergt het opzetten van een dergelijke “lijn” de nodige tijd en is het vanwege de grote financiële en praktische risico’s voor de organisatie niet gebruikelijk om als eerste (en enige) transport een partij van honderden kilo’s cocaïne in te voeren. Het invoeren van een grote partij cocaïne is bij uitstek een misdrijf dat in een meer dan incidenteel georganiseerd en crimineel verband gepleegd wordt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat van een georganiseerd en crimineel samenwerkingsverband sprake is geweest. Via Sky-ECC wordt er gedurende een aantal weken tussen de betrokkenen in diverse samenstellingen gecommuniceerd over het inkopen op de partij cocaïne, de routeinformatie en de status van de betreffende container. Voorts wordt er gesproken over de transporteur (de verdachte), die de container met een pincode moet ophalen van het haventerrein en hiervoor diverse handelingen moet verrichten, zoals het huren van een truck, chassis en een extra chauffeur. Ook wordt hierbij gesproken over geld dat nodig is om dit te kunnen bewerkstelligen en dat kennelijk ook is overhandigd. Tevens wordt er gesproken over een beschikbare loods met heftruck en over back-upplannen (plannen b en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.