vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/656674 / HA ZA 23-392 Vonnis van 31 juli 2024 in de zaak van
(3)MARPOL bepaalt, voor zover relevant: “Regulation 18 – Fuel Oil Availability and Quality(….) Fuel oil quality 3 Fuel oil for combustion purposes delivered to and used on board ships to which this Annex applies shall meet the following requirements: .1 .1 except as provided in paragraph 3.2 of this regulation: o .1.1 the fuel oil shall be blends of hydrocarbons derived from petroleum refining. This shall not preclude the incorporation of small amounts of additives intended to improve some aspects of performance; o .1.2 the fuel oil shall be free from inorganic acid; and o .1.3 the fuel oil shall not include any added substance or chemical waste that: .1 jeopardizes the safety of ships or adversely affects the performance of the machinery, or (…).” 5.
- De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanwezigheid van FAME in de VLSFO als volgt. Viswalab heeft na het testen van het monster van de VLSFO met zegelnummer [nummer 2] een hoeveelheid FAME geconstateerd van 347 ppm (parts per million). In deel 2 van het Viswalab-rapport (waarop Bunker Partner c.s. zich overigens niet heeft beroepen) bedraagt die hoeveelheid 499 ppm voor het BDN-monster met zegelnummer [nummer 1]. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat die hoeveelheden vele malen lager liggen dan de toegestane limiet uit de ISO-norm uit
- Dat de VLSFO vanwege de geconstateerde hoeveelheid FAME niet aan geldende norm ISO 8217:2017 voldeed, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Bunker Partner c.s. heeft ter zitting nog gesteld dat uit de ISO-norm volgt dat er niet bewust FAME in de VLSFO mag worden bijgemengd (‘no deliberate blending of FAME’), maar niet concreet gesteld of doen blijken dat hiervan in dit geval sprake is. In het CWA-rapport wordt daarvan ook niet uitgegaan: “The FAME species would, in all likelihood be associated with either gasoil containing FAME species being used as a blend stock or with FAME/biodiesel being handled in the same shoreline system and/or tank farm. The presence of FAME/biodiesel is ubiquitous in all terminals handling petroleum products and therefore the presence of same at limited concentrations is unsurprising, in my view.” 5.
- De vraag of de aanwezige hoeveelheid FAME de veiligheid van het schip in gevaar heeft gebracht of de prestaties van de motoren negatief heeft beïnvloed - als bedoeld in Regulation 18
(3)MARPOL - valt samen met de vraag naar het causaal verband en komt in het volgende onderdeel aan de orde. 5.23. De discussie tussen partijen heeft zich in de loop van de procedure vooral gericht op de aanwezigheid van Cardanol Monoene – een biologische koolwaterstof die (in dit geval) afkomstig is uit cashew shell nut liquid – en de vraag of de VLSFO in dat opzicht aan de geldende normen voldeed. 5.24. De rechtbank is van oordeel dat Bunker Partner c.s. gelet op de betwistingen van Golden Arrow onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd dat de aanwezigheid van Cardanol Monoene in de geleverde VLSFO strijd oplevert met de in ISO 8217:2017 gestelde producteisen. Als gezegd is niet betoogd of gebleken dat de norm een limiet stelt aan de eventueel aanwezige Cardanol Monoene. De enkele aanwezigheid van (deze concentratie) daarvan in de bunkers - hoe onverwacht misschien ook - levert daarom nog geen strijd op met de norm. Golden Arrow heeft betoogd dat het intreden van de verlaging van het zwavelgehalte in 2020 een uitdaging opleverde voor de aanbieders van bunkers en dat dat leidde tot aanpassing van de in 2017 vernieuwde ISO:8217. De VLSFO mocht op grond van de in 2017 herziene norm ook andere stoffen bevatten dan koolwaterstoffen uit aardolie, en dus ook koolwaterstoffen van biologische aard (‘hydrocarbons from synthetic or renewable sources’). Zonder een verdere toelichting van Bunker Partner c.s. waaruit dan concreet blijkt dat de aanwezigheid van Cardanol Monoene een schending van de ISO-norm oplevert of welk percentage Cardanol Monoene een schending oplevert, is het CWA-rapport onvoldoende als onderbouwing voor het standpunt van Bunker Partner c.s. In de analyse van Viswalab wordt weliswaar - op grond van onderzoek verricht volgens de verouderde norm uit 2010 - geconstateerd dat er een hoge hoeveelheid Cardanol Monoene is gemeten in de VLSFO, maar waarom en waaruit blijkt dat die hoeveelheid te hoog is en in strijd is met de ISO-norm uit 2017 is niet verder toegelicht. Het Evdemon-rapport verwijst voor de normschending naar het CWA-rapport. De hiervoor in r.o. 5.18 geciteerde conclusie in het CWA-rapport is geen harde conclusie omdat daarin de woorden ‘likely’ en ‘would have’ worden gebruikt. De rechtbank verstaat dit rapport zo - gelet op het in ISO 8217:2017 ontbreken van specifieke eisen ter zake van Cardanol Monoene - dat CWA het geleverde meer in het algemeen in strijd acht met de norm en MARPOL omdat de VLSFO in haar visie, kort gezegd, ongeschikt was en motorschade heeft veroorzaakt. Dit standpunt valt - net als over de FAME is overwogen - samen met de vraag naar het causaal verband en wordt hieronder behandeld. Dat de VLSFO ongeschikt of gevaarlijk was en VLSFO (motor)schade heeft veroorzaakt is niet voldoende onderbouwd 5.25. De rechtbank begrijpt Regulation 18 MARPOL zo, dat VLSFO geen stoffen mag bevatten die schade veroorzaken of toebrengen aan (de motoren van) het schip. 5.26. De enkele aanwezigheid van FAME is door de ISO-norm toegestaan tot boven het aangetroffen gehalte. Daaruit volgt dat het zonder bijkomende bijzondere omstandigheden - die onvoldoende zijn gesteld en gebleken - niet voor de hand ligt om aan te nemen dat de FAME tot de ondervonden motorschade heeft geleid en om die reden in strijd is met Regulation 18 MARPOL. Ook CWA vindt dat onwaarschijnlijk: “Whilst it is not possible, due to a lack of available industry data, to unequivocally state what the effect of the various species identified during GC-MS testing will be, I consider it unlikely, on basis of past experience that either the species associated with secondary refining processes and/or the FAME compounds would have adversely affected the vessel's engines. (...) I consider it unlikely that the compounds associated with secondary refining and/or the FAME species would have resulted in engine damage (…)” 5.27. Dat Cardanol Monoene per definitie schadelijk is, zodat de enkele aanwezigheid daarvan en/of van de toegevoegde cashew nut shell liquid - in welke concentratie dan ook - in de VLSFO al een schending zou zijn van Regulation 18 MARPOL is niet gebleken en niet onderbouwd gesteld. Bij die stand van zaken is het aan Bunker Partner c.s. om concreet te stellen en voldoende te motiveren dat de in de VLSFO aanwezige Cardanol Monoene de motorschade heeft veroorzaakt. 5.28. Voor de onderbouwing van dit causaal verband verwijst Bunker Partner c.s. naar de hiervoor (onder 5.17.1) geciteerde conclusie uit het Evdemon-rapport. De rechtbank constateert dat Evdemon het causaal verband niet concreet en specifiek beredeneert en onderbouwt met een technische analyse waarin specifiek het verband blijkt tussen de gebruikte VLSFO en de motorschade wordt vastgesteld. Waarom bepaalde beschadigingen aan de (onderdelen van
- de)motor zijn terug te voeren op het gebruik van de Cardanol Monoene in de VLSFO is niet toegelicht. Evdemon bereikt haar conclusie op grond van hetgeen de bemanning rapporteert en ‘in the absence of any other evidence to the contrary’. Golden Arrow heeft als bezwaren tegen het Evdemon-rapport ingebracht dat geen onderzoek is gedaan naar andere oorzaken van de (motor)schade, zoals eerdere motorproblemen, het vermengd kunnen zijn geraakt van de geleverde VLSFO met andere (restanten van) bunkerolie in de tanks van het schip en het ontbreken van metallurgisch onderzoek aan de onderdelen van de brandstofpompen en de onderdelen van de verstuivers. 5.29. De opmerking in het CWA-rapport dat deze expert andere gevallen heeft behandeld “wherein the presence of pentadecylphenol and associated compounds were associated with excessive abrasion wear/pitting of the fuel injectors/fuel pumps” bevat ook geen toelichting en onderbouwing van het vermeende verband tussen het gebruik van de VLSFO met Cardanol Monoene en de motorschade in dit concrete geval. 5.30. Aldus is de door Bunker Partner c.s. aangereikte onderbouwing nogal algemeen en speculatief en mist deze gewicht. Daarnaast laat Bunker Partner c.s. na om de door Golden Arrow genoemde mogelijke alternatieve schadeoorzaken te (doen) onderzoeken en deze onderbouwd te weerleggen. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door een verklaring van de chief engineer aan te leveren over de technische staat van de motoren voorafgaand aan de ingebruikname van de VLSFO. Ook had zij nader in moeten gaan op het verweer dat de VLSFO mogelijk vermengd is geraakt aan boord voordat het in gebruik werd genomen. In de zittingsagenda is Bunker Partner c.s. concreet verzocht om (onder meer) toe te lichten wat de inhoud van diverse opslagtanks was toen daar de geleverde VLSFO in werd gepompt en vanuit welke (brandstof)tank de bewuste VLSFO op 13 april 2022 in gebruik is genomen en wat op dat moment de inhoud daarvan was. In zaken waarin ter discussie staat of ontstane motorproblemen zijn te wijten aan ingebruikname van VLSFO, is het immers van belang om vast te stellen welke brandstof precies is verstookt in de periode voorafgaand aan de motorproblemen, en ook in dit geval is relevant of het inderdaad de door Golden Arrow Bunker Partner c.s. geleverde (onvermengde) VLSFO is die op/vanaf 13 april 2022 in de motor(
- en)is terechtgekomen. Op de zitting is namens Bunker Partner c.s. wel verklaard welke hoeveelheden volgens haar in de tanks aanwezig waren en dat de door Golden Arrow geleverde VLSFO werd bewaard in afzonderlijke tanks, maar haar redenen van wetenschap zijn onduidelijk gebleven. 5.30.1. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat er verschillende procedures worden gevoerd over schepen die na het in gebruik nemen van VLSFO met bepaalde gehalten van bijvoorbeeld FAME of Cardanol Monoene motorproblemen hebben ondervonden, en ook dat Golden Arrow in een aantal van die zaken als leverancier wordt aangesproken. Dat in bepaalde gevallen een verband tussen VLSFO en motorproblemen lijkt te bestaan (zie ook het geciteerde CWA-rapport) is echter onvoldoende om zodanig causaal verband ook in dit geval aan te nemen. Of en hoe schade ontstaat hangt immers af van alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien, waarbij geldt dat in veel gevallen niet alle mogelijkerwijs relevante omstandigheden aan het licht komen. Bunker Partner c.s. betwist in dit geval niet de stelling van Golden Arrow dat andere schepen die VLSFO uit dezelfde batch geleverd kregen niet met motorproblemen geconfronteerd werden. 5.31. De onzekerheden over de veroorzaking en de te algemene en zwakke onderbouwing van het causaal verband door de deskundigen maken dat Bunker Partner niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de door Golden Arrow geleverde VLSFO (in het bijzonder vanwege de daarin aanwezige FAME en/of de Cardanol Monoene) ongeschikt was voor gebruik of gevaarlijk voor het schip of de scheepsmotoren en daarom in strijd met Regulation 18 MARPOL. Conclusie ten aanzien van de vorderingen 5.32. De rechtbank zal de vorderingen van Bunker Partner afwijzen omdat onvoldoende feiten zijn gebleken die steun bieden aan haar stelling dat de door Golden Arrow geleverde bunkerolie niet voldoet aan de uit de overeenkomst voortvloeiende eisen. De rechtbank ziet in de door Bunker Partner geboden onderbouwing in samenhang met de feiten onvoldoende aanleiding voor bewijslevering. De rechtbank zal de vorderingen van Evomarine afwijzen omdat Evomarine geen schade heeft geleden in haar eigen vermogen. 5.33. Aan beoordeling van de verdere stellingen en verweren van partijen, over onder meer de vorderingsgerechtigdheid van Bunker Partner, de schadeomvang, de klachttermijn in de NOVE-voorwaarden, het beroep op exoneratie en de vraag of die beroepen in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn dan wel of er sprake is van grove schuld, komt de rechtbank niet toe. Proceskosten 5.34. Bunker Partner c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Golden Arrow worden begroot op: - griffierecht € 8.519,00 - salaris advocaat € 8.714,00 (2,0 punten × tarief € 4.357,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging als vermeld in de beslissing) € 17.411,00. 6De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen af; 6.2. veroordeelt Bunker Partner c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Golden Arrow tot op heden begroot op € 17.411,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als Bunker Partner c.s. niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Bunker Partner c.s. € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan, mr. P.C. Santema en mr. dr. I. Koning en door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2024. 3266/1885/32/2950