vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/652779 / HA ZA 23-151 Vonnis van 26 juni 2024 in de zaak van
(2)Dutch Civil Code. This declaration is governed by the laws of the Netherlands. The Rotterdam Court has exclusive jurisdiction in any dispute regarding this statement and any of the rights and obligations arising out of or in connection with the same.” 4.5. Gruber heeft deze stukken, de CMR-vrachtbrief en de expediteursverklaring, onvoldoende gemotiveerd betwist en dus is vast komen te staan dat niet Matrans maar Hydro de afzender was en dat Matrans de expediteur. 4.6. Met bovengenoemde expediteursverklaring van Matrans kan Hydro in rechte optreden tegen Gruber alsof zij zélf de vervoerovereenkomst met Gruber zou hebben gesloten (art. 8:63 lid 2 BW). 4.7. Als gesteld door Hydro c.s. en niet (gemotiveerd) betwist door Gruber is vast komen te staan dat Hydro vervolgens aan Matrans heeft aangegeven dat zij haar afzendersrechten wenste uit te oefenen en dat Hydro daardoor de bijbehorende rechten en bevoegdheden jegens Gruber heeft verkregen. 4.8. Niet Matrans maar Hydro heeft in deze zaak dus te gelden als de contractuele wederpartij van Gruber. Voor de vorderingsgerechtigdheid van Hydro is dus niet van belang of Matrans aan Hydro (ook nog) last of volmacht heeft gegeven om tegen Gruber een procedure te beginnen. 4.9. In deze procedure worden Hydro en haar (in house) verzekeraar IF vertegenwoordigd worden door één en dezelfde advocaat. De rechtbank beschouwt Hydro als volledig vorderingsgerechtigd en laat dan ook om praktische redenen een onderzoek achterwege om uit te zoeken of IF heeft uitgekeerd aan Hydro en, zo ja, of IF geheel of gedeeltelijk gesubrogeerd is in de rechten van Hydro. vervoerdersaansprakelijkheid Gruber 4.10. Het staat vast dat de zending niet in dezelfde goede en complete staat is afgeleverd als waarin zij door (degene die zich voordeed als medewerker van) Transped, de ondervervoerder van Gruber, op woensdag 15 december 2021 ten vervoer in ontvangst is genomen. Gruber is dan ook in beginsel aansprakelijk jegens Hydro voor het tijdens het vervoer opgetreden verlies van de zending (art. 17 lid 1 CMR jo. art. 3 CMR). 4.11. Gruber beroept zich echter op schuld, althans medeschuld, van Matrans, waardoor Gruber niet, althans slechts gedeeltelijk, aansprakelijk is voor de ontstane schade (art. 17 lid 2 en/of lid 5 CMR). In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. 4.12. Als gesteld door Gruber en niet (gemotiveerd) betwist door Hydro c.s. is vast komen te staan
- i)dat op maandag 13 december 2021 bij Matrans een andere zending dan de onderhavige was geladen in dezelfde vrachtwagencombinatie, namelijk de vrachtwagencombinatie met het kentekennummer [kenteken 1], én
- ii)dat die andere zending, die op dinsdag 14 december 2021 had moeten worden afgeleverd op een plaats van bestemming in Tsjechië, daar niet is afgeleverd. 4.13. Niet in geschil is dat Matrans ten tijde van de inlading bij haar van de (onderhavige) zending op 15 december 2021 wist dat de vrachtwagencombinatie waarin de zending toen werd geladen dezelfde vrachtwagencombinatie was, namelijk met het kentekennummer [kenteken 1], als waarin genoemde eerdere zending bij haar was geladen op 13 december 2021. Overigens staat vast dat de chauffeur van de vrachtwagencombinatie op 15 december 2024 een andere naam had dan de chauffeur van die vrachtwagencombinatie op 13 december 2024. 4.14. Volgens Gruber heeft Hydro schuld, althans medeschuld, aan de diefstal van de zending, omdat Matrans voorafgaande aan de inlading van de zending op 15 december 2021 wist of kon weten dat de andere eerdere zending niet op de plaats van bestemming was gearriveerd maar het toch liet gebeuren dat de zending op 15 december 2021 werd ingeladen in dezelfde vrachtwagencombinatie. Hydro c.s. betwisten dat en stellen voorts dat dit verweer sowieso faalt op grond van artikel 29 CMR. 4.15. Gesteld noch gebleken is dat Matrans ten tijde van de inlading van de zending op 15 december 2021 wist dat de andere eerdere zending (nog) niet op de plaats van bestemming was gearriveerd. Waarom Matrans dat wél had moeten weten is door Gruber niet onderbouwd. Op de zitting heeft Gruber aangevoerd dat de identiteit van de chauffeur van de vrachtwagencombinatie op 15 december 2021 beter had moeten worden ‘gecheckt’. Waarom in dit geval een betere controle van de identiteit van die chauffeur de verdwijning van de zending had kunnen voorkomen heeft Gruber echter niet duidelijk gemaakt, nog daargelaten dat, als gezegd, de chauffeur van de vrachtwagencombinatie op 15 december 2024 een andere naam had dan de chauffeur van de vrachtwagencombinatie die op 13 december 2024 was beladen. 4.16. Reeds om deze redenen kan van schuld of medeschuld van Matrans (lees: Hydro) aan de diefstal van de zending geen sprake zijn. Gruber onbeperkt aansprakelijk 4.17. Niet in geschil is dat de door Gruber ingeschakelde ondervervoerder (die zich voordeed als) Transped de zending heeft ontvreemd en dat Gruber daarom op grond van artikel 29 in verbinding met artikel 3 CMR onbeperkt aansprakelijk is voor de door Hydro c.s. als gevolg van deze diefstal geleden schade. schadeomvang, inclusief CMR-rente en vertaalkosten dagvaarding 4.18. Hydro c.s. hebben ter onderbouwing van de (afzend)waarde van de zending ad € 59.796,96 als productie 5 bij dagvaarding een ‘customs invoice’ van Hydro d.d. 15 december 2021 in het geding gebracht, waarop deze waarde vermeld staat. Met haar algemene argument dat zij de omvang van de schade betwist heeft Gruber de waarde van de zending dan ook onvoldoende gemotiveerd. Als voldoende gesteld en onvoldoende gemotiveerd betwist is dan ook vast komen te staan dat de waarde van de zending in de zin van artikel 23 CMR € 59.796,96 bedraagt. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. 4.19. Op grond van artikel 27 lid 1 CMR is over de schadevergoeding rente van 5% verschuldigd rente vanaf de dag waarop de schadevergoedingsvordering schriftelijk bij de vervoerder is ingediend of, indien dit niet is gebeurd, vanaf de dag waarop de schadevergoedingsvordering in rechte aanhangig is gemaakt – de zgn. ‘CMR-rente’. Hydro c.s. vorderen CMR-rente vanaf 17 december 2021. Gruber betwist dat de CMR-rente al vanaf 17 december 2021 verschuldigd zou zijn. Gruber betwist namelijk dat de er een schadevergoedingsvordering bij haar schriftelijk is ingediend, althans dat deze al op 17 december 2021 is ingediend. Het had op de weg van Hydro c.s. gelegen om met stukken te onderbouwen dat Hydro voorafgaande aan deze zaak haar schadevergoedingsvordering schriftelijk bij Gruber had ingediend. Dat hebben Hydro c.s. echter niet gedaan. Gruber is dus pas CMR-rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de schadevergoedingsvordering in rechte aanhangig is gemaakt, derhalve vanaf 16 december 2022. 4.20. Hydro c.s. vorderen ook nog een bedrag van € 575,-- aan vertaalkosten van de dagvaarding naar het Pools. Zij hebben die kosten onderbouwd met een factuur van een juridisch vertaalbureau van 14 december 2022 aan het kantoor van de advocaat van Hydro c.s., die zij als productie 12 in het geding hebben gebracht. Uit deze factuur blijkt dat bovengenoemd bedrag van € 575,-- het in rekening gebrachte bedrag exclusief BTW is. Nadat Hydro c.s. deze factuur in het geding hadden gebracht, heeft Gruber tegen deze vordering geen verweer meer gevoerd. Deze vertaalkosten van € 575,-- zijn dan ook toewijsbaar. Zie artikel 9 lid 2 van de Betekeningsverordening 2020/1784. Zij zullen als onderdeel van de proceskostenveroordeling worden toegewezen. proceskosten 4.21. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Gruber in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van Hydro c.s. worden tot aan deze uitspraak begroot op: explootkosten € 103,33 vertaalkosten dagvaarding € 575,00 griffierecht € 2.837,00 salaris advocaat € 2.428,00 (2 punten in liquidatietarief IV) nasalaris € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 6.116,33. 5De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt Gruber tot betaling aan Hydro tegen behoorlijk bewijs van kwijting van € 59.796,96, te vermeerderen met de CMR-rente van 5% vanaf 16 december 2022 tot aan de dag van volledige betaling; 5.2. veroordeelt Gruber in de proceskosten ten bedrage van € 6.116,33. Als Gruber niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Gruber€ 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 26 juni 2024. 901/3597/32