RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/669648 / HA ZA 23-1037 Vonnis van 28 augustus 2024 in de zaak van 1 [persoon A] , 2. [persoon B] , beiden wonende te Rotterdam, eisende partijen in conventie, verweerders in reconventie, hierna samen (in enkelvoud) te noemen: [persoon A] , advocaat: mr. I.R.P.J. van Ham, tegen [persoon C] , wonende te New York (VS), gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen: [persoon C] , advocaat: mr. L.W. van de Wetering. 1De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 18 augustus 2023 met producties 1-24; de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties 1-44; de oproepingsbrieven en de zittingsagenda van de rechtbank; de brief van 26 april 2024 van [persoon C] met producties 45-47; de conclusie van antwoord in reconventie met producties 25-50; de akte wijziging eis in reconventie van [persoon C] , en productie 48; de mondelinge behandeling van 7 mei 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de akte van [persoon A] ; de (antwoord)akte van [persoon C] . 2Inleiding en vaststaande feiten 2.1. Dit geschil gaat over een berghok en een – in drie delen onderscheiden – berging, aan de achterkant van een begane grondverdieping van het pand aan de [adres 1] te Rotterdam. Dit pand met grond is in 2003 gesplitst in drie appartementsrechten, die zien op de begane grondverdieping (45A), de eerste verdieping met de tuin op de begane grond (45B), en de tweede- met zolderverdieping (45C). 2.2. De akte van splitsing van 11 maart 2003 houdt onder meer in: "Het gebouw met de daarbij behorende grond zal worden gesplitst in de volgende appartementsrechten: 1. het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond met verder toebehoren, plaatselijk bekend [adres 2] te [postcode] Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Hillegersberg, sectie [sectie] complexaanduiding [complexnummer] , appartementsindex [indexnummer 1] ; 2. het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de eerste verdieping met tuin op de begane grond met verder toebehoren, plaatselijk bekend [adres 3] te [postcode] Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Hillegersberg, sectie [sectie] complexaanduiding [complexnummer] . appartementsindex [indexnummer 2] ; 3. het appartementsrecht (…) (…) Op de tekst van het model-reglement worden hierbij de navolgende aanvullingen enlof wijzigingen vastgesteld: (…) " Artikel 17 De eerste zin van lid 4 wordt gewijzigd in: 'iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé-gedeelte te gebruiken overeenkomstig de bestemming'. Deze is voor op de begane grond gelegen privégedeelte: bedrijfsruimte en voor elk der overige privé-gedeelten: woning voor privé-doeleinden. (…)” 2.3. [persoon C] is appartementseigenaar van de begane grondverdieping (index [indexnummer 1] ; kadastraal bekend Hillegersberg [perceelnummer 1] ), vanaf 25 juni 2003 als medegerechtigde en sinds 10 februari 2009 als enige gerechtigde. Hij woont daar niet, maar verhuurt in de (bedrijfs)ruimte stallingsplaatsen voor motoren. [persoon A] is (samen met [persoon B] ) sinds 4 april 2022 appartementseigenaar en bewoner van de eerste verdieping met de tuin (index [indexnummer 2] ; kadastraal bekend Hillegersberg [perceelnummer 2] ). De tuin is vanaf de eerste verdieping te bereiken via een buitentrap die in de tuin uitkomt. 2.4. De splitsingstekening bij de akte van splitsing (deels): 2.5. Partijen hebben in 2022, met name via e-mailberichten, contact met elkaar gehad over diverse (nuts)voorzieningen in de ruimte op de begane grond, van en naar de eerste verdieping. In een e-mail van 31 maart 2022 aan [persoon A] bericht [persoon C] onder meer: “Ik heb van mijn kant ook nog een aantal vragen die ik met jullie wil bespreken. Ik had een afspraak met [persoon D] die ruwweg het volgende behelste (en die ik ook graag weer met jullie wil maken) en volgens gesloten beurzen liep (ie ik reken hem niets en hij rekent mij niets): 1. Jullie kunnen de boiler in de garage houden 2. Jullie kunnen de kabels/connecties/aansluitingen door de garage laten lopen; 3. De garage is verbonden aan de elektriciteitsmeter van jullie appartement (maw heeft geen eigen aansluiting). De garage heeft niet echt veel gebruik van elektriciteit (licht aan/uit, de video camera's, en hier een daar een druppelaar voor een motor in de winter). De boiler is denk ik het item dat de meeste elektriciteit verbruikt en het gebruik is natuurlijk geheel voor jullie), 4. De video camera's zijn verbonden aan het Wifi netwerk van jullie appartement. Dit maakt geen gebruik van de capaciteit van het Wifi, alleen maar als ik vanuit de USA inlog om de camera's te checken (wat misschien 1 maal in de 6 maanden voorkomt). Als we dan toch het plafond deels open moeten maken dan zou ik graag een Lan-6 kabel te laten lopen van jullie router naar de ruimte waar de hard drive van de camera's staat. Dan is de connectie wat beter (hardwire) Ik vond dat, en vindt nog steeds dat dit een eerlijke uitruil. Dus dat wil ik graag overleggen. (…) “ 2.6. Het berghok (ook aangeduid als: het opslaghok) en een afgescheiden deel van de berging (aangeduid als berging A) zijn, van binnenuit, in gebruik bij [persoon C] . De berging wordt voor het overige (aangeduid als bergingen B en AB, onderling toegankelijk), vanuit de tuin gebruikt door [persoon A] . 3Het geschil in conventie 3.1. [persoon A] vordert na eisvermindering – samengevat – [persoon C] te veroordelen het gebruik van de grond zoals aangegeven op een tekening (productie 9) te staken en die grond te ontruimen, op verbeurte van een dwangsom. Verder vordert [persoon A] veroordeling tot het verlenen van medewerking aan herstel / bouw van een muur door [persoon A] . [persoon A] vraagt [persoon C] in de kosten te veroordelen, met nakosten en wettelijke rente, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De tekening (deels) die [persoon A] hierbij als productie 9 heeft overgelegd: 3.3. [persoon C] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [persoon A] (hoofdelijk; met [persoon B] ) in de kosten van deze procedure. in reconventie: 3.4. [persoon C] vordert na eiswijziging – samengevat – [persoon A] te veroordelen de berging (specifiek: berging B en berging AB) te ontruimen, op verbeurte van een dwangsom. Verder vordert [persoon C] verklaringen voor recht dat erfdienstbaarheden zijn ontstaan door verjaring ten behoeve van de elektriciteitsaansluiting en de waterleiding, met veroordeling van [persoon A] tot medewerking aan inschrijving daarvan. Ook vordert [persoon C] herstel van de oude situatie met betrekking tot het raam van het berghok, verwijdering van een waterboiler en verwijdering van diverse leidingen, aansluitingen en doorvoeren, een koof met bijbehoren, met herstel van een en ander in de oude toestand, alles op verbeurte van dwangsommen. [persoon C] vraagt veroordeling van [persoon A] (hoofdelijk; met [persoon B] ) in de proceskosten en het vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.5. De aanduiding hierbij van de delen B en AB van de berging door [persoon C] : 3.6. [persoon A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [persoon C] in de kosten van de procedure. 4De beoordeling, in conventie en in reconventie het geschil over de grens; de vordering in conventie tot ontruiming door [persoon C] : 4.1. In geschil is de grens op de begane grond tussen de appartementsrechten van [persoon C] (de bedrijfsruimte) en van [persoon A] (de tuin). Volgens [persoon A] loopt die grens op basis van de splitsingstekening zodanig dat het opslaghok en de gehele berging onder zijn appartementsrecht vallen. Zijn hierop gebaseerde vorderingen strekken tot ontruiming daarvan door [persoon C] en tot ter beschikking stellen ervan met een muur tussen de bedrijfsruimte en de berging (A). 4.2. [persoon C] heeft gemotiveerd aangevoerd dat er geen muur heeft gezeten tussen de bedrijfsruimte en (deel A van) de berging, maar openslaande deuren. [persoon A] heeft dit niet (langer) weersproken op de zitting, maar volstaan met de opmerking dat (ook) dan tenminste iets van muur aan weerszijden van de openslaande deuren moet hebben gezeten. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de stelling op dit punt van [persoon C] . De foto's en tekeningen in het dossier passen hier ook bij en geven geen aanleiding tot twijfel hierover. Verder is op de zitting vastgesteld dat, indien (veronderstellenderwijs) moet worden uitgegaan van de maatgeving en verhoudingen in de splitsingstekening, volgens beide partijen de scheidslijn op de splitsingstekening loopt ter hoogte van het begin (/de voorkant, waar de houten deur zit aan de kant van de garage / bedrijfsruimte) van het opslaghok en vervolgens in rechte lijn door ter plaatse waar vroeger de openslaande deuren waren. Volgens [persoon A] is dit een juiste aanduiding van de grens tussen beide appartementsrechten, welke aanduiding op de splitsingstekening de feitelijke grondslag van zijn vorderingen vormt. Volgens [persoon C] klopt de scheidslijn op de splitsingstekening niet, en moet die lopen ter hoogte van de achterkant van het opslaghok en dan verder in rechte lijn door langs de achterkant van de berging. [persoon C] beroept zich op de bewoordingen van de akte, waaruit volgens hem volgt dat er geen berging bij de tuin hoorde ten tijde van de splitsing. 4.3. Bij de beantwoording van de vraag hoe de juridische grens loopt tussen de beide appartementsrechten, is van belang dat de splitsing in appartementsrechten een goederenrechtelijke regeling is, die is vastgelegd in de splitsingsstukken; de splitsingsakte met de bijbehorende splitsingstekening. Deze stukken en de hieraan ten grondslag liggende partijbedoeling dienen op objectieve wijze te worden uitgelegd op basis van deze stukken, dus aan de hand van de bewoordingen en de tekening, waarbij onder omstandigheden ook de waarneembare feitelijke omstandigheden een rol kunnen spelen. De achterliggende reden voor deze objectieve uitleg is het maatschappelijke belang van de rechtszekerheid. De akte met tekening is ingeschreven in de openbare registers. Derden – onder wie (mogelijke) kopers – moeten kunnen afgaan op de inhoud van de stukken die in de registers kunnen worden geraadpleegd. [persoon C] heeft aan de hand van een groot aantal producties een uitvoerige toelichting gegeven op het historische gebruik van de onderhavige ruimtes. Voor zover deze feiten en omstandigheden geen betrekking hebben op de splitsingsstukken zijn zij niet van belang bij de uitlegmaatstaf als hiervoor omschreven. 4.4. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank tot het oordeel dat de juridische grens niet door de bebouwde ruimte van de begane grond loopt zoals [persoon A] heeft betoogd, dus niet in een rechte lijn langs de voorkant van het berghok. Ondanks de omstandigheid dat de door [persoon A] bepleite feitelijke situering van de rechte grens(lijn), gelet op de kaartschaal, past bij de maatvoering van de tekening, is dit niet de meest aannemelijke uitleg van de akte met tekening. De rechtbank heeft voor dit oordeel doorslaggevende betekenis toegekend aan de volgende omstandigheden. 4.4.1. In de eerste plaats past de door [persoon A] gegeven uitleg niet bij hetgeen volgens de omschrijving in de akte behoort tot de te onderscheiden appartementsrechten, te weten enerzijds 'de woning gelegen op de eerste verdieping met tuin op de begane grond' en anderzijds 'de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond'. Gegeven de omstandigheid dat de tuin vanuit de woning direct bereikbaar is via de op de splitsingstekening ingetekende buitentrap die uitkomt in de tuin, kan onder 'tuin' bezwaarlijk worden begrepen een deel van de aangesloten bebouwing op de begane grond. Toevoeging van ‘en verder toebehoren’ in de omschrijving van het appartementsrecht leidt niet tot andere conclusie. Dit is in soortgelijke beschrijvingen een vaak gebruikte en algemene aanduiding, niet specifiek genoeg om daaraan de door [persoon A] bepleite betekenis te geven. Aannemelijk is dat met deze tekstuele splitsing van de begane grond in tuin enerzijds en bedrijfsruimte anderzijds, is beoogd de grens te leggen tussen het onbebouwde deel en het (aaneengesloten) bebouwde deel van de begane grond. 4.4.2. In de tweede plaats maakt de splitsingstekening niet aannemelijk dat is beoogd de grens door het bebouwde deel te leggen op de wijze die [persoon A] heeft bepleit. Vastgesteld moet worden dat op de tekening niet of niet op juiste wijze de loop van de achterzijde van de bebouwing op de begane grond is ingetekend. Er is volgens de kleine overzichtsschets op de splitsingstekening sprake van een deels uitstekend deel van de bebouwing aan de achterzijde (op de begane grond: het berghok), overeenstemmend met de andere kaarten en foto’s in het dossier. Dat deel is echter niet ingetekend bij de weergave van de bebouwing op de begane grond, wel bij de – juiste – weergave van de bebouwing van de bovenliggende verdiepingen. De rechtbank ziet dit als een omissie in de splitsingstekening waardoor de maatvoering van de splitsingstekening wat betreft de achtergrens-lijn niet doorslaggevend kan zijn. 4.4.3. Hierdoor roept de rechte lijn als achtergrens op de splitsingstekening de vraag op of aannemelijk is dat is beoogd aan te geven dat het uitstekende deel (het berghok) wordt afgesplitst van de (aaneengesloten) bebouwing op de begane grond, dan wel dat aannemelijk is dat is bedoeld de grens (in een rechte lijn) achter het berghok te trekken, zodat daarachter het tuindeel pas begint. In deze situatie is het niet in strijd met genoemde objectieve maatstaf om bij de uitleg van de splitsingsstukken mede de kenbare feitelijke situatie te betrekken (HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR2014:337). De rechtbank vindt het niet in de rede liggen dat bij de splitsing is beoogd te regelen dat het berghok niet langer tot de bedrijfsruimte behoort. Dat zou een ingreep betekenen in de bouwkundige en functionele situatie, terwijl de noodzaak of wenselijkheid daarvan zeker niet evident is. Een dergelijke bedoeling zou pas aannemelijk kunnen worden indien dat – anders dan hier het geval is – bij de splitsing tot uitdrukking was gebracht door een expliciete aanduiding op de tekening en/of door een beschrijving van de bergruimte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.