Rechtbank Rotterdam Team insolventie tussentijdse beëindiging insolventienummer: [nummer] uitspraakdatum: 6 juni 2024 Bij vonnis van deze rechtbank van 6 november 2023 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van: [naam 1] , [adres] [woonplaats], hierna: [naam 1], bewindvoerder: J.M. Hoogland. 1De procedure Bij vonnis van deze rechtbank van 6 november 2023 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van [naam 1]. Op 4 maart 2024 heeft mr. E.B. van den Ouden namens [naam 2] (hierna: [naam 2]) verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Op 10 en 17 april 2024 heeft mr. Van den Ouden namens [naam 2] een aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van het verzoek. Op 25 april 2024 is dit verzoek ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen en gehoord: [naam 1]; Mr. S.J. Nijssen, advocaat van [naam 1]; J.M. Hoogland, bewindvoerder; C. Mulder, beschermingsbewindvoerder van [naam 1]: [naam 2]; Mr. Van den Ouden. Ter zitting heeft de rechtbank verzocht om meer informatie ten aanzien van betalingen die hebben plaatsgevonden op de vordering van [naam 2]. Op 10 mei 2024 heeft mr. Van den Ouden de rechtbank onder verwijzing naar bij die brief overgelegde stukken bericht welke bedragen zijn betaald. Op 15 mei 2024 heeft mr. Nijssen namens [naam 1] onder overlegging van stukken hierop gereageerd, waarna mr. Van den Ouden op 23 mei 2024 een nadere reactie met bijlagen heeft gestuurd. De uitspraak is nader bepaald op heden. 2De standpunten [naam 2] heeft verzocht de schuldsaneringsregeling van [naam 1] tussentijds te beëindigen op de voet van art. 350 lid 3 sub f Fw. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat bij het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling essentiële informatie niet onder de aandacht van de rechter is gebracht, en dat als de rechter deze informatie wel zou hebben gehad, [naam 1] niet tot de schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten. [naam 2] heeft daarbij onder meer naar voren gebracht dat [naam 1] nooit enig bedrag vrijwillig aan verzoeker heeft betaald, dat er loonbeslagen zijn gelegd maar [naam 1] vervolgens ontslag nam, met als toelichting dat hij niet voornemens was om ook maar € 1 aan [naam 2] te betalen en ook een auto aan verhaal heeft onttrokken door deze op naam van zijn vriendin te zetten. Daarbij heeft [naam 2] verwezen naar het vonnis van de voorzieningenrechter van 2 december 2021, waarin staat dat [naam 1] ter zitting heeft verklaard dat hij er bewust voor zorgt dat er geen verhaalsmogelijkheden zijn. Voorts is [naam 1] volgens [naam 2] niet open over zijn woonsituatie: [naam 1] woont samen met zijn partner en hun minderjarige dochter, terwijl zij op twee verschillende adressen zijn ingeschreven, vermoedelijk om in aanmerking te komen voor toeslagen. [naam 1] voert verweer. Hij stelt dat de achtergrond van de vorderingen van [naam 2] bekend was bij de toelating en deze op de zitting van 2 november 2023 ook is besproken. De rechtbank heeft in het vonnis van 6 november 2023 beoordeeld of [naam 1] gezien de achtergrond van deze vordering kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en deze vraag bevestigend beantwoord. Er is geen sprake van nieuwe informatie die ten tijde van de toelating niet bekend was. Daarnaast voert [naam 1] aan dat er wel degelijk is betaald aan [naam 2], namelijk een bedrag van € 20.627,18, door middel van loonbeslagen en beslagen op de uitkering van [naam 1]. Daarbij heeft [naam 1] verklaard dat [naam 2] niet open heeft gestaan voor een regeling, en dat [naam 2] het [naam 1] onmogelijk heeft gemaakt om betalingen te doen op de vordering van [naam 2], omdat [naam 2] werkgevers van [naam 1] belde en [naam 1] in een slecht daglicht plaatste. De opmerking ter zitting bij de voorzieningenrechter zal zijn gemaakt uit frustratie, aldus [naam 1]. 3De beoordeling Aan de orde is of de schuldsaneringsregeling van [naam 1] moet worden beëindigd op de voet van art. 350 lid 3 sub f Fw. Het gaat er dan om dat feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de beslissing tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig art. 288 lid 1 en 2 Fw. Een tussentijdse beëindiging kan niet worden gegrond op feiten en omstandigheden die aan de rechter bekend waren ten tijde van zijn uitspraak. De vordering van [naam 2] houdt blijkens het arrest van het hof van 16 mei 2023 verband met het volgende. [naam 1] heeft een relatie gehad met de dochter van [naam 2] en heeft met haar twee dochters. Nadat deze relatie was verbroken en de dochter met de kinderen tijdelijk bij [naam 2] was ingetrokken, is [naam 1] de woning van [naam 2] binnengegaan, waarbij een handgemeen is ontstaan tussen [naam 1] en [naam 2] en [naam 2] ernstig letsel heeft opgelopen. [naam 2] heeft vergoeding gevorderd van de materiele en immateriële schade die hij daardoor heeft geleden. Het hof heeft deze vordering – nadat [naam 1] bij verstek (op 15 januari 2020) en later in de verzetprocedure (op 6 januari 2021) door de rechtbank reeds was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding – toegewezen en de schade in voornoemd arrest vastgesteld op € 22.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.