RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10718792 CV EXPL 23-26302 datum uitspraak: 5 januari 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres01] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats01] , eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam, tegen [gedaagde01] , zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland, gedaagde, die zelf procedeert. Partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd. 1 De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 14 september 2023, met bijlagen; het antwoord; de repliek met een eisvermindering, met bijlagen. [gedaagde01] heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid om op de rolzitting van 6 december 2023 mondeling of schriftelijk te reageren op de nadere stellingen van [eiseres01] in de conclusie van repliek. De kantonrechter heeft vervolgens de uitspraak van het vonnis bepaald op heden. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
- [gedaagde01] heeft een zorgverzekering gehad bij [eiseres01] . In 2020 heeft [eiseres01] een bedrag van € 184,36 aan eigen risico bij [gedaagde01] in rekening gebracht. Omdat betaling uitbleef, heeft [eiseres01] haar vordering ter incasso uit handen gegeven aan haar gemachtigde. [eiseres01] vorderde in eerste instantie bij dagvaarding betaling van het hiervoor genoemde bedrag met bijkomende kosten. 2.
- [gedaagde01] heeft de verschuldigdheid van het eigen risico erkend. Vervolgens heeft zij op 3 oktober 2023 € 184,36 aan [eiseres01] betaald. Zij betwist echter dat zij de bijkomende kosten moet betalen, omdat zij geen brieven van [eiseres01] heeft ontvangen over de betalingsachterstand. [gedaagde01] is dakloos en heeft geen vast adres. 2.
- [eiseres01] heeft bij repliek de ontvangst van € 184,36 bevestigd. Zij heeft bij deze akte haar vordering met dat bedrag verminderd. Volgens [eiseres01] moet [gedaagde01] de overige kosten nog betalen, omdat [eiseres01] wel degelijk diverse aanmaningen aan haar heeft verzonden waaronder naar het door [gedaagde01] zelf opgegeven e-mailadres. [gedaagde01] kan niet aan [eiseres01] tegenwerpen dat zij geen aanmaningen zou hebben ontvangen, omdat [gedaagde01] niet altijd stond ingeschreven in de BRP, aldus [eiseres01] . 2.
- [gedaagde01] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer gereageerd op de nadere stellingen van [eiseres01] in de conclusie van repliek. De conclusie 2.
- [gedaagde01] moet nog € 63,01 met rente aan [eiseres01] betalen. Ook moet zij een proceskostenvergoeding betalen. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot die conclusie gekomen is. [gedaagde01] heeft niet gereageerd op de repliek 2.
- [gedaagde01] is in de gelegenheid gesteld op de rolzitting van 6 december 2023 te reageren op de repliek van [eiseres01] . Zij is echter niet verschenen en heeft evenmin schriftelijk gereageerd of om aanhouding verzocht. Vervolgens is [gedaagde01] door de rechtbank geïnformeerd over het feit dat de kantonrechter vonnis heeft bepaald in de zaak. Ook dat bericht heeft niet geleid tot een nadere reactie van [gedaagde01] . 2.
- Aangezien [gedaagde01] niet heeft gereageerd op de repliek van [eiseres01] , moet de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de in deze akte ingenomen stellingen van [eiseres01] . In deze zaak staat daarom vast dat [gedaagde01] de factuur van [eiseres01] ondanks diverse aanmaningen lange tijd onbetaald heeft gelaten en pas tijdens deze procedure heeft voldaan. 2.
- Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekken betaling ter voldoening van een geldsom eerst in mindering van de kosten, vervolgens van de verschenen rente en tot slot van de hoofdsom. Daarom moet beoordeeld worden of [gedaagde01] bijkomende kosten verschuldigd is naast de hoofdsom. 2.
- Met betrekking tot de incassokosten geldt dat het gevorderde bedrag van € 40,00 toewijsbaar is, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente is eveneens toewijsbaar op de wijze zoals vermeld onder de beslissing, omdat [eiseres01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat onvoldoende heeft betwist. 2.
- Correcte toepassing van artikel 6:44 BW leidt tot de conclusie dat de buitengerechtelijke kosten en de verschuldigde rente tot 14 september 2023 inmiddels zijn voldaan en een bedrag van € 63,01 aan hoofdsom resteert. Proceskosten 2.
- [gedaagde01] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 130,49 aan dagvaardingskosten, € 128,00 aan griffierecht, € 78,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 39,00) en € 19,50 aan nakosten (½ punt × € 39,00). Dit is totaal € 355,
- Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. Uitvoerbaarheid bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt, zoals gevorderde, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). 3 De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 63,01 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres01] tot vandaag worden vastgesteld op € 355,99; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken. 43416