vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Insolventie – meervoudige kamer Verzoek tot verlenging afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 5 Faillissementswet (Fw) en verzoek tot homologatie van een onderhands akkoord ex artikel 383 Fw rekestnummers: C/10/677643 HO RK 24/424 en C/10/677656 HO RK 24/428 uitspraakdatum: 31 mei 2024 Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 lid 5 Fw en op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 Fw in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , aldaar handelend onder de naam [verzoekster] , hierna te noemen: [verzoekster] , advocaten: mrs. J.A. Bloo en R.F.P.J. Coppus. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken: - de startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 2 februari 2024; - de beschikking van 20 februari 2024, waarin een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 Fw is gelast; - het stemverslag met bijlagen ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 18 april 2024; - het verzoekschrift tot homologatie van een onderhands akkoord met bijlagen 1 t/m 15 ex artikel 383 lid 1 Fw van 19 april 2024; - de beschikking dagbepaling behandeling homologatie en aanstelling observator van de rechtbank van 22 april 2024; - de tussenbeschikking voorlopige verlenging afkoelingsperiode van de rechtbank van 23 april 2024; - de zienswijze van de observator, mr. M. Kooiman, van 13 mei 2024 met bijlagen 1 en 2; - de zienswijze van de Belastingdienst van 14 mei 2024 met bijlagen 1 t/m 3; - de door de rechtbank bij de advocaat van [verzoekster] opgevraagde bijlagen 16 t/m 27 bij de brief van [verzoekster] aan de observator van 6 mei 2024; - de e-mail van 15 mei 2024 van de Belastingdienst; - de e-mail van 15 mei 2024 van mr. Bloo met bijlagen 28 t/m 39 en een toelichting; - de e-mail van 16 mei 2024 van mr. Bloo met bijlagen 40 t/m 45 en een toelichting; en - de e-mail van 16 mei 2024 van de observator met een verzoek tot vaststelling van haar salaris. 1.2. De verzoeken zijn op 17 mei 2024 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn verschenen: Aan de zijde van [verzoekster] - [naam] , bestuurder; - mr. J.A. Bloo, advocaat; - mr. R.F.P.J. Coppus, advocaat; Aan de zijde van de Belastingdienst - mr. [naam] ; - mr. [naam] ; - [naam] ; - [naam] ; De beoogd financier van het akkoord: - [naam] B.V. vertegenwoordigd door [naam] ; De observator: - mr. M. Kooiman. 1.3. De rechtbank heeft ter zitting de uitspraak bepaald op 31 mei 2024 of zoveel eerder als mogelijk is. 2De verzoeken Verzoek tot verlenging afkoelingsperiode 2.1. [verzoekster] verzoekt om verlenging van de afkoelingsperiode tot 20 juni 2024. Ter zitting van 17 mei 2024 is door haar bevestigd dat dit verzoek is gedaan ter overbrugging van de periode tussen de afloop van de afkoelingsperiode op 20 april 2024 en het wijzen van de beschikking op het homologatieverzoek en dat zij na uitspraak op het homologatieverzoek geen belang meer heeft bij verlenging van de afkoelingsperiode. Verzoek tot homologatie Aangeboden akkoord 2.2 Bij brief van 28 maart 2024 heeft [verzoekster] een akkoord aangeboden aan haar schuldeisers (die een totale vordering hebben van € 1.199.341,34) en aan haar enig aandeelhouder. Daarbij zijn vijf klassen gehanteerd. Onder het voorgenomen akkoord is aan de Belastingdienst (klasse 1) een uitkeringspercentage van 23% aangeboden, aan de concurrente MKB-crediteuren (klasse 2) een percentage van 20%, en aan de overige concurrenten (klasse 3) 0%, dit met uitzondering van concurrent schuldeiser [naam] B.V. (klasse 4) die het akkoord zal financieren en in ruil voor kwijtschelding van haar uitstaande vordering per fixatiedatum 1000 nieuwe aandelen verkrijgt. Het akkoord voorziet in een totale uitkering van € 133.279,43. 2.3 [verzoekster] is daarbij uitgegaan van de volgende uitgangspunten en aannames: De liquidatiewaarde bedraagt € 26.600,00, te weten het bedrag dat door TWA B.V. als liquidatiewaarde is toegekend aan de bedrijfs- en kantoorinventaris van [verzoekster] ; Een doorstart is niet realiseerbaar; Aandeelhouder [naam] B.V. biedt geen verhaal voor haar rekening-courantschuld aan [verzoekster] ; De maandelijks door [verzoekster] verschuldigde huur bedraagt € 6.983,08 en [verzoekster] heeft twaalf werknemers (9 fte) in loondienst, zodat de boedelvorderingen ter zake de huur respectievelijk het loon op de voet van de artikelen 39 en 40 Fw substantieel zijn; De reorganisatiewaarde dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 130.744,00. 2.4 Gelet op de onder a. tot en met d. genoemde aannames en uitgangspunten zal de verkoopopbrengst die met de verkoop van voornoemde activa gegenereerd zou worden onvoldoende zijn om de algemene faillissementskosten (waaronder het salaris en de verschotten van de curator) en de onder d. genoemde boedelvorderingen te voldoen, zodat er in het geval van een faillissement per saldo niets zal resteren voor de preferente en concurrente schuldeisers, aldus [verzoekster] . 2.5 De stemming over het aangeboden akkoord liep van donderdag 28 maart 2024 tot en met vrijdag 12 april 2024 (12:00 uur). Klassen 1 tot en met 3 hebben niet met het akkoord ingestemd; klassen 4 en 5 wel. Een en ander is weergegeven in onderstaande tabel: Klasse Schuldeiser Totale vordering Aanbod Stem klasse 1 Belastingdienst (preferent) € 507.909,81 23% geen 2 concurrente MKB-schuldeisers € 82.300,88 20% tegen 3 overige concurrente schuldeisers € 414.130,65 0% tegen 4 concurrente schuldeiser [naam] B.V. (financier van [verzoekster] en beoogd akkoordfinancier) € 195.000,00 debt for equity voor 5 enig aandeelhouder [naam] B.V. € 0 verwatering aandelen voor Standpunt [verzoekster] 2.6. verzoekt de rechtbank het akkoord op de voet van artikel 383 lid 1 Fw te homologeren. [verzoekster] heeft daartoe – samengevat en mede in reactie op de zienswijzen van de observator en de Belastingdienst – het volgende aangevoerd. 2.6.1. [verzoekster] heeft een akkoord aangeboden dat voor homologatie in aanmerking komt, omdat tenminste een klasse van schuldeisers met het akkoord heeft ingestemd. 2.6.2. Geen van de schuldeisers uit de door [verzoekster] gehanteerde klassen zal in faillissement naar verwachting geheel of tenminste gedeeltelijk zijn/haar vordering voldaan krijgen, omdat de verkoopopbrengst van de aan [verzoekster] in eigendom toebehorende roerende (bodem)zaken en de eventuele incasso van de rekening-courantvordering op de aandeelhouder van [verzoekster] onvoldoende zal zijn om de algemene faillissementskosten en de overige boedelvorderingen te voldoen. Zowel de preferente als de concurrente schuldeisers en de aandeelhouder zijn ‘out of the money’. 2.6.3. In reactie op de zienswijze van de observator heeft [verzoekster] gesteld dat de door de observator genoemde activa die niet zijn meegenomen bij het bepalen van de liquidatiewaarde (een leasevoertuig, een voorraad drank en levensmiddelen, emballage, vorderingen op debiteuren, overige vorderingen en kasgeld) geen dan wel nauwelijks financiële waarde vertegenwoordigen. Deze activa zijn om die reden terecht niet meegenomen in de berekening van de liquidatiewaarde. Daarnaast vertegenwoordigt het pandrecht van Heineken Nederland B.V. (‘Heineken’) op de bedrijfsinventaris van [verzoekster] geen waarde, omdat de inventariszaken als bodemzaken kwalificeren. De door [verzoekster] aangehouden voorraad ziet op bederfelijke waar dan wel aangebroken flessen drank, zodat ook het pandrecht op de voorraad geen waarde vertegenwoordigt. 2.6.4. In reactie op de zienswijze van de Belastingdienst heeft [verzoekster] gesteld dat zij vanaf de fixatiedatum (21 januari 2024) de lopende verplichtingen is nagekomen. Over de maanden januari t/m maart 2024 is tijdig aangifte Loonheffing en Omzetbelasting gedaan en de verschuldigde bedragen zijn door haar ook tijdig betaald. Enkele van de door de Belastingdienst genoemde aanslagen Loonheffing (aanslagnummers 856068172A013110, 856068171A013120 en 856068172A013500) en Omzetbelasting (met nummers 856068172F013120, 856068172F013121 en 856068172F014020) zijn [verzoekster] niet bekend en zien - gezien de vervaldatum - vermoedelijk op tijdvakken van vóór de fixatiedatum. Het standpunt van de Belastingdienst dat de betalingsverplichting op grond van deze aanslagen ontstaat op 31 januari 2024 (na afloop van het tijdvak waarop zij betrekking hebben) als gevolg waarvan de op grond van deze aanslagen verschuldigd geworden bedragen als lopende verplichtingen dienen te worden gezien, is onjuist. De bedragen zien materieel op een periode van vóór de fixatiedatum, zodat deze vorderingen van de Belastingdienst onder het akkoord dienen te vallen. Daarnaast is volgens [verzoekster] aan de zijde van de Belastingdienst sprake van een dubbeltelling en van niet (juist) verwerkte betalingen. Daardoor dient de door de Belastingdienst genoemde aanvullende vordering lopende verplichtingen, van in totaal € 116.930,00, te worden verminderd met circa € 63.600,00. 2.6.5. De stemgerechtigde schuldeisers en de aandeelhouder zijn juist geïnformeerd, aldus [verzoekster] . 2.6.6. De gehanteerde stemtermijn bedroeg 16 dagen (van 28 maart 2024 t/m 12 april 2024 12:00 uur), zodat volgens [verzoekster] sprake is van een redelijke termijn van tenminste 8 dagen zoals is bedoeld in artikel 381 lid 1 Fw. Zienswijze Belastingdienst 2.7. De Belastingdienst heeft de rechtbank verzocht het homologatieverzoek af te wijzen. Daartoe is - samengevat - het volgende aangevoerd. 2.7.1. De Belastingdienst heeft - gezien de in de stemtermijn vallende feestdagen (Goede Vrijdag en Pasen), de complexiteit van de materie, de benodigde besluitvorming en omdat de Belastingdienst niet voorafgaand door [verzoekster] is geïnformeerd over haar voornemen een akkoord aan te bieden - geen redelijke termijn gehad voor het uitbrengen van haar stem. Om die reden heeft de Belastingdienst na de sluiting van de stemtermijn bij e-mail van 12 april 2024 aan de advocaat van [verzoekster] tegen het door [verzoekster] aangeboden akkoord gestemd. 2.7.2. De Belastingdienst heeft voorafgaand aan de stemming onvoldoende informatie van [verzoekster] ontvangen om de liquidatiewaarde en reorganisatiewaarde te kunnen beoordelen en om te kunnen beoordelen of de Belastingdienst wel of niet ‘in the money’ is. 2.7.3. De vordering van de Belastingdienst per fixatiedatum is voor een onjuist bedrag meegenomen in het door [verzoekster] aangeboden akkoord (voor € 507.909,81 in plaats van voor € 528.817,11), zodat het verzoek tot homologatie op grond van artikel 384 lid 2 sub d Fw dient te worden afgewezen. Bovendien is het (gelet op de hogere vordering van de Belastingdienst) de vraag of er voldoende financiële ruimte is om de aangeboden percentages onder het akkoord te betalen. 2.7.4. [verzoekster] heeft haar (vanaf de fixatiedatum) lopende verplichtingen jegens de Belastingdienst niet voldaan. Het gaat om een totaalbedrag van € 116.930,00 aan aanslagen Loonheffing (aanslagnummers 856068172A013110, 856068171A013120, 856068172A013500 en 856068172A014020) en Omzetbelasting (met nummers 856068172F013110, 856068172F013120, 856068172F013121 en 856068172F014020). Vanwege het niet voldoen van de lopende verplichtingen, verkeert [verzoekster] niet in de WHOA-toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw, aldus de Belastingdienst. Zienswijze observator 2.8. De observator concludeert dat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.