RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10863260 CV EXPL 24-177 datum uitspraak: 30 augustus 2024 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats], eiser in conventie en verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. drs. C. Sneevliet, tegen [gedaagde], die handelt onder de naam [handelsnaam], vestigingsplaats: [vestigingsplaats], gedaagde in conventie en eiser in reconventie, gemachtigde: mr. R. van der Hoeff. De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd. 1De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 19 december 2023, met bijlagen; het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen; het antwoord in reconventie, met bijlagen. 1.2. Op 2 mei 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] (broer van [eiser]) met [naam 2] namens de gemachtigde; [gedaagde] met mr. Van der Hoeff. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] huurt van [eiser] een winkelruimte aan [adres]. De huur die bij de start van de huur in januari 2018 is afgesproken is € 1.750,00 per maand. [eiser] stelt dat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft en eist in deze zaak van hem € 9.448,92 plus rente, € 1.714,98 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw en ook proceskosten plus rente. [gedaagde] is het daar niet eens. Volgens hem is [eiser] onterecht uitgegaan van een hogere huur. [gedaagde] stelt bovendien een eis in reconventie (tegeneis) in en eist herstel van gebreken, huurprijsvermindering en vergoeding van kosten. [eiser] is het niet eens met de tegeneis. Hij vindt kort gezegd dat er geen gebreken (meer) zijn en dat [gedaagde] geen aanspraak heeft op huurprijsvermindering. in conventie [gedaagde] heeft geen betalingsachterstand 2.2. [gedaagde] heeft geen betalingsachterstand over januari 2019 tot en met december 2023. De huur in die periode is € 1.750,00 per maand en niet in discussie staat dat [gedaagde] die huur maandelijks heeft betaald. [eiser] eist over die periode het verschil tussen de oorspronkelijke huurprijs en de geïndexeerde huurprijs, maar daar heeft hij geen recht op. 2.3. In artikel 4.2 van de huurovereenkomst staat wel dat de huurprijs jaarlijks per 1 januari zal worden verhoogd op basis van de consumentenprijsindex, maar de partijen hebben daar in voornoemde periode geen uitvoering aan gegeven. Uit de appberichten van mei 2023 blijkt dat [eiser] die indexering niet heeft doorgevoerd vanwege de goede relatie. Hij kan de indexering nu niet alsnog met terugwerkende kracht over het verleden doorvoeren. 2.4. In de appberichten van mei 2023 staat verder dat [eiser] de huurprijs vanaf juni 2023 zal verhogen naar € 2.000,00 per maand, maar in deze zaak gaat hij uit van € 2.175,13 vanaf 1 januari 2023. Die laatste huurprijs is gebaseerd op een reeks indexeringen van de huurprijs vanaf 2019. Voor zover [eiser] van mening is dat de huurprijs in 2023 kan worden geïndexeerd op basis van de huurovereenkomst, kan hij daar niet in worden gevolgd. [eiser] heeft namelijk niet eerder dan in mei 2023 kenbaar gemaakt dat hij voor het eerst wil gaan indexeren en artikel 4.2 van de huurovereenkomst bepaalt dat er per 1 januari kan worden geïndexeerd. Alleen al om die reden kan van indexering in 2023 geen sprake zijn. 2.5. Overigens noemt [eiser] de indexering in de stukken soms ‘huurverhoging’, maar van een huurverhoging is geen sprake. Voor het verhogen c.q. wijzigen van de huurprijs is een procedure bepaald in de wet (artikel 3:303 e.v. BW) en [eiser] heeft die niet gevolgd. [gedaagde] hoeft geen rente en buitengerechtelijke kosten te betalen 2.6. De nevenvorderingen over rente en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat de hoofdvordering wordt afgewezen. [eiser] moet de proceskosten betalen 2.7. [eiser] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 812,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 947,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.8. Dit vonnis wordt wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat vraagt en [eiser] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). in reconventie Herstel van gebreken, huurprijsvermindering en vergoeden van kosten? 2.9. [gedaagde] stelt dat er gebreken zijn. Hij wil kort gezegd dat [eiser] die gebreken verhelpt en een vermindering van de huurprijs totdat de gebreken zijn verholpen. Ook wil hij dat [eiser] de door hem gemaakte kosten voor het verhelpen van gebreken vergoedt. 2.10. Vooropgesteld wordt dat een gebrek een staat of een eigenschap is van het gehuurde waardoor deze aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak als het gehuurde (artikel 7:204 lid 2 BW). De verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen (artikel 7:206 lid 1 BW). Als de verhuurder daarmee in verzuim is, dan kan de huurder dit zelf verrichten en de daarvoor gemaakte redelijke kosten op de verhuurder verhalen, desgewenst door deze in mindering van de huurprijs te brengen (artikel 7:206 lid 3 BW). Een huurder kan in geval van vermindering van het huurgenot als gevolg van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk kennis heeft gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen (artikel 7:207 lid 1 BW). Het gaat hierbij niet om zomaar elke vermindering van het huurgenot, maar alleen om een substantiële vermindering. 2.11. Aan het beroep op huurprijsvermindering van [gedaagde] staan geen algemene bepalingen in de weg. Er zijn namelijk geen algemene bepalingen van toepassing op de huurovereenkomst. De enkele verwijzing naar een aantal artikelnummers van “de algemene bepalingen” in artikel 4 van de huurovereenkomst over de huurprijs is onvoldoende. Daaruit kan niet worden afgeleid dat (een set) algemene bepalingen van toepassing wordt/worden verklaard. Een omschrijving of versie van “de algemene bepalingen” ontbreekt bovendien. Ook corresponderen de genoemde artikelnummers in artikel 4 van de huurovereenkomst niet met de vermoedelijk bedoelde artikelen in de door [eiser] overgelegde algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW (ROZ-model 2012). Daarbij komt dat in geschil is of de handtekening op de laatste bladzijde van de door [eiser] overgelegde algemene bepalingen echt van [gedaagde] is, maar zelfs als die van hem is, maakt dat enkele feit niet dat de toepasselijkheid van die algemene bepalingen is overeengekomen. Kelder 2.12. [gedaagde] krijgt geen huurprijsvermindering voor wateroverlast (een laag water) en schimmel in de kelder en [eiser] wordt niet veroordeeld om lekkage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.