vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/674308 / HA ZA 24-171 Vonnis in incident van 18 september 2024 in de zaak van [persoon A] , wonende te Rotterdam, eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. J. Groot Koerkamp te Zoetermeer, tegen
- de vereniging V.V.E. [naam VvE] TE ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. E.J. Lichtenveldt te Rotterdam,
- [persoon B], wonende te Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, , niet verschenen,
- [persoon C], wonende te Rotterdam, gedaagde, eiser in het incident, advocaat mr. L.M. Bisschop te Dordrecht. Partijen zullen hierna [persoon A] en (afzonderlijk) de vereniging, [persoon B] en [persoon C] genoemd worden. Gedaagden in de hoofdzaak worden gezamenlijk als ‘gedaagden’ aangeduid. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 januari 2024; de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter van [persoon C] ; de conclusie van antwoord van de vereniging; de incidentele conclusie van antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident 2.
- [persoon C] vordert dat de rechtbank de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken. [persoon A] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 2.
- In deze zaak zijn verschillende vorderingen ingesteld tegen verschillende gedaagden. [persoon A] vordert dat de vereniging wordt veroordeeld om zijn appartement in de oude toestand te herstellen conform de werkwijze zoals geadviseerd door een deskundige (vordering 1). Verder vordert hij dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van deze deskundige, te weten een bedrag van € 2.057,00 (vordering 2) en tot betaling van een schadevergoeding wegens – kort gezegd – gederfd woongenot (vordering 3). Deze vordering beloopt € 4.332,00 te vermeerderen met € 69,00 per maand vanaf 1 januari 2024 totdat het appartement in de oude toestand zal zijn hersteld. Ten slotte vordert [persoon A] veroordeling van gedaagden in de buitengerechtelijke incassokosten van € 840,28 (vordering 4). 2.
- Vordering 1 is een vordering van onbepaalde waarde. Een dergelijke vordering wordt door de kantonrechter behandeld, als duidelijke aanwijzingen bestaan dat het daarbij om niet meer gaat dan € 25.000,00 (artikel 93 onder b Rv). Die situatie doet zich hier naar het voorlopig oordeel van de rechtbank voor. Uit het deskundigenbericht waarop [persoon A] zich beroept volgt immers dat de kosten voor de beoogde wijze van herstel worden geraamd op € 2.700,
- 2.
- De overige vorderingen tellen op tot € 7.229,
- Vordering 3 heeft een open einde, omdat daarin mede een bedrag per maand wordt gevorderd totdat de herstelwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Wordt het totaalbedrag zoals bij dagvaarding van de vereniging gevorderd opgeteld bij de waarde van vordering 1 (artikel 94 lid 1 Rv), dan komt dit uit op een totaal van € 9.929,
- Gelet daarop is zeer aannemelijk dat het totale beloop van de omvang en de waarde van alle vorderingen bij elkaar opgeteld, dus inclusief de vordering met een open einde, niet hoger zal zijn dan € 25.000,
- Voor de vorderingen tegen de overige gedaagden geldt dit eens te meer. 2.
- Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank het voornemen de zaak in zijn geheel te verwijzen naar de kantonrechter, dus niet alleen de zaak tussen [persoon A] en [persoon C] . Voor de goede orde wijst de rechtbank erop dat het niet van belang is dat de vereniging geen incidentele vordering tot verwijzing heeft ingesteld. Het gaat hier om een ambtshalve te beoordelen kwestie. 2.
- De vereniging heeft zich nog niet kunnen uitlaten over de eventuele bevoegdheid van de kantonrechter. Zij zal daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld. De zaak wordt daarom verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door de vereniging. 3De beslissing De rechtbank 3.
- verwijst de zaak naar de rol van 2 oktober 2024 voor het nemen van een akte door de vereniging als bedoeld in 2.6; 3.
- houdt iedere (verdere) beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 18 september
- [1980/3455]