RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/2458 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2024 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaatsnaam 1], eiseres mede-eisers: [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6] en [eiser 7], allen tezamen aangeduid met ‘eisers’, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: [naam 1]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] uit [plaatsnaam 2] (vergunninghouder) (gemachtigde: mr. D. Artz). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een bestaand kantoorpand naar appartementen. 1.1. Met het besluit van 27 augustus 2021 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het bestaande kantoorpand naar 11 appartementen en 1 kantoor en het realiseren van dakterrassen op het platte dak ten behoeve van 6 appartementen aan [adres] (het perceel). Met het bestreden besluit van 12 april 2022 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven. 1.2. Eisers hebben bij brief van 10 november 2023 desgevraagd nog nadere informatie aangeleverd over de bezwaarprocedure. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [eiseres], [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 7]. Namens het college hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 3]. Voorts is de vergunninghouder [naam 2] met zijn gemachtigde verschenen. Beoordeling door de rechtbank 2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 12 februari 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. 3. De rechtbank beoordeelt het in stand laten van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3.1. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Ontvankelijkheid 4. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld dient eerst te worden beoordeeld of eisers ontvankelijk zijn in hun beroep. [eiser 2], [eiser 4] en [eiser 5] 4.1. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat er geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 naar voren is gebracht, geen bezwaar is gemaakt of geen administratief beroep is ingesteld. 4.2. De rechtbank heeft eisers bij brief van 17 oktober 2023 om nadere informatie gevraagd met betrekking tot de deelname aan de bezwaarprocedure. In reactie daarop hebben eisers bij brief van 10 november 2023 meegedeeld dat [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 2] geen bezwaar hebben gemaakt met als reden dat dit in de hectiek van het schrijven van het bezwaar is misgegaan. 4.3. Eisers betogen dat zij desalniettemin als belanghebbenden dienen te worden aangemerkt en zij beroepen zich in dit kader op artikel 6 van het verdrag van Aarhus en menen dat gelet hierop artikel 6:13 van de Awb niet aan hen kan worden tegengeworpen. Eisers stellen in dit kader dat de omgevingsvergunning ernstige milieugevolgen heeft voor wat betreft aantasting van het rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject en toename voor wat betreft geluidsoverlast -en daarmee de aantasting en belang van de woon- en leefomgeving van de drie mede-eisers die zich daarom hebben aangesloten bij het beroepschrift.Is het Verdrag van Aarhus van toepassing? 4.4. De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit niet onder de werkingssfeer van het Verdrag van Aarhus valt, omdat het hierbij niet gaat om besluiten over het al dan niet toestaan van voorgestelde activiteiten zoals vermeld in bijlage I van dit Verdrag (dat voornamelijk ziet op besluiten over activiteiten in de sfeer van ruimtelijke plannen en vergunningen waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden opgemaakt dan wel waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden verricht) en op besluiten over niet in deze bijlage vermelde voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk effect op het milieu hebben. Eisers hebben ook niet aangegeven welke in de bijlage genoemde activiteiten in deze zaak van toepassing zou zijn. 4.5. Uit het voorgaande volgt dat het Verdrag van Aarhus geen aanleiding geeft om betreffende eisers op deze basis ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat de ontvankelijkheid moet worden beoordeeld op grond van het nationale recht. Gelet op artikel 6:13 van de Awb wordt geoordeeld dat [eiser 2], [eiser 4] en [eiser 5] niet-ontvankelijk zijn in hun beroep nu zij geen bezwaar hebben ingesteld en er, gelet op de reden die zij daarvoor hebben meegedeeld, geen sprake is van een situatie die hen redelijkerwijs niet kan worden verweten. [eiser 1] en [eiser 6] 5. De rechtbank stelt vast dat [eiser 1] in bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, omdat hij op meer dan 100 meter afstand woont van de bouwlocatie en geen of slechts zeer beperkt zicht heeft op de bouwlocatie. [eiser 6] is niet-ontvankelijk verklaard in bezwaar, omdat zij in bezwaar alleen heeft aangevoerd dat zij regelmatig langs het pand loopt. 5.1. De rechtbank stelt verder vast dat in de gronden van beroep niet is opgekomen tegen de niet-ontvankelijk verklaring ten opzichte van [eiser 1] en [eiser 6] in bezwaar. Gelet op de onderliggende situatie wordt geoordeeld dat [eiser 1] en [eiser 6] in bezwaar terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard zodat hun beroep ongegrond is. 5.2. Het bovenstaande betekent dat de rechtbank inhoudelijk alleen ingaat op de gronden van [eiseres], [eiser 3] en [eiser 7]. Inhoudelijke beoordeling 6. De rechtbank gaat uit van de navolgende vaststaande feiten. 6.1. Voor zover van belang is het bestemmingsplan “Provenierswijk-Bentincklaan” van toepassing. Het perceel is gelegen in het rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject. Het perceel heeft onder meer de bestemming “Gemengd – 4” (artikel 9 van de planregels) en de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie 1” (artikel 30 van de planregels). Er geldt een maximum bouwhoogte van 13 meter. Het college heeft voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen. 6.2. Eisers wonen in de buurt van het bouwplan. Toetsingskader 7. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geweigerd indien deze, samengevat, in strijd is met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Als de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan wordt op grond van het tweede lid de aanvraag ook aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Legitimiteit bestemmingsplan in relatie tot het aanwijzingsbesluit tot rijksbeschermd stadsgezicht 8. Eisers stellen primair, kort gezegd, dat de bescherming van de cultuurhistorische waarden van het rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject onvoldoende is geborgd in het bestemmingsplan en dat met de verleende vergunning het stadsgezicht ernstig wordt aangetast. Het pand dat wordt verbouwd, ook wel aangeduid als ‘De Dassenfabriek’, heeft niet de bescherming die volgens eisers eraan toe zou moeten komen. De Dassenfabriek is een beeldbepalend pand waarvan de gevel en het platte dak beschermd dienen te worden. Er is in het bestemmingsplan echter niets geregeld over het behouden van de gevels van beeldbepalende panden met platte daken en er zijn geen beperkingen opgenomen met betrekking tot dakterrassen die in het rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject vallen. Gelet daarop vinden eisers dat artikel 38.6 van de planregels, dat gaat over dakterrassen, in dit geval niet van toepassing is. Eisers verzoeken de rechtbank om het bestemmingsplan exceptief te toetsen aan het aanwijzingsbesluit tot rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject (het aanwijzingsbesluit), dan wel te oordelen dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) het bestemmingsplan opnieuw toetst aan de toelichting bij het aanwijzingsbesluit. 8.1. De rechtbank begrijpt eisers standpunt zo dat het bij het beroep om het bestemmingsplan exceptief te toetsen aan het aanwijzingsbesluit, gaat om het onverbindend verklaren of het buiten toepassing verklaren van artikel 38.6 van de planregels. Daarover overweegt de rechtbank het volgende. 8.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) (zie onder meer de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4266) volgt dat de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning, de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover strekt dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In een procedure als deze waarin wordt aangevoerd dat een bepaalde bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, als de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Voor evidentie is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. 8.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel is gelegen in een rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject. Dit gebied is gelet op de destijds geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988 met het aanwijzingsbesluit van 5 november 2014 aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht (Staatscourant 2014, 31694). In het bestemmingsplan is in artikel 30.1 van de planregels bepaald dat de voor “Waarde – Cultuurhistorie 1” aangewezen gronden mede bestemd zijn voor de bescherming van onder meer het rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject. In het aanwijzingsbesluit hebben de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu van destijds onder meer besloten dat het ontwerp bestemmingsplan Provenierswijk-Bentincklaan, dat ter inzage heeft gelegen van 4 juli 2014 tot 14 augustus 2014, voldoet aan het beschermingsvereiste zoals dat is verwoord in het aanwijzingsbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop artikel 38.6 van de planregels, geen regel die evident strijdig is met het aanwijzingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet. Is het bouwen en gebruik van het dakterras in strijd met de bestemming “Gemengd – 4” en de algemene bouwregels? 9. Eisers stellen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voeren eisers aan dat een dakterras niet is toegestaan binnen de bestemming. Ook wordt volgens eisers de totale hoogte van het gebouw door de hekwerken van de dakterrassen hoger dan de toegestane bouwhoogte van 13 meter zoals bedoeld in artikel 38.2 van de planregels. Verder voeren eisers aan dat door de bouw van de dakterrassen het dak niet wordt afgedekt met een kap of plat (zie artikel 38.4 van de planregels). Eisers verwijzen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. 9.1. De rechtbank stelt vast dat het college is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie voor zover dat ziet op het standpunt van eisers dat het plan in strijd is met de artikelen 38.2 en 38.4 van de planregels. Met de hekwerken wordt volgens de bezwaarschriftencommissie de maximum bouwhoogte van 13 meter overschreden. Tevens wordt met de dakterrassen het gebouw niet afgedekt met een kap of plat, aldus de bezwaarschriftencommissie. Daarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1470, waar in overweging 6.3 staat dat een dakterras niet onder een kap of plat valt. Voorts volgt uit artikel 38.6 van de planregels volgens de bezwaarschriftencommissie niet dat het plaatsen van een dakterras is toegestaan. Deze bepaling bevat alleen criteria waaraan voorzieningen ten behoeve van een dakterras moeten voldoen. 9.2. Het college wijkt in het bestreden besluit af van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het college stelt zich op het standpunt dat een dakterras mogelijk is binnen de bestemming “Gemengd – 4”, waarin onder meer wonen mogelijk is. De bouwregels zijn vervolgens te vinden in artikel 38.6 van de planregels. Het van toepassing zijnde bestemmingsplan bevat geen specifieke bepaling waarin dakterrassen verboden zijn, zodat het gebruik van het dakterras past binnen de bestemming. In verweer stelt het college dat omdat voor het bouwen van de dakterrassen op grond van artikel 38.6 van de planregels een specifieke maatvoering geldt, een dakterras niet meegeteld dient te worden voor de vaststelling van de maximale bouwhoogte van 13 meter. Tot slot stelt het college in verweer dat er ook geen strijdigheid is met artikel 38.4 van de planregels, omdat in artikel 38.6 van de planregels specifieke regels zijn opgenomen over dakterrassen. 9.3. Op grond van artikel 9.1 van de planregels zijn de voor de “Gemengd – 4” aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen. Op grond van artikel 1.27 van de planregels wordt een dakterras omschreven als een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 38.2 van de planregels geldt een maximum bouwhoogte van 13 meter. Op grond van artikel 38.4 mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt indien de verbeelding geen duidelijkheid verschaft over de afdekking van gebouwen. Op grond van artikel 38.6 van de planregels is ten behoeve van het realiseren van een dakterras voor de daktoegang op het dak een gebouwde voorziening toegestaan, met een maximum oppervlak van 6 m² en een maximum hoogte van 2,50 meter. De minimum afstand tussen deze voorziening en de dakrand bedraagt 2,50 meter. De minimum afstand tussen het hekwerk en de dakrand bedraagt 1,5 meter, waarbij de maximum hoogte van het hekwerk 1,20 meter bedraagt. Op grond van artikel 2.4 van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gemeten, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 9.4. De rechtbank oordeelt dat de dakterrassen, zoals het college heeft aangevoerd, binnen de bestemming “Gemengd – 4” passen. Binnen deze bestemming is onder meer wonen toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan ten behoeve van een woning dan ook in beginsel een dakterras worden gerealiseerd. Het is niet noodzakelijk dat in de bestemming “Gemengd – 4” een dakterras expliciet is toegestaan. Voor wat betreft de vraag of de dakterrassen in strijd met de bouwregels worden gebouwd dient te worden getoetst aan de algemene bouwregels in artikel 38 van de planregels. Er zijn geen specifieke regels opgenomen in de bestemming “Gemengd – 4”. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat met het bouwen van de dakterrassen het dak niet wordt afgedekt met een plat of kap, zodat er in strijd met artikel 38.4 van de planregels wordt gebouwd. Met het bouwen van de dakterrassen blijft het dak (gedeeltelijk) een plat. Er wordt op een plat dak een dakterras gerealiseerd. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:1470, gaat het om een ander bestemmingsplan, namelijk het bestemmingsplan Scheepvaartkwartier. In dat bestemmingsplan zijn, anders dan in het in geding zijnde bestemmingsplan, in het geheel geen aparte regels opgenomen over dakterrassen, zodat het om een andere, niet te vergelijken, situatie gaat. 9.5. Wat betreft de vraag of met het bouwen van de dakterrassen de bouwhoogte wordt overschreden, is tussen partijen niet in geschil dat als de bij de dakterrassen behorende hekwerken worden meegeteld de maximale bouwhoogte van 13 meter feitelijk wordt overschreden. In geschil is of de dakterrassen met hekwerk moeten worden meegeteld voor de vaststelling van de maximum bouwhoogte van 13 meter. De rechtbank is van oordeel dat de hekwerken dienen te worden meegeteld voor de maximale bouwhoogte. Dat betekent dat met het bouwen van de dakterrassen in strijd met het bestemmingsplan de bouwhoogte wordt overschreden. Hoewel in artikel 38.6 van de planregels specifieke maatvoeringen voor een dakterras gelden, volgt uit dat artikel niet dat een dakterras niet meegenomen dient te worden bij de vaststelling van de bouwhoogte. Dat artikel 38.6 volgt na artikel 38.2 van de planregels maakt dit niet anders. Gelet op artikel 2.4 van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gemeten, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. De rechtbank is van oordeel dat een dakterras met bijhorend hekwerk niet naar zijn aard gelijk te stellen is aan een ondergeschikt bouwonderdeel, zoals schoorstenen en antennes en dergelijke waarbij gebruikelijk gedacht wordt aan bouwwerken die samenhangen met installaties binnen een gebouw dan wel die functioneel ten dienste staan van een gebouw. Daarvan is bij een dakterras geen sprake. Een dakterras met bijbehorend hekwerk is een op zichzelf staand vergunningplichtig bouwwerk. 9.6. Het voorgaande brengt met zich mee dat er sprake is van een situatie die strijdig is aan artikel 38.2 van de planregels waarvoor het college geen omgevingsvergunning heeft verleend. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo had het college de aanvraag mede dienen aan te merken als een aanvraag om een vergunning voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het beroep slaagt dan ook zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het is na vernietiging van het bestreden besluit aan het college om te besluiten of het op grond van artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning gaat verlenen voor het bouwen van de dakterrassen in strijd met het bestemmingsplan. Gelet op de mogelijkheid van herstel ziet de rechtbank aanleiding om in te gaan op de beroepsgronden die zien op de welstandsaspecten, zodat hierover duidelijkheid bestaat. Heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand? 10. Eisers stellen dat de dakterrassen in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij ten eerste aan dat het bouwplan openbaar had moeten worden behandeld door de voltallige welstandscommissie en niet slechts in mandaat. Dit betekent dat het college niet had kunnen afgaan op het advies, omdat niet de voltallige welstandscommissie het bouwplan heeft kunnen beoordelen. Verder voeren zij aan dat in de Welstandsnota Rotterdam het rijksbeschermd stadsgezicht Waterproject in het geheel ontbreekt, waardoor voor het gebied de aanvullende criteria voor bijzondere gebieden niet van toepassing zijn. Er is ten onrechte getoetst aan de sneltoetscriteria. De sneltoetscriteria garanderen niet dat de dakterrassen niet zichtbaar zijn. Er is namelijk sprake van een brede singel met lange zichtlijnen en flauwe gradenhoeken. Hierdoor zijn dakterrassen goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte. 10.1. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. De toets van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo is beperkt tot een toets aan de gemeentelijke welstandsnota die door de gemeenteraad volgens artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet is vastgesteld. In de gemeente Rotterdam wordt er getoetst aan de Welstandsnota Rotterdam (artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet). Bevoegdheid 10.2. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) vraagt het college met betrekking tot de activiteit bouwen, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand, advies aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester. Op grond van artikel 9.7, eerste lid, van de Bouwverordening Rotterdam 2010 kan de welstandscommissie de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden, de secretaris, en/of de plaatsvervangende secretarissen. Op grond van het derde lid berust de advisering over de welstandsaspecten van een bouwplan bij een of meerdere door burgemeester en wethouders aan te wijzen ambtena(a)r(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.