Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 10/034852-23 en 10/148241-23 Datum uitspraak: 29 mei 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [naam PI] , raadslieden mr. L. Pothast en mr. T.H.L. Kneepkens, advocaten te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 en 15 mei 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie deels zijn gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. R.A. Kloos heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 10/148241-23; bewezenverklaring van het onder 1 en 3 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 10/148241-23 en het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 10/034852-23; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest. 4Geldigheid dagvaarding Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging voor zover het betreft de zinsneden “waaronder in elk geval” en “onder meer” partieel nietig moet worden verklaard, omdat daardoor onvoldoende bepaald wordt wat de beschuldiging nog meer omvat buiten de opsomming van concrete verwijten die op deze zinsneden volgt. 5Waardering van het bewijs 5.1. Vrijspraak zonder nadere motivering feit 2 (10/148241-23) – verlengde invoer 1741,91 kg cocaïne Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 10/148241-23 niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 5.2. Vrijspraak feit 1 en 3 (10/148241-23) – verlengde invoer 349,57 en 540,41 kg cocaïne 5.2.1. Standpunt officier van justitie Bewezen kan worden dat de verdachte, samen met zijn medeverdachten, de containers waarin later deze partijen cocaïne zijn aangetroffen meermaals heeft bevraagd in de douane-systemen. Dit handelen kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van (verlengde) invoer van cocaïne. 5.2.2. Primair Naar het oordeel van de rechtbank is het enkel in de douanesystemen opzoeken van informatie over binnengekomen containers en het vervolgens delen van deze informatie bij uitstek, maar ook als niet méér aan te merken dan als het vergemakkelijken of bevorderen van een door derden gepleegde daadwerkelijke invoer en dus hoogstens als medeplichtigheid daaraan. Niet blijkt van een verdergaande betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van deze partijen cocaïne of van een van die beide. Voor medeplegen van (verlengde) invoer van de aangetroffen cocaïne is geen bewijs gevonden. De verdachte zal reeds hierom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken. 5.2.3. Subsidiair Subsidiair is dit opzoeken en delen van informatie ten laste gelegd als (het medeplegen van) het voorbereiden dan wel bevorderen van de invoer van cocaïne. Ook voor zover de verdachte inderdaad dergelijke informatie heeft opgezocht en gedeeld, blijkt niet dat deze informatie daadwerkelijk een functie had bij de invoer van de betreffende partijen cocaïne. Het kan dan ook niet worden vastgesteld dat de invoer van deze partijen cocaïne (of een van die beide) daadwerkelijk is voorbereid of bevorderd met behulp van deze informatie en er kan daarom ook geen bewezenverklaring volgen voor dit subsidiair ten laste gelegde feit. 5.2.4. Conclusie De verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten 1 en 3 op de dagvaarding van de zaak met parketnummer 10/148241-23. 5.3. Partiële vrijspraak feit 4 (10/034852-23) Voor zover de tenlastelegging onder feit 4 is geënt op het tweede lid van artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht, dient de verdachte te worden vrijgesproken omdat niet per daarin genoemde container kan worden vastgesteld dat alle delictsbestanddelen telkens aan alleen deze verdachte als pleger kunnen worden toegeschreven, en de tenlastelegging op dit onderdeel niet het verwijt aan de verdachte inhoudt dat hij zich daaraan als medepleger heeft schuldig gemaakt. Zoals het nu staat weergegeven verstaat de rechtbank dat ten aanzien van het tweede lid van het genoemde artikel, enkel medeverdachte [medeverdachte 1] als dader moet worden gezien. Daarom volgt voor de verdachte vrijspraak op dit punt. 5.4. Vrijspraak feit 6 (10/034852-23) – deelname criminele organisatie Opiumwet 5.4.1. Standpunt officier van justitie De verdachte heeft vanaf maart 2022 deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven zoals bedoeld in artikel 11b van de Opiumwet. De deelname bestond uit het in de douanesystemen opzoeken van informatie over binnengekomen containers en het vervolgens delen van deze informatie. Deze organisatie heeft bestaan uit de drie medeverdachten. 5.4.2. Beoordeling rechtbank Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het samenwerkingsverband tussen de verdachte en zijn twee medeverdachten is aan te merken als een criminele organisatie. Maar er is geen bewijs dat het oogmerk, het naast gelegen doel, van deze organisatie verder strekt dan in strijd met de wet in de douanesystemen (tegen betaling (laten)) opzoeken van informatie over binnengekomen containers en het vervolgens illegaal delen van deze informatie. Dat klemt temeer omdat ook niet blijkt dat deze informatie daadwerkelijk een functie had of kon hebben bij de invoer van deze, of andere, partijen cocaïne. Bewijs dat het oogmerk van deze organisatie ziet op een of meer van de misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet ontbreekt dan ook. 5.4.3. Conclusie De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde. 5.5. Bewezenverklaring zonder nadere motivering overige feiten (10/034852-23) Het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 5.5.1. Bewijsuitsluitingsverweer Door de verdediging is een verweer gevoerd dat strekt tot bewijsuitsluiting van een deel van de verklaring van de verdachte op 9 maart 2023. De rechtbank komt niet toe aan bespreking van dit verweer, omdat dit gedeelte van de betreffende verklaring niet voor het bewijs wordt gebruikt. 5.6. Bewezenverklaring 10/034852-23 In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 Hij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 3 februari 2023 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander [medeverdachte 1] als ambtenaar bij de afdeling Haven Klant Management Controles van de Douane Rotterdam, meermalen beloften te weten - de belofte van betalingen van geldbedragen, (sub 1) heeft aangenomen terwijl zij, verdachten, wisten dat deze beloften [medeverdachte 1] gedaan werden teneinde haar te bewegen om in haar huidige bediening iets te doen , en/of (sub 2) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door [medeverdachte 1] in haar huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, immers heeft/hebben zij ten behoeve van één of meer personen - informatie uit de systemen van de Douane geraadpleegd en/of vergaard met een ander doel dan waarvoor deze bestemd zijn en/of - ( vervolgens) aan verdachte en/of (onbekend gebleven) derden inzicht gegeven in en informatie verstrekt over containersmet de nummers Zendingsnummer [zendingsnummer 1] , Containernummer [containernummer 1] , en containernummer [containernummer 2] en containernummer [containernummer 3] en containernummer [containernummer 4] en containernummer [containernummer 5] en containernummer [containernummer 6] en containernummer [containernummer 7] en containernummer [containernummer 8] en containernummer [containernummer 9] en containernummer [containernummer 10] en containernummer [containernummer 11] en zendingnummer [zendingsnummer 2] en zendingnummer [zendingsnummer 3] met containernummer [containernummer 12] en zendingnummer [zendingsnummer 4] , 2 Hij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 3 februari 2023 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdamniet-openbare gegevens, te weten informatie uit de systemen van de Douane met betrekking tot de containers met de nummers Zendingsnummer [zendingsnummer 1] , Containernummer [containernummer 1] , en containernummer [containernummer 2] en containernummer [containernummer 3] en containernummer [containernummer 4] en containernummer [containernummer 5] en containernummer [containernummer 6] en containernummer [containernummer 7] en containernummer [containernummer 8] en containernummer [containernummer 9] en containernummer [containernummer 10] en containernummer [containernummer 11] en zendingnummer [zendingsnummer 2] enzendingnummer [zendingsnummer 3] met containernummer [containernummer 12] en zendingnummer [zendingsnummer 4] voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen. 3 Hij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 3 februari 2023 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een geheim waarvan hij, verdachte, wist dat [medeverdachte 1] uit hoofde van ambt, te weten haar functie als ambtenaar op afdeling Haven Klant Management Controles van de Douane Rotterdam, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door vertrouwelijke gegevens met betrekking tot de containers met nummers Zendingsnummer [zendingsnummer 1] , Containernummer [containernummer 1] en/of containernummer [containernummer 2] en containernummer [containernummer 3] en containernummer [containernummer 4] en containernummer [containernummer 5] en containernummer [containernummer 6] en containernummer [containernummer 7] en containernummer [containernummer 8] en containernummer [containernummer 9] en containernummer [containernummer 10] en containernummer [containernummer 11] en zendingnummer [zendingsnummer 2] en zendingnummer [zendingsnummer 3] met containernummer [containernummer 12] en zendingnummer [zendingsnummer 4] , aan een of meer daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken 4 Hij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 3 februari 2023 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk (lid 1) in een geautomatiseerd werk, te weten een of meer systemen van de belastingdienst/Douane, genaamd Plato en/of DMF, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, te weten door onbevoegd gebruik te maken van gebruikersnaam en wachtwoord van [medeverdachte 1] 5 Hij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 3 februari 2023 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens, te weten gegevens uit systemen van de belastingdienst/Douane, genaamd Plato en/of DMF, voor zichzelf en/of voor een ander, te weten CC, heeft overgenomen en/of heeft doorgegeven. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken. 6Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 1 medeplegen van: als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en ten gevolge van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, meermalen gepleegd, 2 niet-openbare gegevens voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen, meermalen gepleegd, 3 medeplegen van: opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd, 4 medeplegen van: computervredebreuk, meermalen gepleegd, 5 medeplegen van: opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, voor zichzelf of een ander overnemen/doorgeven, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal feiten, te weten het medeplegen van passieve omkoping, het voorhanden hebben van niet-openbare, vertrouwelijke gegevens, het medeplegen van het schenden van een ambtsgeheim, het medeplegen van computervredebreuk en het medeplegen van het overnemen en doorgeven van niet-openbare gegevens. De verdachte heeft gedurende een periode van iets minder dan een jaar, via het account van zijn moeder bij de douane, gegevens over een veelheid aan containers aan een ander doorgegeven. Hij deed dit door ofwel zelf in te loggen in het systeem van zijn moeder, ofwel aan zijn moeder te vragen in te loggen en foto’s of video’s te maken van die gegevens. Deze bestanden werden vervolgens via de (versleutelde) applicatie Signal doorgestuurd naar een derde die daarom vroeg en die daar ook geld voor bood. Hij heeft in delen van een douanesysteem waarin hij, maar ook zijn moeder (medeverdachte) uit hoofde van haar functie niets te zoeken had, de gegevens van grote aantallen containers geraadpleegd. De integriteit van overheidsdiensten zoals de douane, dient onder alle omstandigheden boven elke twijfel verheven te zijn. De verdachte heeft samen met zijn moeder het publieke vertrouwen in de integriteit van de douane als overheidsorgaan in diskrediet gebracht. Hoewel de verdachte niet in direct verband kan worden gebracht met de concrete invoer van partijen cocaïne, wijst alles erop dat de ontvangers van de informatie uit de douanesystemen zich in georganiseerd verband bezig hielden met de grootschalige invoer van cocaïne. De verdachte moet hebben begrepen waarom die informatie waardevol was voor de ontvangers en hij heeft dus bewust een bijdrage geleverd aan de wereld van grote cocaïnetransporten. De handel in cocaïne leidt door de grote winsten die ermee gemoeid zijn tot veel en excessieve criminaliteit en overlast en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij onderdeel is geweest van één van de schakels in de cocaïnehandel. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij vrijwel direct openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verder houdt de rechtbank rekening met de leeftijd van de verdachte. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 april 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportages De rechtbank heeft acht geslagen op een (verouderd) rapport van 10 maart 2023. Daaruit blijkt dat er zorgen bestaan omtrent de financiële situatie, het middelengebruik en het sociale netwerk van de verdachte. De rechtbank ziet op basis daarvan echter geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De straf ligt lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van een aantal feiten die zwaar zullen hebben meegewogen bij de hoogte van de strafeis. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 47, 57, 138ab, 138c, 139g, 272 en 363 van het Wetboek van Strafrecht. 9Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 10Beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de zinsneden “waaronder in elk geval” en “onder meer”; verklaart de dagvaarding voor het overige geldig; verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 10/148241-23 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 10/034852-23 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren, beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, en mrs. A.S. Flikweert en P.C. Tuinenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Hoebe, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst (deels) gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 10/034852-23 1 Hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2021 tot en met 3 februari 2023 te Capelle aan den IJssel en/of te Rotterdam, althans Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, [medeverdachte 1] , als ambtenaar bij de afdeling Haven Klant Management Controles van de Douane Rotterdam, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.