Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummers / rekestnummers: C/10/659211 / FA RK 23-4218 (echtscheiding) C/10/670713 / FA RK 23-9180 (verdeling) Beschikking van 18 juli 2024 over de echtscheiding en nevenverzoeken in de zaak van: [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , advocaat mr. N.M.A. van Kuijk-van Voorst te Alblasserdam, t e g e n [naam man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] , advocaat mr. D. de Heuvel te Papendrecht. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 9 juni 2023; het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 augustus 2023; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 17 november 2023; het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 15 december 2023; het gewijzigde verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 april 2024; het bericht met bijlagen van de vrouw van 6 mei 2024; het aanvullende verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 13 mei 2024. 1.2. Buiten de volgens het Procesreglement toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd: het bericht met aanvullend verzoek en bijlagen van de vrouw van 15 mei 2024; het bericht met bijlage van de man van 21 mei 2024. 1.3. Partijen maken over en weer bezwaar tegen de behandeling van de aanvullende verzoeken over elkaars schulden. Het verzoek van de man daarover is op 13 mei 2024 ingekomen en het verzoek van de vrouw op 15 mei 2024. Daarnaast maakt de vrouw bezwaar tegen het gewijzigde verzoek van de man over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) van 13 mei 2024. Zij maakt geen bezwaar tegen het aanvullende verzoek van de man over de inboedel van 13 mei 2024, mits productie 27 bij haar verzoek van 15 mei 2024 wordt toegelaten. De rechtbank zal de aanvullende verzoeken van partijen over de schulden en het gewijzigde verzoek van de man over de zorgregeling in behandeling nemen. Artikel 130 Rv belet dit niet. De late indiening van het schuldendeel van de beperkte gemeenschap komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van partijen zelf. Zij hebben in hun eerdere processtukken al standpunten ingenomen over de verdeling, en zij hebben dus beiden nagelaten om op dat moment alle schulden naar voren te brengen. Behandeling van het gewijzigde verzoek over de zorgregeling is in de optiek van de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde, omdat de zorgregeling al voorlag en het gewijzigde verzoek niet zodanig afwijkt of onverwacht is, dat de vrouw in haar verdediging wordt geschaad. Het bericht van de vrouw van 15 mei 2024 bevat twee producties: productie 27 en 28. De bewijsstukken van productie 27 zijn door de vrouw ingediend om zich te verweren tegen het aanvullende verzoek van de man van 13 mei 2024. De vrouw had productie 27 dus niet eerder kunnen indienen, maar dat geldt niet voor productie 28. Daarom zal de rechtbank productie 27 toelaten en productie 28 buiten beschouwing laten. Dat betekent dat de vrouw geen bezwaar heeft tegen behandeling van het aanvullende verzoek van de man over de inboedel. Het bericht met bijlage van de man van 21 mei 2024 is te laat ingediend, terwijl dit eerder had gekund. Daarom zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten. 1.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 mei 2024. Daarbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. M.E. Visser, namens haar advocaat mr. N.M.A. van Kuijk-van Voorst; de man, bijgestaan door zijn advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] . 1.5. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om, met elkaars goedvinden, binnen een week na de mondelinge behandeling een aanvullend bericht over de verdeling in te dienen. Op 29 mei 2024 is een bericht met bijlagen van de man ingekomen, dat gelijktijdig aan mr. M.E. Visser is gezonden met de volgende mededeling van mr. D. de Heuvel: “In bovengenoemde zaak hebben mr. Visser en ik een akkoord bereikt over de nadere indiening van bijgaande stukken.” Omdat dit bericht in overeenstemming is met dat wat daarover tijdens de mondelinge behandeling is besproken en de rechtbank geen andersluidend bericht heeft ontvangen, neemt de rechtbank dit stuk in behandeling en gaat zij uit van de juistheid daarvan. 2De vaststaande feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd te Alblasserdam op 30 augustus 2022. 2.2. Het minderjarige kind van partijen is: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] . 2.3. De man heeft een minderjarige zoon uit een eerdere relatie: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] . 2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 mei 2023 in de voorlopige voorzieningenprocedure is – samengevat – bepaald dat: de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, waarbij de man is bevolen de woning te verlaten en is verboden deze verder te betreden; [voornaam minderjarige 1] aan de vrouw wordt toevertrouwd; de regeling over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) inhoudt dat [voornaam minderjarige 1] bij de man zal zijn: - één keer per veertien dagen op zaterdag én zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur in de oneven weken (althans de weekeinden waarin [voornaam minderjarige 2] ook bij de man is); - iedere maandagmiddag na de opvang; - iedere dinsdag; - de vrouw vervangende toestemming wordt verleend voor vakantie met [voornaam minderjarige 1] in Spanje van 24 juni 2023 tot en met 22 juli 2023, waarbij in de tweede helft van die vakantie een zorgregeling tussen de man en [voornaam minderjarige 1] in Spanje is vastgesteld. Het verzoek over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] (hierna: de kinderbijdrage) is afgewezen. 3De beoordeling 3.1. Scheiding 3.1.1. Partijen verzoeken beiden de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen en erkennen over en weer dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 3.1.2. Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). 3.1.3. Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Met haar stelling dat het partijen niet is gelukt onderlinge afspraken te maken over [voornaam minderjarige 1] , ook niet met tussenkomst van hun advocaten, heeft de vrouw voldoende gemotiveerd dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door hen beiden akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Daarom zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding. Gelukkig is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat partijen inmiddels goed met elkaar kunnen communiceren over [voornaam minderjarige 1] . De rechtbank vindt dat partijen waardering verdienen voor deze vooruitgang en vertrouwt erop dat zij zich zullen inspannen om met elkaar te blijven samenwerken als ouders van [voornaam minderjarige 1] , zodat [voornaam minderjarige 1] zich positief blijft ontwikkelen. 3.1.4. Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen. 3.2. Ouderschapsplan 3.2.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar primaire verzoek over het ouderschapsplan ingetrokken. De rechtbank zal dat verzoek afwijzen. 3.3. Verblijfplaats 3.3.1. De vrouw verzoekt te bepalen dat [voornaam minderjarige 1] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw. 3.3.2. De man stemt in met het verzoek van de vrouw. 3.3.3. De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van [voornaam minderjarige 1] zich hiertegen verzet. 3.4. Zorgregeling 3.4.1. De man verzoekt – na wijziging – een zorgregeling te bepalen die inhoudt dat [voornaam minderjarige 1] bij de man is: één keer per veertien dagen in de oneven weken een weekend van vrijdag 16.30 uur tot maandag 18.15 uur, waarbij de man [voornaam minderjarige 1] op vrijdag ophaalt en de vrouw [voornaam minderjarige 1] op maandag ophaalt bij de vader van de man; in de even weken van woensdag 07.15 uur tot donderdag 09.00 uur; de helft van de vakanties en feestdagen, die in onderling overleg worden verdeeld. 3.4.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. Voordat de man zijn gewijzigde verzoek had ingediend, had de vrouw een – aangepaste – zorgregeling voorgesteld waarmee zij deels was meebewogen met het oorspronkelijke verzoek van de man als volgt: één keer per veertien dagen – in de oneven weken althans de weken dat [voornaam minderjarige 2] ook bij de man is – van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man, waarbij de vrouw [voornaam minderjarige 1] op zaterdag naar de man brengt en de man [voornaam minderjarige 1] op zondag bij de vrouw terugbrengt; iedere dinsdag van 07.30 uur tot 18.15 uur bij de man, waarbij de man haar ophaalt en bij de vrouw terugbrengt; eventueel iedere dinsdag van 07.30 uur tot woensdag 07.15 uur, waarbij de man [voornaam minderjarige 1] ophaalt en naar de kinderopvang brengt. 3.4.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij de vakanties en feestdagen net als de man graag in onderling overleg wil verdelen. De rechtbank zal dit als onderling overeengekomen regeling tussen partijen opnemen in de beschikking. Het uitgangspunt is vooralsnog dat de man vanwege [voornaam minderjarige 2] gebonden is aan de schoolvakanties, en de vrouw juist niet. Partijen zullen daar over en weer rekening mee houden. 3.4.4. Partijen zijn het er ook over eens dat [voornaam minderjarige 1] in de oneven weken in het weekend bij de man zal verblijven – samen met [voornaam minderjarige 2] – en dat [voornaam minderjarige 1] bij de man zal gaan overnachten. De rechtbank en de raad staan daar volledig achter. Een langer verblijf met overnachtingen zal de band tussen de man en [voornaam minderjarige 1] versterken en de rol van de man als opvoeder en verzorger vergroten. Tussen partijen is nog wel in geschil hoeveel aaneengesloten nachten [voornaam minderjarige 1] bij de man zal zijn (dus op welke dagen het weekend start en eindigt) en op welke doordeweekse dagen zij bij de man zal. De rechtbank volgt het advies van de raad om [voornaam minderjarige 1] eerst ongeveer twee maanden te laten wennen aan een overnachting bij de man van zaterdag op zondag, en als dat goed gaat het weekend uit te breiden met een tweede overnachting van vrijdag op zaterdag. Hoewel [voornaam minderjarige 1] haar ouders allebei goed kent, is zij ook nog erg jong en heeft zij nog niet eerder overnacht bij de man. Onder deze omstandigheden is het in de optiek van de raad en rechtbank het meest in ieders belang dat [voornaam minderjarige 1] stapsgewijs de tijd krijgt om te wennen aan veranderingen in de zorgregeling. Dat zorgt er uiteindelijk voor dat [voornaam minderjarige 1] bij de man net zo thuis is als bij de vrouw. De rechtbank zal daarom bepalen dat [voornaam minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking eerst twee maanden van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zal verblijven (één overnachting), en daarna, als dat goed gaat, [voornaam minderjarige 1] van vrijdag 16.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zal verblijven (twee overnachtingen). 3.4.5. De man wil het oneven weekend uitbreiden naar vrijdag 16.30 uur tot maandag 18.15 uur (drie overnachtingen), omdat [voornaam minderjarige 2] op die dagen bij de man verblijft en de man graag wil dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zoveel mogelijk samen opgroeien. De rechtbank begrijpt deze wens van de man. Het is ook een gerechtvaardigd belang. Dat neemt echter niet weg dat de wenselijkheid daarvan voor [voornaam minderjarige 1] moet worden beoordeeld in het grotere plaatje nu partijen ook (verschillende) doordeweekse dagen hebben verzocht. 3.4.6. In geschil is of [voornaam minderjarige 1] doordeweeks elke week van dinsdag tot woensdag bij de man zal zijn, zoals de vrouw verzoekt, of om de week / elke week van woensdag tot donderdag, zoals de man verzoekt. De man heeft oorspronkelijk verzocht dat [voornaam minderjarige 1] van woensdag tot donderdag bij de man is in de even weken, dus om de week, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat dit ook elke week mogelijk is. Dat sluit aan bij de wekelijkse doordeweekse gedeelde zorg die de vrouw verzoekt. 3.4.7. Tegenover de wens van de man om [voornaam minderjarige 1] net als [voornaam minderjarige 2] van woensdag op donderdag bij zich te hebben en zijn toelichting dat dinsdag voor hem geen vaste vrije dag is en een hoop ‘kunst- en vliegwerk’ vraagt, staat het feit dat partijen in de voorlopige voorzieningenprocedure hebben afgesproken dat [voornaam minderjarige 1] iedere dinsdag bij de man is, dat de kinderopvang daaromheen is gepland en op dit moment geen plaats heeft voor [voornaam minderjarige 1] op dinsdag. Vanwege de schaarste bij de kinderopvang en omdat partijen de dinsdag hebben afgesproken in de voorlopige voorzieningenprocedure, verlangt de rechtbank van de man dat hij voorlopig de zorgtaken iedere dinsdag voor zijn rekening blijft nemen. 3.4.8. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank geen ruimte ziet voor een uitbreiding van het weekend naar maandag 18.15 uur (drie overnachtingen). Dat zou betekenen dat [voornaam minderjarige 1] van maandag 18.15 uur tot dinsdag 07.30 uur heel even bij de vrouw is en daarna weer bij de man. Zo’n kortdurende wisseling acht de rechtbank niet in het belang van [voornaam minderjarige 1] . In plaats daarvan vindt de rechtbank het meer in het belang van [voornaam minderjarige 1] dat de uitbreiding naar de derde overnachting doordeweeks plaatsvindt. De rechtbank zal daarom bepalen dat [voornaam minderjarige 1] , zodra zij gewend is aan het overnachten bij de man van vrijdag tot zondag, ook bij hem zal overnachten van dinsdag op woensdag. Tot dat moment zal [voornaam minderjarige 1] elke dinsdag bij de man zijn. Het streven moet zijn dat [voornaam minderjarige 1] rond november 2024, dus als zij twee jaar oud is, in totaal drie nachten per week bij de man overnacht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad immers bevestigd dat de uitbreiding naar drie nachten binnen dat tijdvak mogelijk is, met de kanttekening dat als partijen merken dat [voornaam minderjarige 1] er wat moeite mee heeft – ze is na de wisseling bijvoorbeeld wat kribbig of gaat wat lastiger naar haar slaapkamer – het goed is voor [voornaam minderjarige 1] om wat meer tijd te nemen. De rechtbank deelt de verwachting van de raad dat partijen daar in goed overleg uitkomen, omdat zij allebei hebben erkend dat de communicatie is verbeterd en zij allebei in staat zijn het belang van [voornaam minderjarige 1] voorop te stellen. 3.4.9. Terugkomend op het bezwaar van de man dat dinsdag geen vaste vrije dag voor hem is: gezien zijn toelichting dat hij momenteel zijn pensioen moet aanspreken om [voornaam minderjarige 1] te kunnen opvangen, is de rechtbank van oordeel dat dit niet voor altijd van de man verlangd kan worden. Partijen kunnen [voornaam minderjarige 1] nu alvast bij de kinderopvang inschrijven voor de dinsdag. De rechtbank zal bepalen dat zodra de kinderopvang op dinsdag plek heeft voor [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 1] iedere week van woensdag tot donderdag bij de man zal verblijven (in plaats van dinsdag tot woensdag). Het bezwaar van de vrouw dat donderdag haar enige vrije dag is en haar wens om dan rustig op te starten met [voornaam minderjarige 1] , weegt niet op tegen het nadeel dat de man zich op dinsdag in allerlei bochten moet wringen. 3.4.10. Verder zijn partijen het erover eens dat zij het halen en brengen delen, maar de manier waarop is in geschil. Voor de uiteindelijke weekendregeling geldt dat de man op vrijdag [voornaam minderjarige 2] ophaalt, en [voornaam minderjarige 1] dan ook kan ophalen. De rechtbank is van oordeel dat dit het meest praktisch is. Dat [voornaam minderjarige 1] dan veel moet reizen is vervelend, maar naar het oordeel van de rechtbank, gezien haar leeftijd, niet onoverkomelijk. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw [voornaam minderjarige 1] op zondag bij de man ophaalt. Voor de doordeweekse dagen verzoekt de vrouw te bepalen dat de man [voornaam minderjarige 1] ophaalt en brengt. Omdat de man daartegen geen verweer heeft gevoerd en geen zelfstandige haal- en brengregeling heeft verzocht, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw als niet weersproken toewijzen. 3.5. Voortgezet gebruik woning 3.5.1. De vrouw verzoekt te bepalen dat zij gerechtigd is tot bewoning van de echtelijke woning tot tenminste zes maanden na echtscheiding met uitsluiting van de man. 3.5.2. De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat de vrouw, vanaf de datum van inschrijving echtscheiding, een gebruiksvergoeding verschuldigd is gelijk aan de helft van de bruto hypotheeklasten. 3.5.3. Gebleken is dat de woning inmiddels is verkocht en op 30 september 2024 zal worden geleverd aan de kopers. Partijen hebben desgevraagd verklaard dat zij het erover eens zijn dat de vrouw en [voornaam minderjarige 1] tot 30 september 2024 gebruik mogen blijven maken van de woning, zonder de verplichting tot betaling van een gebruiksvergoeding aan de man. De man heeft desgevraagd verklaard dat hij in het geval de verkoop en levering van de woning op 30 september 2024 onverhoopt niet doorgaat, geen bezwaar heeft tegen het uitsluitend gebruik door de vrouw mits de vrouw een gebruiksvergoeding ter hoogte van de helft van de bruto hypotheeklasten betaalt omdat de man geen gebruikmaakt van zijn deel van de woning. Naar de rechtbank begrijpt bedoelt hij alleen de rente, omdat de door partijen gedane hypotheekaflossingen worden vergoed uit de opbrengst van verkoop van de woning. De rechtbank acht het verzoek van de man niet onredelijk, zeker nu, zoals hierna zal blijken, bij de draagkrachtberekening van man in het kader van de kinderbijdrage rekening zal worden gehouden met het woonforfait en niet met zijn werkelijke woonlasten. 3.6. Onderhoudsbijdrage 3.6.1. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man gehouden is een maandelijkse bijdrage te leveren in de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 1] ter hoogte van € 164,- steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, met ingang van de te wijzen echtscheidingsbeschikking. 3.6.2. De man voert gemotiveerd verweer. Ingangsdatum 3.6.3. Omdat de man zich niet verweert tegen de verzochte ingangsdatum, zal de rechtbank de kinderbijdrage vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking. Behoefte 3.6.4. In de voorlopige voorzieningenprocedure is de behoefte van [voornaam minderjarige 1] vastgesteld op € 870,-. Partijen zijn het erover eens dat ook in deze bodemprocedure dit bedrag als de behoefte van [voornaam minderjarige 1] moet worden gehanteerd. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt haar behoefte afgerond € 924,- per maand. Draagkrachtberekening 3.6.5. Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van [voornaam minderjarige 1] tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht. 3.6.6. Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2024-1. NBI en draagkracht man 3.6.7. Tussen partijen is de hoogte van het inkomen van de man voor de berekening van zijn NBI in geschil. De rechtbank zal de berekening van de vrouw volgen. De vrouw heeft gemotiveerd toegelicht dat 2022 en 2023 niet representatief waren met haar stellingen dat het jaarinkomen van de man in 2021 nog € 56.000,- was, dat hij daarna minder is gaan werken, ouderschapsverlof heeft opgenomen, negen weken vakantie heeft gehad voor zijn verhuizing en vrijwilligerswerk heeft gedaan, en dat zijn inkomen in 2024 hoger is. Om die redenen is de vrouw uitgegaan van zijn eerste vier loonstroken van 2024. Daartegenover heeft de man slechts gesteld dat moet worden uitgegaan van zijn jaaropgave over 2023, omdat dat inkomen gelet op zijn onregelmatige werktijden het bedrag is dat hij daadwerkelijk heeft verdiend. Hiermee heeft de man onvoldoende gemotiveerd dat de eerste vier loonstroken van 2024 geen goed uitgangspunt zouden zijn voor de rest van 2024. Gelet hierop bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2024 op € 3.478,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 3.990,39 per maand - operationele toelage € 273,- per maand (244,86 + 494,57 + 354,16 = 1.093,59 in totaal over vier maanden) - overwerk € 213,- per maand (57,42 + 198,81 + 74,28 + 254,03 + 58,59 + 207,99 = 851,12 in totaal over vier maanden) - eenmalige uitkering € 220,- per maand 2024 - ME-dagvergoeding € 9,- per maand (36,60 in februari 2024) - vakantiegeld 8% op jaarbasis Rekening is gehouden met de pensioenpremie van € 271,90 per maand, de AOP-premie van € 9,78 per maand en de AOVpolitie-premie van € 26,12 per maand, in totaal € 307,80 per maand. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat de man niet aan de voorwaarden voldoet. Dat de man bij de aanvraag van gefinancierde rechtsbijstand heeft aangegeven dat hij een eenoudergezin is, is geen geldende maatstaf voor de vraag of de man recht heeft op inkomensafhankelijke combinatiekorting. 3.6.8. Tussen partijen is niet meer in geschil dat, anders dan in de voorlopige voorzieningenprocedure, geen rekening wordt gehouden met de hogere werkelijke (dubbele) woonlast maar met de forfaitaire woonlast, omdat partijen de echtelijke woning hebben verkocht. Het is daarom niet redelijk om voor de kinderbijdrage van [voornaam minderjarige 1] , die zo toekomstbestendig mogelijk wordt vastgesteld, rekening te houden met woonlasten die binnenkort komen te vervallen. In plaats daarvan zal de rechtbank, zoals hierboven is overwogen, een gebruiksvergoeding bepalen die de vrouw aan de man zal betalen als de woning op 30 september 2024 toch niet wordt geleverd. De man is het daar ook mee eens. Anders dan de vrouw aanvoert zal de rechtbank ook geen rekening houden met de lagere (enkele) werkelijke woonlast van de man. Het uitgangspunt is dat gerekend wordt met een forfaitaire woonlast. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van zulke bijzondere omstandigheden, dat daarvan moet worden afgeweken. 3.6.9. De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 816,- per maand. NBI en draagkracht vrouw 3.6.10. Tussen partijen is niet meer in geschil dat gerekend moet worden met haar basisloon van € 3.088,51 per maand. Wel is in geschil of de CAO bonus en de Rayonmanagers Incentive moeten worden meegenomen. Vaststaat dat de vrouw de CAO bonus over 2022 en 2023 heeft ontvangen. Daarbij heeft de vrouw benoemd dat sinds half april over 2024 ook een akkoord is bereikt. De rechtbank is van oordeel dat drie jaar op rij voldoende structureel is om rekening te kunnen houden met de CAO bonus. De vrouw stelt dat de Rayonmanagers Incentive een prestatiebonus is en dat zij niet verwacht dat zij deze bonus binnenkort opnieuw zal behalen, omdat zij recent in een nieuw gebied is begonnen. Daartegenover heeft de man aangevoerd dat de vrouw deze bonussen in het verleden ook regelmatig heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de CAO bonus en de Rayonmanagers Incentive in de toekomst geheel niet meer zal ontvangen. Daarom zal de rechtbank rekenen met beide bonussen. In de stelling van de vrouw dat de exacte hoogte fluctueert en voor de toekomst onbekend is, ziet de rechtbank geen belemmering om te rekenen met de bonussen die de vrouw tot nu toe daadwerkelijk heeft ontvangen. 3.6.11. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2024 op € 3.582,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 3.088,51 per maand, oftewel € 37.062,12 per jaar - vakantiegeld 8% op jaarbasis - CAO bonus € 2.144,59 per jaar - Rayon Managers Incentive € 2.283,01 per jaar Rekening is gehouden met de PAWW-premie van € 2,71 per maand. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting - de inkomensafhankelijke combinatiekorting. 3.6.12. Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 394,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft. 3.6.13. De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 866,- per maand. 3.6.14. Tijdens de mondelinge behandeling voert de vrouw aan dat rekening moet worden gehouden met een aflossing van € 100,- per maand vanwege een lening bij haar ouders en de advocaatkosten. De man betwist deze tweede schuld bij gebrek aan onderbouwende stukken en meent dat áls rekening wordt gehouden met deze schulden van de vrouw, óók rekening moet worden gehouden met zijn schuld bij Sociaal Fonds Politie. De rechtbank vat dit op als een voorwaardelijk verzoek van de man. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van de kinderbijdrage rekening te houden met schulden. De vrouw heeft de stukken over de lening bij haar ouders ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat zij, vanwege terugbetaling uit privégeld, een vergoedingsrecht heeft. Zij heeft deze stukken dus met het oog op een ander rechtsgevolg ingebracht dan verhoging van haar draagkrachtloos inkomen en niet onderbouwd hoe hoog de restschuld bij haar ouders is en op welke manier de aflossing van € 100,- per maand tot stand is gekomen. De advocaatkosten zijn geheel niet onderbouwd. Daarom zal de rechtbank geen rekening houden met de schulden van de vrouw. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van het voorwaardelijke verzoek van de man. Bovendien zijn partijen, zoals hierna zal blijken, in het kader van de verdeling overeengekomen dat ieder de eigen schuld voldoet. Daar past niet bij dat in het kader van de alimentatie rekening wordt gehouden met schulden, omdat dit van invloed is op ieders draagkracht. Draagkrachtvergelijking 3.6.15. De man moet zijn draagkracht over twee kinderen verdelen. Tussen partijen is in geschil op welke manier dat moet gebeuren. De vrouw meent dat de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de twee kinderen moet worden verdeeld, vanwege een duidelijk verschil in de behoefte van beide kinderen. De behoefte van [voornaam minderjarige 2] van € 461,-, zoals deze blijkt uit productie 8 van de man en waar de vrouw zich bij aansluit, bedraagt slechts de helft van de behoefte van [voornaam minderjarige 1] van € 924,-. De man handhaaft zijn standpunt dat rekening moet worden gehouden met de bijdrage van € 200,- per maand die hij aan de moeder van [voornaam minderjarige 2] voldoet, omdat deze maandelijkse betaling al tijdens de relatie van partijen bekend was. Daarnaast voert de man aan dat het niet reëel is om van de man te verlangen dat hij, bij onvoldoende draagkracht voor [voornaam minderjarige 2] als gevolg van deze procedure, een wijzigingsprocedure moet starten voor de bijdrage voor [voornaam minderjarige 2] . De rechtbank overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft op 27 oktober 2023 bepaald dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit verschillende relaties, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag in beginsel gelijkelijk tussen die kinderen moet worden verdeeld, tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte. Gelet op de hierboven berekende draagkracht van partijen en de behoefte van [voornaam minderjarige 1] , stelt de rechtbank vast dat er geen tekort is. Daarom ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van de man per kind naar rato van de behoefte vast te stellen. 3.6.16. De toerekening van de draagkracht van de man aan de twee kinderen ten opzichte van wie hij onderhoudsplichtig is, wordt berekend volgens de formule: de behoefte van ieder kind afzonderlijk gedeeld door de totale behoefte van de twee kinderen vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, ofwel: toerekening van de draagkracht voor [voornaam minderjarige 1] : € 924 / € 1.385 x € 816 = € 544 toerekening van de draagkracht voor [voornaam minderjarige 2] : € 461 / € 1.385 x € 816 = € 272 samen de totale draagkracht van de man van € 816 3.6.17. De gehele draagkracht van de vrouw van € 866,- per maand wordt toegerekend aan [voornaam minderjarige 1] . Draagkrachtvergelijking 3.6.18. Voor [voornaam minderjarige 1] wordt ieders aandeel berekend volgens de formule: ieders voor dit kind beschikbare draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel: het deel van de man bedraagt: € 544 / € 1.410 x € 924 = € 356,50 het deel van de vrouw bedraagt: € 866 / € 1.410 x € 924 = € 567,50 samen € 924 Daarom komt van de totale behoefte van [voornaam minderjarige 1] een gedeelte van € 356,50 per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 567,50 per maand voor rekening van de vrouw. Zorgkorting 3.6.19. De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 35%. De vrouw voert verweer en stelt de zorgkorting op 25%. 3.6.20. Gezien de nu vast te stellen zorgregeling van één weekend per 14 dagen, een doordeweekse dag en de helft van alle schoolvakanties stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%. 3.6.21. Omdat de behoefte van de minderjarige € 924,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 231,- per maand. 3.6.22. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 125,50 per maand. Conclusie 3.6.23. Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 125,50 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. 3.7. Convenant 3.7.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar primaire verzoek over het convenant ingetrokken. De rechtbank zal dat verzoek afwijzen. 3.8. Verdeling 3.8.1. De vrouw verzoekt de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vast te stellen op de door haar voorgestelde wijze in randnummers 29 tot en met 77 van haar verzoekschrift. 3.8.2. De man stemt gedeeltelijk in met de door de vrouw voorgestelde wijze, voert op de overige punten gemotiveerd verweer en verzoekt te bepalen dat de verdeling wordt vastgesteld op de door hem voorgestelde wijze in punt 18 tot en met 26 van zijn verweerschrift en onder II en III van zijn aanvullende verzoek. 3.8.3. Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap volledig vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW. 3.8.4. Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW). Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW). Huwelijksregime 3.8.5. Partijen zijn op 30 augustus 2022 gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden op te maken. Omdat partijen na 1 januari 2018 zijn gehuwd, zijn zij gehuwd in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen zoals bepaald in artikel 1:94 BW. 3.8.6. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd: goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift; pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen; rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder c BW. Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen. 3.8.7. Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW. 3.8.8. Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten. Peildatum omvang en samenstelling gemeenschap 3.8.9. Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 9 juni 2023. Bestanddelen van de beperkte gemeenschap 3.8.10. Volgens partijen of één van hen maakten op de peildatum de volgende goederen en schulden deel uit van de beperkte gemeenschap: de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te Papendrecht en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Aegon met kenmerk [kenmerknummer] ; de ING-betaalrekening met nummer [rekeningnummer] ten name van beide partijen (de “en/of-rekening”); de inboedel; e auto van het merk Opel met kenteken [kentekennummer] ; de teruggaven van de Belastingdienst; de schuld aan het Sociaal Fonds Politie; de lening bij de ouders van de vrouw. Peildatum waardering 3.8.11. Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. De woning aan de [adres] ( [postcode] ) te Papendrecht en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Aegon met kenmerk [kenmerknummer] (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.