vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/672247 / HA ZA 24-75 Vonnis van 25 september 2024 in de zaak van [eiser] , wonende te Hilversum, eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. W.Y. Hofstra te Hilversum, tegen [gedaagde] , wonende te Vlaardingen, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. B. Özates te Rotterdam. Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 10 januari 2024 met producties 1 tot en met 7; de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie van 3 april 2024 met producties 1 tot en met 5; de brief van de rechtbank van 16 april 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald op 25 juli 2024; het bericht van de rechtbank van 14 juni 2024; de conclusie van antwoord in reconventie van 3 juli 2024 tegen zittingsdatum 25 juli 2024; het B8-formulier zijdens de vrouw van 14 juli 2024 tegen zittingsdatum 25 juli 2024, met producties 6 tot en met 8; het bericht van de rechtbank van 22 juli 2024; document zijdens de vrouw getiteld “conclusie van antwoord in conventie tevens houdende gewijzigde eis in reconventie c.q. vermeerdering van eis” van 24 juli 2024 tegen zittingsdatum 25 juli 2024, met drie producties genummerd 6 tot en met 8 (welke door de rechtbank worden begrepen als zijnde producties 9 tot en met 11); de mondelinge behandeling van 25 juli 2024. 1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen zijn op [datum] in Turkije gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij woonden daarvoor al in Nederland, en zijn na het huwelijk in Nederland blijven wonen. 2.2. Na het huwelijk heeft de man een supermarkt, een eenmanszaak, overgenomen van de ouders van de vrouw. Op 5 mei 2022 is de supermarkt weer overgedragen aan de ouders van de vrouw. 2.3. Op 11 juli 2022 heeft de man een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de Rechtbank Midden-Nederland. Op 10 juli 2023 heeft die rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 21 december 2023 ingeschreven in het register van de gemeente. 2.4. Partijen hebben een gemeenschappelijke woning gehad in [plaatsnaam] (hierna: de woning). De woning is verkocht en op 28 december 2023 aan een derde geleverd. 2.5. De man heeft onder de notaris conservatoir derdenbeslag gelegd op het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning. Het aandeel van de man in de overwaarde berust ook onder de notaris. 3Het geschil in conventie 3.1. De man vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat partijen in hun onderlinge verhouding beiden voor de helft aansprakelijk zijn voor de huwelijkse schulden zoals gespecificeerd onder punt 8 van de dagvaarding; II. de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 29.960,56, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding; III. voor recht te verklaren dat de vrouw na voldoening van de onder II gevorderde betaling heeft voldaan aan haar deel van de betalingsverplichtingen met betrekking tot de huwelijkse schulden; IV. de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen een bedrag van € 22.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 mei 2023, dan wel vanaf de dag van de dagvaarding; V. de vrouw te veroordelen in de kosten van het conservatoir beslag; VI. de vrouw te veroordelen in de proceskosten. 3.2. De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen als zijnde ongegrond c.q. onjuist en/of niet bewezen, met veroordeling van de man in de proceskosten. in reconventie 3.3. De vrouw vordert in reconventie, na wijziging van eis, om, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat Nederlands recht van toepassing is bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en uit dien hoofde te bepalen dat de opbrengsten van de woning alsmede het opgebouwde kapitaal aan levensverzekering bij helfte tussen partijen wordt verdeeld; II. voor recht te verklaren dat de vrouw niet draagplichtig is voor de schulden welke ten name van de man dan wel ten name van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] staan en dat alle schulden van de man en van de eenmanszaak geheel voor rekening van de man komen; III. de man te veroordelen om alle schulden te betalen uit het door hem te ontvangen deel van de verkoopopbrengst van de woning; IV. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een schadevergoeding van € 33.287,-; V. de man te veroordelen te betalen de wettelijke rente over € 31.030,85, vanaf 28 december 2023; VI. de man te veroordelen in de proceskosten. 3.4. De man voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen in reconventie, althans afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de vrouw, in de proceskosten, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 4De beoordeling in conventie en reconventie 4.1. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank die vorderingen gezamenlijk behandelen. Deze rechtbank is bevoegd 4.2. Deze zaak heeft een internationaal karakter. De rechtbank zal dan ook ambtshalve moeten toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de onderhavige vorderingen. De vorderingen, die zijn ingesteld na 29 januari 2019, betreffen de vermogensrechtelijke afwikkeling van het reeds ontbonden huwelijk van partijen en de zaak valt daarmee onder het toepassingsgebied van de Huwelijksvermogensverordening (Verordening (EU) 2016/1103). Omdat de vorderingen van partijen niet als nevenverzoek bij een verzoek tot echtscheiding zijn ingediend, maar als zelfstandige vorderingen in een dagvaardingsprocedure, moet de rechtsmacht worden beoordeeld aan de hand van de bevoegdheidsregeling neergelegd in artikel 6 van de Huwelijksvermogensverordening. Omdat partijen bij het aanbrengen van de zaak hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, is de Nederlandse rechter ingevolge artikel 6 onder a van die verordening bevoegd om te beslissen op de onderhavige vorderingen. De rechtbank Rotterdam is bevoegd, gelet op de woonplaats van de vrouw, gedaagde in conventie. Nederlands recht is van toepassing 4.3. Gelet op de datum waarop partijen in het huwelijk zijn getreden, [datum], moet de vraag naar het toepasselijke recht worden beantwoord aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: HHV). Vaststaat dat partijen ten aanzien van hun huwelijksvermogensstelsel geen rechtskeuze hebben uitgebracht. Ook staat vast dat beide partijen al voor hun huwelijk zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit hadden en dat zij die nog steeds hebben. Op grond van artikel 4 HHV is daarom het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen, omdat zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd. Tussen partijen gold een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. 4.4. Het huwelijk van partijen is gesloten na 1 januari 2018. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgemaakt. Dat betekent dat artikel 1:94 BW zoals dat luidt sinds 1 januari 2018 van toepassing is, zodat tot de ontbinding van het huwelijk een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen tussen partijen bestond. Partijen zijn ieder draagplichtig voor de helft van de gemeenschappelijke schulden 4.5. De man stelt dat tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap schulden zijn ontstaan bij Anur Halalfood B.V., Krmaz Zoetwaren, Supervers B.V., Elka Food B.V., de Regionale Belasting Groep (gemeentelijke heffingen), de Belastingdienst (omzetbelasting), Vattenfall (energie), en zijn ouders. De vrouw heeft het bestaan van de schuld aan de ouders van de man betwist. De man heeft deze schuld vervolgens niet nader onderbouwd, zodat hij voor wat betreft deze schuld niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Deze schuld zal daarom, als niet vaststaand, buiten beschouwing worden gelaten. Voor wat betreft de overige zeven schulden (hierna: de supermarktschulden) heeft de vrouw de stelling van de man niet betwist. De vrouw betwist slechts bij gebrek aan wetenschap de hoogte van deze schulden op de peildatum (11 juli 2022). Het bestaan van de supermarktschulden staat dus tussen partijen vast, en ook staat tussen hen vast dat deze schulden zijn ontstaan tijdens het bestaan van de beperkte huwelijksgemeenschap. 4.6. Op grond van artikel 1:94 lid 7 BW behoren de supermarktschulden, omdat zij zijn ontstaan tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap, tot de huwelijksgemeenschap. Uit het bepaalde in artikel 1:100 lid 1 BW volgt dat partijen in beginsel ieder voor de helft van de gemeenschapsschulden draagplichtig zijn. In beginsel zijn partijen dan ook ieder voor de helft draagplichtig voor de supermarktschulden. 4.7. De vrouw doet een beroep op de uitzondering van artikel 1:100 lid 2 BW. Zij voert aan dat de supermarktschulden niet zijn betaald omdat de man geld heeft vergokt. Om die reden moet de man volledig draagplichtig zijn voor de supermarktschulden, aldus de vrouw. Volgens de man gokte de vrouw ook en is artikel 1:100 lid 2 BW niet van toepassing omdat de goederen van de gemeenschap niet ontoereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen. 4.8. Artikel 1:100 lid 2 BW luidt: Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. Volgens deze bepaling is een aanpassing van de draagplicht dus uitsluitend mogelijk indien de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen. Als onbetwist staat vast dat deze situatie zich niet voordoet. Dat betekent dat het beroep van de vrouw op deze bepaling faalt. 4.9. Van een aanpassing van de draagplicht buiten het kader van artikel 1:100 lid 2 BW kan slechts sprake zijn indien sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor onverkorte toepassing van de regel van artikel 1:100 lid 1 BW (draagplicht bij helfte) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn door de vrouw niet gesteld, zodat tussen partijen de hoofdregel van artikel 1:100 lid 1 BW geldt: zij zijn ieder voor de helft draagplichtig voor de gemeenschapsschulden. 4.10. Omdat de supermarktschulden op de peildatum (11 juli 2022) tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden en omdat partijen ieder draagplichtig zijn voor de helft daarvan, zijn zij ook ieder voor de helft draagplichtig voor de op die schulden opgelopen rente en kosten na de peildatum. Partijen moeten dus ieder de helft dragen van de supermarktschulden, inclusief de na 11 juli 2022 opgelopen rente en kosten. 4.11. De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld om haar helft van de supermarktschulden aan hem te betalen. De rechtbank ziet daar echter geen aanleiding toe. De man erkent dat hij geen (regres)vordering heeft op de vrouw ter zake van de supermarktschulden, dus de vrouw heeft voor wat betreft de supermarktschulden geen betalingsverplichting jegens de man. 4.12. Het voorgaande leidt ertoe dat de door de man sub I in conventie gevorderde verklaring voor recht (dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden zoals gespecificeerd onder punt 8 van de dagvaarding) wordt toegewezen voor wat betreft de supermarktschulden (waar de door de man gestelde schuld aan de ouders van de man dus niet toe behoort). Het door de man sub II gevorderde, te weten veroordeling van de vrouw tot betaling van € 29.960,56 aan de man ter zake van de gemeenschapsschulden, wordt afgewezen. De door de man sub III gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen omdat de man geen belang bij die vordering heeft gesteld. De door de vrouw sub II in reconventie gevorderde verklaring voor recht (dat zij niet draagplichtig is voor de schulden van de eenmanszaak) wordt afgewezen, 4.13. Onder III in reconventie vordert de vrouw dat de man wordt veroordeeld om alle schulden van de eenmanszaak te betalen uit het door hem ontvangen deel van de verkoopopbrengst van de woning. Deze vordering is niet toewijsbaar voor wat betreft alle schulden. Gelet op hetgeen in 4.10 is overwogen moet de man van het openstaande saldo (inclusief rente en kosten) van de supermarktschulden de helft betalen, verminderd met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.