vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/678306 / KG ZA 24-389 Vonnis in kort geding van 11 juni 2024 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2], beiden wonende te Schipluiden, eisers, advocaten mrs. R.A.W.J. van Eijck en K.S.A. Wolthuis te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te Schipluiden, gedaagde, advocaat mr. E.M. Richel te Schiedam. Partijen worden hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding 15 mei 2024, met producties 1-7; de aanvullende producties van [eiser 1] c.s.; de producties 1-6 van [gedaagde] ; de pleitnota van mr. Wolthuis; de zittingsaantekeningen van mr. Richel. 1.2. Op 28 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. 2De feiten 2.1. [gedaagde] is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] te Schipluiden. [eiser 1] c.s. zijn eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres 2] te Schipluiden. 2.2. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of op 25 april 2022 een koopovereenkomst tot stand gekomen die inhoudt dat [eiser 1] c.s. een deel van het perceel van [gedaagde] (hierna: het perceel) hebben gekocht. 2.3. Op 31 mei 2023 heeft de rechtbank Den Haag [eiser 1] c.s. verlof verleend om conservatoir beslag tot levering te leggen op het perceel van [gedaagde] . Op 2 juni 2023 hebben [eiser 1] c.s. het beslag op het perceel gelegd. 2.4. Op 2 juni 2023 schrijft de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) aan de makelaar van [gedaagde] het volgende: “Ik vind de vraagprijs van €1.600.000 wel fors. Ik vind het wel een unieke locatie. Als de gemeente zou meewerken aan verruiming van de bestaande mogelijkheden, dan valt de vraagprijs te overwegen, maar met de huidige bestemming kom ik voor mezelf niet verder dan € 1.475.000. Zoals aangegeven heb het perceel even na laten trekken en er blijkt beslag op te liggen. Ik heb van jou begrepen dat de eigenaar met zijn buurman in een juridische procedure verwikkeld is en dat het dus nog geen uitgemaakte zaak is dat hij überhaupt kan verkopen. Ik wacht de uitkomst af, maar ben beslist zeer geïnteresseerd in aankoop als jouw klant definitief vrij is.” 2.5. Partijen hebben over het geschil een bodemprocedure gevoerd bij de rechtbank Den Haag (zaak-/rolnummer C/09/649936 / HA ZA 23-574). Bij dagvaarding van 15 juni 2023 hebben [eiser 1] c.s., kort gezegd, een verklaring voor recht gevorderd dat er op 25 april 2022 een koopovereenkomst tot stand is gekomen met veroordeling van [gedaagde] veroordeeld tot levering van het perceel. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Daarnaast vorderde [gedaagde] in reconventie veroordeling van [eiser 1] c.s. tot betaling van schadevergoeding als gevolg van onrechtmatig beslag, (subsidiair) de wettelijke rente over € 1.475.000,- met ingang van 2 juni 2023 tot aan datum doorhaling van het beslag. 2.6. In het vonnis van 13 maart 2024 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser 1] c.s. afgewezen. De in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat géén koopovereenkomst tot stand is gekomen, is toegewezen. [eiser 1] c.s. zijn in reconventie ook veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 72.731,52, te vermeerderen met wettelijke rente. In het vonnis is hierover in rechtsoverweging 4.33 en 4.34 het volgende overwogen: “4.33. [gedaagde] heeft aan zijn subsidiaire vordering tot schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hij het perceel had kunnen verkopen, maar dat dit door het conservatoire beslag van 2 juni 2023 werd verhinderd. Ter onderbouwing hiervan legt [gedaagde] een schriftelijke verklaring van de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) van 2 juni 2023 over. [persoon A] verklaart dat hij bereid is om € 1.475.000,-- voor het perceel te betalen, maar dat het beslag een koop in de weg staat. [gedaagde] vordert daarom de wettelijke rente over € 1.475.000,-- vanaf 3 juni 2023 tot aan de datum van doorhaling van het beslag. 4.34. [eiser 1] heeft de verklaring van [persoon A] in twijfel getrokken. Volgens [eiser 1] is het niet mogelijk dat [persoon A] op 2 juni 2023 ervan op de hoogte was dat er beslag was gelegd. Uit het door [eiser 1] overgelegde uittreksel uit het Kadaster blijkt echter dat het beslag op 2 juni 2023 om 11:23 uur is ingeschreven in het Kadaster, zodat het vanaf dat moment voor derden kenbaar was dat er conservatoir beslag lag op het perceel. Nu [eiser 1] niet heeft betwist dat [persoon A] een serieuze gegadigde was die het perceel wilde kopen, kan worden vastgesteld dat [gedaagde] is gehinderd door het conservatoire beslag dat later ongegrond is gebleken. [eiser 1] moet dan ook de schade vergoeden die [gedaagde] hierdoor lijdt. [eiser 1] heeft niet betwist dat voor de berekening van de schade aansluiting gezocht kan worden bij de wettelijke rente, zodat de rechtbank deze zal toewijzen.” 2.7. Het beslag is op 15 maart 2024 opgeheven. 3Het geschil 3.1. [eiser 1] c.s. vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan; [gedaagde] te verbieden het vonnis ten uitvoer te leggen totdat het in kracht van gewijsde is gegaan, zulks op verbeurte van een dwangsom; Subsidiair 3. [gedaagde] te bevelen zekerheid te stellen voor de terugbetaling van EUR 72.731 ,52 als voorwaarde voor de tenuitvoerlegging van het vonnis totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Primair en subsidiair 4. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten van deze procedure. 4De beoordeling Het executiegeschil in het algemeen 4.1. In een executiegeschil geldt als uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.