← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2024:7144

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10901575 CV EXPL 24-2098 datum uitspraak: 9 augustus 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. drs. C. Sneevliet, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: Barendrecht, gedaagde, gemachtigde: [naam gemachtigde] . De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 22 januari 2024, met bijlagen; het antwoord; de nadere productie van [eiser] van 24 juni
  2. 1.
  3. Op 10 juli 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser] met zijn gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel zij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen. 2De beoordeling 2.
  4. [gedaagde] huurde vanaf 1 mei 2022 de woning aan de [adres] in Rotterdam van [eiser] . De huurovereenkomst is per 1 juni 2024 beëindigd en de woning is inmiddels ontruimd. Er is nog wel een huurachterstand van € 12.900,-, berekend tot en met mei
  5. [eiser] eist dat [gedaagde] die huurachterstand met rente en buitengerechtelijke incassokosten betaalt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand met bijkomende kosten betalen. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarop deze beslissing is gebaseerd. [gedaagde] moet een huurachterstand van € 12.900,- betalen 2.
  6. [gedaagde] wordt veroordeeld om € 12.900,- aan [eiser] te betalen. Partijen zijn het erover eens dat de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding € 4.300,- was. In de dagvaarding is ook betaling van de maandelijkse huur gevorderd. [eiser] heeft ter zitting uitgelegd dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot € 12.900,-, berekend tot en met mei
  7. [gedaagde] heeft dit niet weersproken, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de huurachterstand € 12.900,- is. De door [gedaagde] aangevoerde financiële omstandigheden liggen in de verhouding tussen [gedaagde] en [eiser] in haar risicosfeer en ontslaan haar niet van haar betalingsverplichting. Ontbinding en ontruiming worden afgewezen 2.
  8. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning worden afgewezen. Uit productie 3 volgt dat de huurovereenkomst per 1 juni 2024 is beëindigd. [eiser] heeft dit ook ter zitting bevestigd en verklaard dat de woning is ontruimd. Dit betekent dat [eiser] geen belang meer heeft bij deze onderdelen van de vordering. [gedaagde] moet incassokosten betalen 2.
  9. De incassokosten van € 671,55 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). [gedaagde] moet wettelijke handelsrente betalen 2.
  10. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] moet betalen de rente van € 645,31 die [eiser] heeft berekend tot en met 1 mei
  11. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.
  12. [gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.330,
  13. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.
  14. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  15. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 14.216,86 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 12.900,- vanaf 2 mei 2024 tot de dag dat volledig is betaald; 3.
  16. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.330,97 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.
  17. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  18. wijst af het anders of meer gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken. 53954

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.