Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummers: 09/022561-25, 10/226528-24 en 09/357467-24 (gevoegd ttz) Parketnummer vordering TUL VV: 09/340236-23 Datum uitspraak: 29 april 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres en preventief gedetineerd in: [jeugdinrichting] , [adres 1] , [postcode 1] [plaats 1] , raadsman mr. R.V. Paniagua, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 15 april 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 09/357467-24 is op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie gewijzigd. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging(
- en)is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie, mr. C.C. Brandwijk, heeft gevorderd: bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 09/022561-25 ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 278 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zal verblijven bij [instelling] of een soortgelijke instelling, zal meewerken aan behandeling bij De Waag, zal meewerken aan coaching door Next Step, zich zal inzetten voor het behouden van een dagbesteding in de zin van werk of een opleiding, zich zal houden aan een gebiedsverbod voor de [gemeente] met uitzondering van door de jeugdreclassering (of een door de jeugdreclassering aangewezen persoon) begeleide bezoeken aan zijn moeder, zich zal houden aan een avondklok en zal meewerken aan elektronische monitoring; met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewezenverklaringen zonder nadere motivering Het in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 2 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 09/022561-25 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en de verdediging heeft ten aanzien van deze feiten geen verweer gevoerd. Deze feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.2. Bewijswaardering in de zaken met parketnummers 10/226528-24 onder 1 en 09/357467-24 In de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 1 4.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht de onder 1 primair ten laste gelegde afpersing wettig en overtuigend bewezen. De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte dat er € 1.500,- is overgemaakt. De verdachte en de aangever hebben in hun verklaringen beiden over een vuurwapen gesproken, waardoor ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend kan worden bewezen. 4.2.2. Beoordeling De rechtbank stelt op grond van het dossier en de verklaring die de verdachte op de zitting heeft afgelegd vast dat de verdachte en de aangever elkaar op [station] zijn tegengekomen, dat zij vervolgens samen met de trein naar station Rotterdam Centraal zijn gereisd en dat de verdachte daar per e-mail een betaalverzoek naar de aangever heeft gestuurd. De aangever heeft vervolgens, met de betaallink, een bedrag van € 1.500,- aan een derde overgemaakt. Deze derde heeft dit geldbedrag aan de verdachte gegeven. Dat de aangever niet vrijwillig, maar onder bedreiging van geweld het betaalverzoek heeft voldaan, wordt ondersteund door het door de verdachte van de aangever in de trein gemaakte filmpje en de gedragingen van de aangever die op beelden van station Rotterdam Centraal worden waargenomen. Ook de verdachte zelf heeft verklaard dat het wel aannemelijk is dat de aangever uit angst het bedrag heeft overgemaakt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om ook bewezen te kunnen verklaren dat de verdachte de aangever in de trein heeft bedreigd met een vuurwapen. De verdachte ontkent dat en er zijn geen camerabeelden of getuigen die in dit opzicht het verhaal van de aangever ondersteunen dat hij met een wapen op zijn buik en hoofd is bedreigd. Hoewel kan worden vastgesteld dat er tussen de verdachte en de aangever gesproken is over een vuurwapen, kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte ook daadwerkelijk een vuurwapen voorhanden had en heeft getoond, zoals hem wordt verweten. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken. 4.2.3. Conclusie Het onder 1 primair ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het vuurwapen. De verdachte zal daarvan partieel worden vrijgesproken. In de zaak met parketnummer 09/357467-24 4.2.4. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat aangevers [aangever 1] en [aangever 2] door de verdachte zijn bespuugd. Zij verwijst naar door de politie bekeken camerabeelden, waarop is te zien dat er een conflict heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangevers en dat de verdachte een beweging maakt die lijkt op spugen. 4.2.5. Standpunt verdediging De verdediging verzoekt de verdachte vrij te spreken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de aangevers heeft bespuugd. 4.2.6. Beoordeling Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals uitgewerkt in bijlage II, stelt de rechtbank vast dat [aangever 1] door de verdachte is bespuugd. Haar verklaring wordt ondersteund door het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden. Volgens de politie is op die camerabeelden te zien dat de verdachte met zijn hoofd een snelle beweging naar voren maakt richting [aangever 1] en dat zij vervolgens naar achteren beweegt. Die bewegingen passen bij het bespugen van iemand. De aangeefster heeft verklaard dat zij dit als beledigend heeft ervaren. Op grond van dit alles is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [aangever 1] heeft beledigd door haar te bespugen. Dat ziet de rechtbank echter anders ten aanzien van [aangever 2] . Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ook een spugende beweging richting [aangever 2] heeft gemaakt. Dit is op de door de politie beschreven camerabeelden niet te waargenomen en het dossier biedt daar ook geen andere aanknopingspunten voor. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde belediging van [aangever 2] . 4.2.7. Conclusie Het ten laste gelegde beledigen van [aangever 1] is wettig en overtuigend bewezen. Het ten laste gelegde beledigen van [aangever 2] niet. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 1 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 2 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 09/022561-25 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: In de zaak met parketnummer 09/022561-25 hij, op of omstreeks 20 januari 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (type Iphone 15 Pro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen, en/of - (vervolgens) te zeggen "laat mij niet in je been schieten", althans woorden van een gelijke dreigende strekking. In de zaak met parketnummer 10/226528-24 1 hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 1500 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n), door - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in/tegen de buik/zij van die [slachtoffer 2] te drukken en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te houden, en/of - tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij hem 2 barkie moet geven en/omdat die [slachtoffer 2] anders klappen krijgt; 2 hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, een jas, een muts en/of een tas met daarin een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(
- n)door - die [slachtoffer 3] bij de keel/kraag te grijpen, en/of - die [slachtoffer 3] de volgende woorden toe te voegen: "als je je telefoon niet afgeeft moet ik iets naar je trekken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking. In de zaak met parketnummer 09/357467-24 hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te [plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk [aangever 1] en/of [aangever 2], in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door op korte afstand (met consumptie) in en/of in de richting van het gezicht en/of lichaam van die [aangever 1] te spugen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: In de zaak met parketnummer 09/022561-25 diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; In de zaak met parketnummer 10/226528-24 Feit 1 primair: afpersing; Feit 2 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; In de zaak met parketnummer 09/357467-24 eenvoudige belediging. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Allereerst heeft de verdachte zich op 11 juli 2024 schuldig gemaakt aan een afpersing. Daarbij heeft de verdachte onder bedreiging van geweld het slachtoffer een flink geldbedrag laten overmaken. Ongeveer twee weken later heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een afpersing, waarbij het slachtoffer verschillende kledingstukken en een telefoon heeft moeten afgeven. Er is geweld gebruikt en gedreigd met geweld. Vervolgens heeft de verdachte zich ongeveer een half jaar later samen met een ander wederom schuldig gemaakt aan een straatroof. Daarbij is een vuurwapen getoond en de telefoon van het slachtoffer weggenomen. Met zijn handelen heeft de verdachte de slachtoffers angst aangejaagd en geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen. Dergelijk intimiderend en gewelddadig gedrag versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen nog gedurende langere tijd psychische gevolgen van de gebeurtenis ondervinden. Dit blijkt ook uit de toelichting bij de ingediende vorderingen tot schadevergoeding. Tot slot heeft de verdachte zich op 12 augustus 2024 schuldig gemaakt aan eenvoudige belediging door in de richting van het gezicht van het slachtoffer te spugen. Dat getuigt van een gebrek aan respect voor anderen en is bovendien ontzettend smerig. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een straatroof en belediging. 7.3.2. Rapportages en verklaring van de deskundige op de terechtzitting Gz-psycholoog [psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 17 maart 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De adaptieve vaardigheden van de verdachte passen bij het functioneren van jongeren met een ontwikkelingsachterstand. Vanaf jonge leeftijd wordt verdachtes levensgeschiedenis gekenmerkt door basale onveiligheid, huiselijk geweld, emotionele verwaarlozing en een lage, sociaaleconomische klasse. De verdachte heeft vanaf zijn negende in verschillende jeugdzorginstellingen verbleven. Vanaf zijn puberteit gaat hij steeds meer zijn eigen gang en gebruikt hij cannabis en hasj om zijn gevoelens te onderdrukken. Er is sprake van een verstoorde- of onveilige hechting en van een ongespecificeerde psychotrauma- of stressgerelateerde stoornis. Er wordt weinig emotionele empathie gezien en de verdachte hanteert denkfouten om zijn eigen gedrag te vergoelijken, waardoor hij de verantwoordelijkheid buiten zichzelf kan leggen. Hij heeft een sterke autonomie behoefte, waarin zijn wensen bepalend zijn en hij vanuit wantrouwen op anderen reageert. Het gedragsbeeld wordt geclassificeerd als een normoverschrijdende gedragsstoornis ernstig, met begin in de kindertijd. De persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte stagneert waarbij antisociale trekken zich steeds duidelijker aftekenen. Er wordt een verband gezien tussen de geconstateerde stoornissen en de ten laste gelegde feiten, waarbij de verdachte voortdurend calculerend en op grond van eigen behoeftebevrediging handelt of vanuit het tenietdoen van frustratie. Geadviseerd wordt om de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog. Om mogelijk crimineel afglijden en kans op herhaling te voorkomen en zijn ontwikkeling positief te stimuleren is veel toezicht en structuur nodig. Daarnaast is het noodzakelijk om de verdachte de behandelmodules Leren van Delict en In Controle of ASR op maat te laten volgen aangevuld met psychomotore therapie. De Gz-psycholoog adviseert om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen en om de verdachte te plaatsen in een jeugdinrichting met expertise in behandeling van jongvolwassenen met een laag begaafde intelligentie. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) schrijft in het rapport van 31 maart 2025 dat er risicofactoren vooral worden gezien in de domeinen school, werk/vrije tijd/ financiën, vaardigheden en geestelijke gezondheid. Het baart de Raad zorgen dat de verdachte er veelal alleen voor heeft gestaan en dat het hem aan perspectief ontbreekt. De Raad kan zich grotendeels vinden in het advies van de Gz-psycholoog en is van mening dat een stevige stok achter de deur noodzakelijk is. De Raad deelt niet de visie van de Gz-psycholoog dat hulpverlening en behandeling vanuit een jeugdinrichting moet plaatsvinden. De Raad adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal houden aan de meldplicht, zal meewerken aan een coaching traject van Next Step of een soortgelijke instelling, zich zal houden aan een avondklok, zich zal houden aan een locatieverbod voor de [gemeente] en ter controle hiervan meewerkt aan elektronische monitoring, enkel onder begeleiding zijn in [plaats 2] wonende moeder zal bezoeken, zich zal inzetten voor het volgen van onderwijs of andere zinvolle dagbesteding, zal meewerken aan behandeling van De Waag en zich zal houden aan een contactverbod met de slachtoffers. Tot slot adviseert de Raad om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf geheel ten uitvoer te leggen. Op de zitting heeft de [deskundige], werkzaam als jeugdreclasseerder bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, verklaard dat er incidenten in de jeugdgevangenis hebben plaatsgevonden die mede veroorzaakt worden door de beperkte emotieregulatie van de verdachte. Daarnaast speelt mee dat de verdachte klein van stuk is en er jonger uitziet dan zijn kalenderleeftijd. Het is moeilijk voor de verdachte om zich staande te houden. Het advies van de Gz-psycholoog wijkt af van dat wat normaal wordt geadviseerd. De indruk bestaat dat behandeling binnen de jeugdgevangenis zwaar voor de verdachte zal zijn en dat de situatie daar te onrustig is om aan behandeling toe te komen. De kans dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt wordt hoog ingeschat. Om die kans te verkleinen, wordt gedacht aan het behandelprogramma Topzorg van de Waag. Dit is een zeer intensief programma. Niet duidelijk is echter wanneer dit kan starten. Hoewel er weinig opties voor een verblijfplek voor de verdachte voorhanden zijn, is het mogelijk om direct bij [instelling] geplaatst te worden. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Toerekeningsvatbaarheid De conclusie van de Gz-psycholoog wordt gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte is sprake van psychische stoornissen die ook aanwezig waren ten tijde van het in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 1 primair en onder 2 primair ten last gelegde. Gelet op de problematiek van de verdachte concludeert de rechtbank dat het niet anders kan dan dat deze psychische stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van het onder parketnummer 09/022561-25 ten laste gelegde en het onder parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde. Hierom acht de rechtbank de verdachte voor alle ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank houdt hier rekening mee bij het bepalen van de straf. Straf Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Mede met het oog daarop legt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie op die gelijk is aan de duur van het voorarrest (177 dagen). Hierbij speelt ook mee dat de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel is dat langer verblijf van de verdachte in de jeugdgevangenis niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte is, en daarmee ook niet in dat van de samenleving. Naast dit onvoorwaardelijke strafdeel legt de rechtbank ook een voorwaardelijk strafdeel op waaraan de rechtbank bijzondere voorwaarden verbindt. De rechtbank acht het zorgwekkend dat de verdachte gedurende zijn proeftijd opnieuw misdrijven heeft gepleegd, waarbij (dreiging van) geweld een rol heeft gespeeld. Om de kans op herhaling zoveel mogelijk te beperken en de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden is een strak kader met toezicht en begeleiding noodzakelijk. Het voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. 8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen 8.1 De vorderingen In de zaak met parketnummer 09/022561-25 Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09/022561-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 643,20 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de zaak met parketnummer 10/226528-24 Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.500,- aan materiële schade. Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 3], ter zake van in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.320,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In de zaak met parketnummer 09/357467-24 Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [aangever 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [aangever 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 300,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] tot vergoeding van materiële schade in zijn geheel toewijsbaar en de vordering tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 450,-, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie acht de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] allebei volledig toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie acht de vorderingen van [aangever 1] en [aangever 2] toewijsbaar tot een bedrag van € 100,- per benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.3. Standpunt verdediging De verdediging voert ten aanzien van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderde vergoeding van materiële schade geen verweer. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade verzoekt de verdediging het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 500,-, waarbij wordt aangesloten bij dat wat aan immateriële schade in vergelijkbare zaken wordt toegekend. De verdediging voert ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geen verweer. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voert de verdediging verweer tegen de hoogte van de gevorderde vergoeding van materiële schade. De verdediging verzoekt het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 500,-. De verdediging verzoekt primair, vanwege de bepleite vrijspraak, om de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair verzoekt de verdediging om de toe te kennen schadevergoedingen te matigen tot een bedrag van € 100,- per benadeelde partij. 8.4. Beoordeling In de zaak met parketnummer 09/022561-25 Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] door het bewezen verklaarde feit, waarbij de telefoon van de benadeelde partij is weggenomen, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gestelde schade is onderbouwd en is door de verdediging niet weersproken, waardoor dit deel van de vordering voor toewijzing vatbaar is. Tevens is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij is van zijn telefoon beroofd, daarbij is een vuurwapen aan hem getoond en zijn dreigende woorden geuit. De aard en de ernst van het feit, de inbreuk op de lichamelijke integriteit, brengen mee dat aantasting in de persoon aannemelijk is. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 450,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het overige deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Hoofdelijke veroordeling Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Wettelijke rente De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 20 januari 2025. Proceskosten Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. In de zaak met parketnummer 10/226528-24 – vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] Vast is komen te staan aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schade betreft het geldbedrag dat de benadeelde onder dreiging van geweld aan de verdachte heeft betaald. Deze schade is door de verdediging niet weersproken en de vordering is voor toewijzing vatbaar. Wettelijke rente De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 11 juli 2024. Proceskosten Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. In de zaak met parketnummer 10/226528-24 – vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] Vast is komen te staan aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Op de camerabeelden is te zien dat de benadeelde partij een jas en een tas (met daarin een net gekocht vest) afgeeft. Ook heeft de aangever verklaard dat een muts en zijn telefoon van hem zijn afgenomen. Omdat de gestelde hoogte van de schade niet met stukken is onderbouwd, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek). De rechtbank schat de schade op de bedragen die zijn gevorderd (€ 630,- voor de jas van het merk Moncler, € 100,- voor de muts (de rechtbank begrijpt uit de aangifte: van Moncler), € 100,- voor het vest van het merk Under Armour, en € 400,- voor de iPhone 12 van een jaar oud, zijnde in totaal € 1.230,-). De benadeelde partij lijkt een optelfout te hebben gemaakt van de gevorderde bedragen nu hij in totaal € 1.320,- vordert. De rechtbank zal € 1.230,- toewijzen en het meerdere afwijzen. Hoofdelijke veroordeling Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Wettelijke rente De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 juli 2024. Proceskosten Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. In de zaak met parketnummer 09/357467-24 Uit de door de benadeelde partij [aangever 1] ingediende vordering en de ter zitting daarop gegeven toelichting is gebleken dat de bewezen verklaarde belediging impact op haar heeft gehad en nog steeds heeft. Dat is begrijpelijk, maar het geeft niet automatisch recht op een schadevergoeding. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde recht op een schadevergoeding als deze lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. Dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen, is niet met stukken (zoals een verklaring van een arts) onderbouwd en kan daardoor niet door de rechtbank worden vastgesteld. In dit geval is het ook niet zo dat de nadelige gevolgen van de belediging zodanig voor de hand liggen dat daardoor zonder onderbouwing een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom afwijzen. Nu de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] zal worden afgewezen, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. De benadeelde partij [aangever 2] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte zal worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde belediging van [aangever 2] . Nu de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 8.5. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 1] een schadevergoeding betalen van € 1.093,20, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 2] een schadevergoeding betalen van € 1.500, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 3] een schadevergoeding betalen van € 1.230,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 2]. 9Vordering tenuitvoerlegging 9.1. Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd Bij vonnis van 10 april 2024 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag is de verdachte ter zake van het opzettelijk niet voldaan aan een bevel of vordering gegeven door een ambtenaar, diefstal met geweld en diefstal door middel van een valse sleutel (in vereniging) veroordeeld tot onder andere een geheel voorwaardelijke taakstaf bestaande uit een werkstraf van 40 uren, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 24 april 2024. 9.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf dient te worden toegewezen. 9.3. Standpunt verdediging De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf. 9.4. Beoordeling De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van het vonnis van 10 april 2024 en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. 11Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 12Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 09/022561-25, de in de zaak met parketnummer 10/226528-24 onder 1 primair en 2 primair en de in de zaak met parketnummer 09/357467-24 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 277 (tweehonderd-zevenenzeventig) dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht; - zijn medewerking zal verlenen aan het coachingstraject van Next Step of een soortgelijke aanbieder; - gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [instelling] of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld; - zich zal houden aan een avondklok voor de maximale duur van zes maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Deze avondklok houdt in dat de veroordeelde dagelijks om 19:00 uur thuis, te weten bij [instelling] op het adres: [adres 2] , [postcode 2] [plaats 3] , zal zijn en thuis zal blijven tot de volgende ochtend 07:00 uur. Deze tijdstippen van de avondklok kunnen worden gewijzigd door de jeugdreclassering, in die zin dat de veroordeelde in dat geval ’s avonds later thuis mag komen en ’s ochtends eerder van huis mag; - gedurende de proeftijd zich niet zal bevinden in de [gemeente] , met uitzondering van begeleide bezoeken aan zijn moeder en behandelafspraken bij De Waag, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; -zich zal houden aan de voorwaarden die zijn gesteld met betrekking tot elektronische monitoring, in de vorm van gps-enkelband voor de maximale duur van zes maanden; dit houdt ook in dat de verdachte dagelijks tussen 07:00 uur en 22:00 uur de enkelband tenminste drie uur oplaadt; - zijn medewerking zal verlenen aan het enkel onder begeleiding van de jeugdreclassering of een door de jeugdreclassering aangewezen ander persoon bezoeken van de moeder; - zich zal inzetten voor het verkrijgen en behouden van zinvolle dagbesteding in de vorm van school, werk en/of sport; - zijn medewerking zal verlenen aan behandeling (Topzorg) van De Waag of een soortgelijke instantie. Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden: - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel aan de duur van de opgelegde jeugddetentie; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 1.093,20 (zegge: duizend drieënnegentig euro en twintig eurocent), bestaande uit € 643,20 aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 1.093,20 (hoofdsom, zegge: duizend drieënnegentig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 1.500,- (hoofdsom, zegge: duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.230,- (zegge: duizend tweehonderddertig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; wijst af het door de benadeelde partij [slachtoffer 3] meer of anders gevorderde; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen € 1.230,- (hoofdsom, zegge: duizend tweehonderdertig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering; wijst af de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]; veroordeelt de benadeelde partij [aangever 2] en [aangever 1] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil; gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 10 april 2024 van de kinderrechter in de zaak met parketnummer 09/340236-23. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. J.S. van den Berge en H. Biemond, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2025. De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst (gewijzigde) tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat In de zaak met parketnummer 09/022561-25 hij, op of omstreeks 20 januari 2025 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon (type Iphone 15 Pro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen, en/of - ( vervolgens) te zeggen "laat mij niet in je been schieten", althans woorden van een gelijke dreigende strekking; In de zaak met parketnummer 10/226528-24 1 hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 1500 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n), door - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in/tegen de buik/zij van die [slachtoffer 2] te drukken en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te houden, en/of - tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij hem 2 barkie moet geven en/omdat die [slachtoffer 2] anders klappen krijgt; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, een geldbedrag van 1500 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in/tegen de buik/zij van die [slachtoffer 2] te drukken en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te houden, en/of - tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij hem 2 barkie moet geven en/omdat die [slachtoffer 2] anders klappen krijgt; 2 hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon, een jas, een muts en/of een tas met daarin een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 3] en/of een derde toebehoorde(
- n)door - die [slachtoffer 3] bij de keel/kraag te grijpen, en/of - die [slachtoffer 3] de volgende woorden toe te voegen: "als je je telefoon niet afgeeft moet ik iets naar je trekken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon, een jas, een muts en/of een tas met daarin een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [slachtoffer 3] bij de keel/kraag te grijpen, en/of - die [slachtoffer 3] de volgende woorden toe te voegen: "als je je telefoon niet afgeeft moet ik iets naar je trekken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking. In de zaak met parketnummer 09/357467-24 hij op of omstreeks 12 augustus 2024 te [plaats 2] , althans in Nederland, opzettelijk [aangever 1] en/of [aangever 2] , in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door op korte afstand (met consumptie) in en/of in de richting van het gezicht en/of lichaam van die [aangever 1] te spugen.