ECLI:NL:RBROT:2024:5898
Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 83-026453-21 en 83-058666-23 Datum uitspraak: 21 juni 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], verblijvende te [plaatsnaam] op het adres [adres].
Raadsvrouw mr. M.C. Levy, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 27 mei, 29 mei en 21 juni 2024.
2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging met parketnummer 83-026453-21 (feiten 1 t/m 4) en de dagvaarding met parketnummer 83-058666-23.
De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De strafzaken van de verdachte zijn gevoegd. Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zullen de feiten van beide tenlasteleggingen worden doorgenummerd.
Kort gezegd wordt de verdachte verweten: (83-026453-21) 1. het financieren van terrorisme;
3Eis officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 t/m 5 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs 4.1.
Bewijswaardering feiten 1, 2, 4 en 5 4.1.1.
Standpunt officier van justitie Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op sociale media oproepen geplaatst om geld te geven ten behoeve van vrouwen in Koerdische kampen in Syrië. Zij heeft ook contact met een aantal van deze vrouwen. [medeverdachte 1] heeft contact met [verdachte] om het geld op de plaats van bestemming te laten komen. [verdachte] legt ook zelf geld bij. [verdachte] maakt gebruik van de contacten van medeverdachte [medeverdachte 2] om geld bij de vrouwen in de kampen te krijgen. De vrouwen die het geld ontvangen zijn lid van IS dat op de Nationale sanctielijst terrorisme staat, zodat het geld dat naar de vrouwen overgemaakt wordt aan deze organisatie ten goede komt. Daarnaast heeft [verdachte] nog contact met een vrouw in Turkije. Zij staat op de Sanctielijst evenals een van de vrouwen voor wie [medeverdachte 1] geld heeft ingezameld en aan wie geld is overgemaakt. De verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan terrorismefinanciering, overtreding van de Sanctiewet en overtreding van de Wet financiële transacties.
De verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vormden een organisatie die organisch is ontstaan bij de strafbare feiten die zij pleegden. Het dossier maakt duidelijk dat sprake was van een samenwerkingsverband tussen in ieder geval de drie verdachten en onbekend gebleven personen die zorgden voor de geldoverdrachten in het buitenland. Alle drie de verdachten hadden een actieve rol in het geheel. De tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie kan wettig en overtuigend worden bewezen over de periode van 17 juli 2020 tot en met de einddatum op de tenlastelegging.
4.1.2.
Beoordeling feiten Feit 1 (het financieren van terrorisme) Feit 2 (het ter beschikking stellen van geld aan IS in strijd met de Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016) Feit 4 (bankieren zonder vergunning) In de Memorie van Toelichting bij artikel 421 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) staat dat de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme betreft, indien daarmee door de verstrekker van de gelden bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden. De verstrekker van de geldelijke steun moet dan wel wetenschap hebben van de betrokkenheid bij terroristische activiteiten van de ontvanger van de geldelijke steun.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het financieren van terrorisme en van dit feit moet worden vrijgesproken.
De verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] in contact heeft gebracht met personen die voor haar geld naar vrouwen in Syrië konden sturen. Hij wist dat zij geld inzamelde en had kunnen vermoeden dat dit geld bestemd was voor vrouwen in kampen die aan IS gerelateerd konden worden. Deze wetenschap en dit vermoeden zijn onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat gelden die met zijn hulp werden overgemaakt terecht kwamen bij personen die gelieerd waren aan IS en het geld daarvoor gebruikt zou kunnen worden bij terroristische activiteiten of de voorbereiding daarvan.
Op basis van het dossier gaat ook de rechtbank ervan uit dat [naam 1] de bijnaam (kunya) van [naam 2] is. Zij is in 2014 uitgereisd naar Syrië en zou zich hebben aangesloten bij IS. Zij heeft in een van de Koerdische detentiekampen gezeten en verbleef in de tenlastegelegde periode in Syrië, in een gebied waar IS nog aanwezig is. Sinds 2006 staat zij op de Nederlandse sanctielijst. [verdachte] heeft zelf geen contact gehad met [naam 1]. Uit niets blijkt dat hij wist dat de persoon aan wie [medeverdachte 1] geld wilde overmaken betrokken was bij IS. Hoewel hij dit wel had kunnen vermoeden vanwege de inzamelingsactie van [medeverdachte 1], is dit onvoldoende om voorwaardelijk opzet aan te nemen. Dit geldt ook voor het overmaken van geld naar [naam 3], van wie niet duidelijk is wie achter deze kunya schuilgaat. Uit de chats tussen [medeverdachte 1] en [naam 3] blijkt dat zij zich in Syrië bevindt en dat zij bang is gedetineerd te raken als zij naar België zou gaan. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op de hoogte was van de inhoud van deze chatcommunicatie, zodat niet kan worden vastgesteld dat het geld werd overgemaakt naar een vrouw met banden met IS.
De verdachte kende [naam 4] als [naam 5] en stelt dat hij haar echte naam niet wist. Hij wist wel dat zij een alleenstaande moeder was woonachtig in Turkije. Hij heeft haar financieel willen ondersteunen door haar geld te sturen. De verdachte had kunnen vermoeden dat zij in het verleden was uitgereisd naar Syrië omdat zij daar op hint naar aanleiding van een krantenbericht dat de verdachte haar stuurde. Omdat het geld naar [naam 5] ruim na de val van het kalifaat is verstuurd naar Turkije hoefde hij er geen rekening meer mee te houden dat zij (nog steeds) betrokken was bij IS of dat geld dat hij naar haar stuurde bij IS terecht zou kunnen komen.
Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de verdachte wist dan wel moest vermoeden dat het geld dat hij overmaakte naar Syrië en Turkije terecht zou kunnen komen bij IS. Daarvoor is van belang dat IS geen machtsbasis meer had in Syrië. Dat gold ook voor Turkije. Uit het dossier blijkt niet dat het geld dat ten behoeve van [naam 3], [naam 1] en [naam 5] is overgemaakt bij IS terecht had kunnen komen. Ook het tweede feit kan niet worden bewezen.
Ook kan feit 4, het bankieren zonder vergunning, niet worden bewezen omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte als onderdeel van een hawala-netwerk betrokken is geweest bij de hem verweten transacties. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte meer heeft gedaan dan optreden als tussenpersoon tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor twee specifieke geldtransfers. De verdachte heeft wel meerdere malen als klant geld afgegeven aan [medeverdachte 2], waarna deze voor de overdracht van het geld aan de begunstigde heeft gezorgd. Hiermee heeft de verdachte zich niet schuldig gemaakt aan bankieren zonder vergunning. Hij is in dat opzicht te vergelijken met een klant van een geldtransferkantoor dat met een vergunning handelt.
Feit 5 (deelname aan een criminele organisatie) Van een criminele organisatie is sprake wanneer er een samenwerkingsverband is, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen tenminste twee personen. Daarbij hoeft niet komen vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt met alle andere personen die deel uitmaken van dat samenwerkingsverband, of dat hij al deze personen kende. Het samenwerkingsverband moet het hebben van criminele activiteiten (mede) tot doel hebben. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie.
Van deelneming aan een criminele organisatie kan slechts sprake zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel die ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie.
De verdachte heeft regelmatig contact met [medeverdachte 2], waarbij een deel van hun contacten betrekking heeft op het overmaken van geld en het opwaarderen van beltegoed. Tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is slechts twee keer contact geweest. Uit het dossier blijkt niet dat verdachten met elkaar hebben samengewerkt vanuit een georganiseerd verband. Er is geen communicatie waaruit blijkt dat zij afspraken maken over de wijze of het moment waarop geld ingezameld zou moeten worden of ten behoeve van wie geld moet worden ingezameld. Het dossier wekt de indruk dat de verdachte op de hoogte was van de inzamelingsactiviteiten van [medeverdachte 1] en dat hij haar in contact heeft gebracht met [medeverdachte 2] om het geld bij de begunstigden te krijgen. Uit het dossier blijkt niet dat [medeverdachte 2] wist dat [medeverdachte 1] geld inzamelde voor vrouwen in detentiekampen. De intensiteit van de contacten en de inhoud daarvan is onvoldoende om te concluderen dat de verdachte met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een samenwerkingsverband vormde.
4.1.3.
Conclusie De verdachte wordt van de feiten 1, 2, 4 en 5 vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering feit 3 4.2.1.
Feiten [naam 4] staat sinds 16 oktober 2017 op de Nationale Sanctielijst Terrorisme. De verdachte heeft op of omstreeks 7 februari 2021 via aan hawala-transactie € 350 naar Turkije verstuurd bestemd voor [naam 5] ([naam 4]).
4.2.2.
Beoordeling De verdachte stuurde op 29 januari 2021 in een chat met [naam 5] een schermafdruk van een artikel uit de Telegraaf. Dit artikel heeft betrekking op een vrouw die terugkeerde uit Syrië en is aangehouden omdat zij wordt verdacht van deelname aan een terroristische organisatie en het voorbereiden van terroristische misdrijven. [naam 5] vroeg vervolgens: “Is nieuws van vandaag?”
De verdachte antwoordde “22dec aangehouden maar nu pas terug”. [naam 5] schreef terug: “Als je ooit leest, 25jarige 1 kind Zoontje. Weetje genoeg”.
Hieruit had de verdachte kunnen begrijpen dat [naam 5] in Syrië was geweest en mogelijk ook verdacht werd van deelname aan een terroristische organisatie.
De verdachte heeft verder geen onderzoek gedaan naar de identiteit van [naam 5] waardoor hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld dat hij naar haar heeft overgemaakt terecht zou komen bij een vrouw die op de Nationale Terrorismelijst stond.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzet, in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het ter beschikking stellen van geld aan Darkaoui die op de Nationale Terrorismelijst stond.
4.2.3.
Conclusie Feit 3 is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij in de periode van 1 februari 2020 tot en met 7 februari 2021, te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Turkije opzettelijk en in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2, vierde lid, van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II jo. resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad rechtstreeks middelen, te weten, :
350,00 EURO ter beschikking heeft gesteld aan:
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit Het onder 3 bewezen feit levert op: opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7Motivering straf 7.1.
Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft vanuit Nederland geld overgemaakt naar een persoon die op de nationale sanctielijst terrorisme staat. De verdachte heeft door het overmaken van het geld zowel de Europese regelgeving als de nationale wetgeving naast zich neergelegd. Deze regelgeving is internationaal gezien van groot belang omdat het doel ervan is te komen tot een gezamenlijke handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid alsmede de internationale rechtsorde en de bestrijding van terrorisme te bevorderen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte In het dossier bevinden zich een tweetal reclasseringsrapporten. De rechtbank heeft geen acht geslagen op de inhoud gelet op de omstandigheid dat deze rapporten al enige tijd geleden, in 2021 zijn opgemaakt.
7.4.
Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Alles overziend zal aan de verdachte een taakstraf worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op:
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan gerekwireerd. Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf van 60 uur opleggen, met aftrek van voorarrest.
8In beslag genomen voorwerpen Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft aan de rechtbank een beslaglijst (als bijlage III aan dit vonnis gehecht) overgelegd met daarop de volgende goederen:
Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om het in beslag genomen geld terug te geven aan de verdachte omdat niet blijkt dat het geld gebruikt is bij of bedoeld is voor het plegen van de tenlastegelegde misdrijven.
Beoordeling Ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat dit geld enige relatie heeft met het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2 en 3 van de Sanctiewet 1977 en artikel 2 van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II.
10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 0 uren te verrichten taakstraf resteert; beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.J. Peeck, voorzitter, en mrs. C. Sikkel en L.J.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 21 juni 2024.
Bijlage I Tekst nader omschreven tenlastelegging/tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 83-026453-21 1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 1 maart 2021 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met één of ineer ander(en), en/of alleen, (telkens) zich en/of (een) ander(en), te weten (onder andere):