Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10-038092-23 Datum uitspraak: 23 september 2024 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres], raadsman mr. K. Haak, advocaat te Zoetermeer. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 september 2024. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. K.P. Mandos heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren. 4Waardering van het bewijs 4.1. Het primair en subsidiair ten laste gelegde 4.1.1. Standpunt officier van justitie Aangevoerd is dat de verdachte meerdere verkeersfouten heeft gemaakt. Zij heeft niet goed opgelet terwijl zij op de linker weghelft achteruit reed langs een stilstaande auto, heeft daarbij geen voorrang verleend aan het op het zebrapad overstekende slachtoffer en niet op tijd geremd voor dit slachtoffer, waardoor een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het slachtoffer moet met haar rollator al enige tijd op het zebrapad hebben gelopen, gezien de plek waar zij is aangereden. Er is daarom bij de verdachte sprake van meer dan alleen een tijdelijke onoplettendheid. Gelet op het samenstel van gedragingen heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gereden en is het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval aan haar schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), te wijten. 4.1.2. Standpunt verdediging De verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit. De gedraging van de verdachte is aan te merken als één enkele verkeersfout, namelijk het niet tijdig opmerken van het slachtoffer, waardoor een botsing heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een enkel moment van onoplettendheid. Dit maakt dat er geen evident gevaarlijk rijgedrag is vertoond en niet is voldaan aan de minimale normen die gelden voor bewezenverklaring van een overtreding van artikel 6 WVW en evenmin van artikel 5 WVW. 4.1.3. Beoordeling Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval plaatsvond. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Vast staat dat de verdachte op 3 november 2022 als bestuurder van een personenauto op de [straatnaam] in Spijkenisse het slachtoffer, een voetganger, op een zebrapad heeft aangereden. De verdachte zag zich door het vastgelopen verkeer gedwongen om ruimte te maken door achteruit te rijden over het zebrapad, waar het slachtoffer op dat moment bezig was met oversteken. De verdachte heeft, voordat zij naar achter reed, via haar spiegels en over haar schouder gekeken of er iemand aan het oversteken was. Toen zij dacht dat de weg vrij was, is zij – vanuit stilstand – achteruit gereden. Daarbij heeft zij het slachtoffer geraakt, waardoor zij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Gelet op het voorgaande staat vast dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien en (daarom) geen voorrang heeft verleend, waar dat wel had gemoeten. Zij heeft wel, voordat zij de bijzondere manoeuvre verrichtte, gekeken of iemand zich op het zebrapad bevond. Zij heeft daarbij ten minste één andere voetganger opgemerkt en voorbij laten lopen, voordat zij achteruit reed. Het slachtoffer heeft zij echter niet gezien. Niet is gebleken dat de verdachte andere gedragingen heeft verricht of juist heeft nagelaten die erop wijzen dat zij op een andere wijze onvoorzichtig of onoplettend heeft gereden. Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte een verkeersdeelnemer aan wie zij voorrang had moeten verlenen niet heeft gezien, volgt niet dat zij zich ‘aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen’ als bedoeld in artikel 6 WVW. Van het primair ten laste gelegde feit zal de verdachte daarom worden vrijgesproken. Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW. Door het overstekende slachtoffer niet op te merken en geen voorrang te verlenen, terwijl de verdachte wist dat zij achteruit een zebrapad op reed, heeft de verdachte gevaar op de weg veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW. Dit gevaar heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Door de gedraging van de verdachte heeft immers een ongeval plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit. 4.1.4. Conclusie De verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Het subsidiair ten laste gelegde feit wordt bewezen verklaard. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: zij, op 3 november 2022 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam] (ter hoogte van nummer [nummer]), - niet heeft opgemerkt dat een voor haar, verdachte, van achter passerende voetganger, genaamd [slachtoffer], op de voetgangersoversteekplaats liep en- die [slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en- in botsing of aanrijding is gekomen met die [slachtoffer], waarbij zij ten val is gekomen, door welke gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.