Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummer] uitspraakdatum: 17 april 2025 [verzoektser] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats], verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 17 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 17 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025. Ter zitting van 10 april 2025 zijn verschenen en gehoord: De heer mr. J. Verheij, werkzaam bij JAW Advocaten, advocaat van verzoekster (hierna: advocaat); [naam], werkzaam bij Stichting Havensteder (hierna: verweerster). De advocaat heeft per e-mail op 4 april 2025 bericht dat verzoekster wegens werkverplichtingen niet in persoon aanwezig kon zijn en verzocht om verzoekster digitaal te horen. De rechtbank heeft de advocaat op 7 april 2025 per e-mail laten weten dat werk zonder meer onvoldoende reden is om verzoekster digitaal dan wel telefonisch te horen. De advocaat heeft voorafgaand aan de zitting meerdere aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen. Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid. Daarnaast ontvangt zij circa € 200,-- per maand aan huurtoeslag. De huur bedraagt € 616,-- per maand. De huur over november 2024 tot en met maart 2025 is, zij het te laat, voldaan. De huur over april 2025 is wel tijdig voldaan. Verzoekster heeft zich al eerder gemeld bij [naam stichting] maar kon toen niet geholpen worden vanwege haar onderneming. Verzoekster heeft zich opnieuw aangemeld bij [naam stichting] voor haar schuldenproblematiek. Er zal op korte termijn een intakegesprek plaatsvinden waarna er een minnelijk traject zal worden opgestart. 3Het verweer Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Vanaf het moment dat verzoekster een huurovereenkomst is aangegaan met verweerster zijn er betalingsproblemen. Verweerster heeft verzoekster meerdere keren aangemeld bij de gemeente voor hulp. Verweerster heeft op 15 december 2023 een bericht ontvangen van het Expertise Team Financiën (ETF) van de gemeente Rotterdam dat verzoekster zich heeft gemeld. Aan verweerster is toen gevraagd of zij tijdelijk de incassomaatregelen willen pauzeren. Verweerster heeft daarna niks meer vernomen van de gemeente dan wel van verzoekster. Op 6 februari 2025 heeft verweerster wederom een melding ontvangen van de gemeente dat schulddienstverlening wordt opgestart en of ze de incassomaatregelen willen pauzeren. Verweerster stelt dat zij verzoekster al meerdere keren de mogelijkheid heeft gegeven om orde op zaken te stellen. Het geduld van verweerster is op. Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat verzoekster de huurbetalingen tijdig zal voldoen. 4De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 11 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 5 april 2024 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid en zij ontvangt huurtoeslag. Het inkomen van verzoekster is voldoende op de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De huurbetalingen over november 2024 tot en met april 2025 zijn voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. Verzoekster is recent in dienst getreden bij haar eigen stichting waardoor het nog onduidelijk is of zij hier ook daadwerkelijk inkomsten uit zal genereren en of zij daadwerkelijk zal inspannen om een regeling met haar schuldeisers te gaan treffen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor drie maanden. Het staat verzoekster vrij om de rechtbank na deze termijn een nieuw moratoriumverzoek toe te sturen om de termijn van drie maanden te verlengen tot het maximum van zes maanden. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. 5De beslissing De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 5 april 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf 17 maart 2025; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.