Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummers / rekestnummers: C/10/653226 / FA RK 23-1358 en C/10/657607 / FA RK 23-3487 Beschikking van 31 mei 2024 over de onderhoudsbijdrage en afwikkeling van het huwelijksvermogensregime in de zaak van: [naam man] , de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. V.L.M. Lapidaire te Maarssen, t e g e n [naam vrouw] , de vrouw, wonende te Rotterdam, advocaat mr. J.P. Sanchez Montoto te Amstelveen. 1De verdere procedure 1.1. Het verloop van de verdere procedure blijkt uit: de beschikking van deze rechtbank van 15 december 2023 met de daarin genoemde stukken; de berichten van de man van 29 maart 2024 (met bijlagen) en 9 april 2024; de berichten met bijlagen van de vrouw van 2 april 2024 en 8 april 2024. 1.2. De voortgezette mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 april 2024. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd. 2De verdere vaststaande feiten 2.1. Bij beschikking van 15 december 2023 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en geoordeeld dat op het huwelijksvermogensregime van partijen het recht van New Jersey van toepassing is. De behandeling van de zaak ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, de onderhoudsbijdrage en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime is aangehouden. 2.2. Op 8 april 2024 is voornoemde beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3. De verdere beoordeling 3.1. Voortgezet gebruik woning 3.1.1. De man verzoekt, naar de rechtbank begrijpt op grond van artikel 1:165 eerste lid BW, het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voor de duur van zes maanden. 3.1.2. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard niet langer verweer te voeren tegen het verzoek van de man en haar zelfstandig verzoek met betrekking tot het voortgezet gebruik van de betreffende woning ingetrokken. 3.1.3. Omdat de voormalige echtelijke woning in Nederland is gelegen, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek tot het voortgezet gebruik van deze woning. Dit verzoek wordt volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. 3.1.4. De rechtbank beslist volgens het verzoek van de man, omdat dit verzoek niet langer wordt weersproken en op de wet is gegrond. Wel wordt het deel van het verzoek dat ziet op de inboedel afgewezen wegens gebrek aan belang. De man heeft al recht op het (voortgezet) gebruik van de inboedel uit hoofde van de beslissing over de verdeling daarvan, zoals hierna in r.o. 3.3.11. vermeld. Het (ingetrokken) verzoek van de vrouw wijst de rechtbank af. 3.2. Onderhoudsbijdrage 3.2.1. De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: onderhoudsbijdrage) van € 3.863,- per maand vast te stellen. 3.2.2. De man voert gemotiveerd verweer. 3.2.3. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. 3.2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op de meest verstrekkende stelling van de man ten aanzien van de onderhoudsbijdrage, te weten dat de vrouw samenwoont als waren zij gehuwd. Samenwonen als waren zij gehuwd 3.2.5. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleving met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW is naar vaste rechtspraak vereist dat tussen de samenlevenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 1:160 BW moet beperkt worden uitgelegd, omdat de toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat de ene ex-echtgenoot definitief een aanspraak op levensonderhoud tegenover de andere ex-echtgenoot. Er moet dus aan voormelde vijf cumulatieve voorwaarden voldaan zijn, wil het verzoek van de man toegewezen kunnen worden. 3.2.6. De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw met een ander samenwoont als waren zij gehuwd. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling verklaringen van personen uit zijn omgeving overgelegd waaruit zou volgen dat de vrouw samenwoont. Deze verklaringen zien op een periode vóór de sluiting van het huidige huurcontract op 1 juli 2023 door de vrouw, welk huurcontract enkel door haar is gesloten. Dit maakt dat die verklaringen niet kunnen dienen als onderbouwing voor het verweer van de man dat de vrouw nu samenwoont met een ander als bedoeld in artikel 1:160 BW. Aangezien niet is komen vast te staan dat de vrouw nu met een ander samenwoont, zijnde één van de vijf cumulatieve vereisten, slaagt het beroep van de man op artikel 1:160 BW al om die reden niet. De rechtbank gaat dan ook over naar de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de onderhoudsbijdrage. 3.2.7. De rechtbank zal de onderhoudsbijdrage berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen. Ingangsdatum 3.2.8. Partijen zijn het eens over de ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage, namelijk de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (8 april 2024). Deze datum zal daarom als ingangsdatum gelden. Behoefte van de onderhoudsgerechtigde 3.2.9. Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de vrouw in het jaar 2023 € 3.343,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte afgerond € 3.550,- per maand. Behoeftigheid 3.2.10. Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf voormeld bedrag van € 3.550,- netto per maand te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’. 3.2.11. De man stelt dat de vrouw een verdiencapaciteit van € 38.000,- bruto per jaar heeft. Ook zou de vrouw huurinkomsten hebben. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.2.12. De rechtbank overweegt dat de onderhoudsplicht van de man alleen bestaat voor zover de vrouw niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat de vrouw op dit moment een werkloosheidsuitkering ontvangt, is door de man niet betwist. Dat de vrouw daarnaast nog huurinkomsten zou hebben, heeft de man gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd. 3.2.13. Wel is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij zich aantoonbaar inspant om in haar levensonderhoud te voorzien. Gelet op de korte termijn dat de vrouw een werkloosheidsuitkering ontvangt, tot 1 juli 2024, gaat de rechtbank er ook van uit dat de vrouw zich hiertoe zal inspannen. De rechtbank zal de behoeftigheid van de vrouw dan ook berekenen over twee perioden, te weten de periode met ingang van 8 april 2024 (datum inschrijving echtscheidingsbeschikking) tot 1 juli 2024 en de periode vanaf 1 juli 2024. Periode 8 april 2024 tot 1 juli 2024 3.2.14. Op de behoefte van de vrouw moet haar werkloosheidsuitkering van € 800,- netto per maand, welk bedrag door de man niet is betwist, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 2.750,- netto per maand resteert. 3.2.15. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 1 gehechte berekening) de behoefte van de vrouw tot 1 juli 2024 vast op € 2.750,- netto per maand, ofwel € 4.568,- bruto per maand. Periode vanaf 1 juli 2024 3.2.16. De rechtbank ziet zich voor de periode vanaf 1 juli 2024 gesteld voor de vraag welke verdiencapaciteit de vrouw heeft, oftewel haar vermogen om inkomsten te verwerven. Voor de bepaling van de verdiencapaciteit van de vrouw zijn alle omstandigheden van belang. Onbetwist is dat de vrouw in het verleden heeft gewerkt, waarbij zij werkweken maakte van 25 tot 30 uur. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij nu geen zicht (meer) heeft op werk. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, had het op de weg van de vrouw gelegen meer duidelijkheid te verschaffen over haar mogelijkheden om inkomen te verwerven. De vrouw heeft dit nagelaten. Zij heeft slechts aangegeven dat het moeilijk is om werk te vinden, omdat ze geen auto tot haar beschikking heeft. Van de vrouw wordt in ieder geval verwacht dat zij inzicht geeft in de concrete stappen en/of pogingen die ze onderneemt om weer aan het werk te komen. Dat is niet gebeurd. Om die reden zal de rechtbank de man volgen in zijn stelling dat bij de verdiencapaciteit van de vrouw moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van € 38.000,- bruto. 3.2.17. Rekening houdend met voornoemd inkomen stelt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 2 gehechte berekening) de aanvullende behoefte van de vrouw vanaf 1 juli 2024 vast op € 1.743,- bruto per maand. Draagkrachtberekening 3.2.18. De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen. 3.2.19. Tussen partijen staat vast dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een inkomen van € 7.187,50 bruto per maand, nog te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking als bijlage 3 gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2024 op € 4.881,- per maand. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting, - de arbeidskorting. 3.2.20. De draagkracht van de man wordt, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.288,- per maand. 3.2.21. Uit het voorgaande volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal € 2.734,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 2.147,- per maand resteert, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partnerbijdrage, zijnde een bedrag van € 1.288,- per maand. 3.2.22. Er resteert een bedrag van € 1.288,- netto per maand, ofwel € 2.043,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking als bijlage 3 gehechte berekening. Conclusie periode 8 april 2024 tot 1 juli 2024 3.2.23. Voor de periode 8 april 2024 tot 1 juli 2024 is een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van € 2.043,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De onderhoudsbijdrage wordt daarbij begrensd door de draagkracht van de man. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen. Conclusie periode vanaf 1 juli 2024 3.2.24. Voor de periode vanaf 1 juli 2024 wordt de onderhoudsverplichting van de man beperkt tot de behoefte van de vrouw. Dit betekent dat een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van € 1.743,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. 3.2.25. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing. 3.3. Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime 3.3.1. De man verzoekt, na wijziging: voor recht te verklaren dat de waarde van de woning gelegen aan de [adres] te Rotterdam niet voor verdeling of verrekening vatbaar is; de vrouw te veroordelen tot vergoeding van de door haar aangerichte schade aan de man wegens aangegane schulden; de goederen die volgens het recht van New Jersey voor verdeling in aanmerking komen, te verdelen dan wel de wijze van verdeling vast te stellen op basis van het nog aan te vullen overzicht in – naar de rechtbank begrijpt – onderdeel 15 van zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek en de vrouw te veroordelen tot betaling van € 46.832,- aan de man te voldoen binnen vier weken na de ten deze af te geven beschikking. 3.3.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek: - te bepalen dat alle bezittingen/vermogen binnen de beperkte gemeenschap vallen, zodat deze bij helfte moet worden verdeeld, zoals geconcretiseerd in de punten 14 en 15 van haar verweerschrift, waarbij de vrouw moet worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank ter zake van de hypothecaire geldlening die partijen zijn aangegaan voor de verbouwing. 3.3.3. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling het meer of anders verzochte ingetrokken. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen. 3.3.4. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het recht van de staat New Jersey. Zoals blijkt uit het door de man in het geding gebrachte advies van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: IJI) speelt in New Jersey het gewoonterecht een grote rol. Uit het IJI-rapport volgt kort weergeven het volgende. Voor zover het wettelijk huwelijksvermogensstelsel in New Jersey is vastgelegd, geldt de scheiding van goederen. Het staat echtgenoten dus vrij om te beschikken over zijn of haar vermogen. Ook zijn de echtgenoten aansprakelijk voor zijn of haar eigen schulden. Het is echter wel mogelijk voor echtgenoten om goederen in mede-eigendom te hebben wanneer zij dit tijdens het huwelijk verwerven. Het staat de echtgenoten vrij om afspraken te maken over de eigendom van goederen die tijdens het huwelijk worden verworven. Ook is het mogelijk dat het privévermogen van echtgenoten tijdens het huwelijk zijn karakter als zodanig verlies. Hiervan is sprake als vermenging van het privévermogen met het huwelijksvermogen plaatsvindt of wanneer de echtgenoot het privévermogen (mede) ten goede heeft laten komen aan het vermogen van de andere echtgenoot met de intentie dat beide echtgenoten daarvan kunnen profiteren (‘marital property’). In het geval van echtscheiding worden de goederen die de echtgenoten tijdens het huwelijk hebben verworven of gezamenlijk hebben gebruikt naar redelijkheid en billijkheid verdeeld (‘equitable distribution’). Als er tussen de echtgenoten discussie bestaat over welke goederen voor verdeling in aanmerking komen en hoe die verdeling eruit moet zien is het aan de rechter om die beoordeling te maken. De rechter oordeelt ook of een goed een ‘marital asset’ is die voor de ‘equitable distribution’ vatbaar is. 3.3.5. De rechtbank gaat eerst over tot vaststelling van de goederen die kunnen worden aangemerkt als ‘marital assets’ en de verdeling van deze goederen en tot slot gaat de rechtbank in op het door de vrouw verzochte vergoedingsrecht. 3.3.6. Partijen zijn het eens dat als peildatum voor de vraag welke goederen kunnen worden aangemerkt als ‘marital assets’ zal gelden de datum van het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 21 februari 2023. 3.3.7. De ‘marital assets’ betreffen, volgens partijen of één van hen, de volgende vermogensbestanddelen: I. de keuken van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te Rotterdam (hierna ook: de woning); II. de inboedel; III. percelen grond te Ecuador; IV. onderneming man; V. saldi bankrekeningen. I. Verklaring voor recht en de (keuken van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.