← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:10551

Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/103613-24 Datum uitspraak: 29 april 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum 1] 2007, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] , [postcode] [plaats 1] , raadsman mr. M.S. Rozenbeek, advocaat te Haarlem. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 15 april 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie, mr. M.L. Goudzwaard, heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 42 dagen met aftrek van voorarrest; daarnaast veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, meewerkt aan behandeling van Fivoor, een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding heeft, verblijft bij [instelling] of een andere door de jeugdreclassering goedgekeurde verblijfplek, zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod voor [gemeente 1] (conform de schorsingsvoorwaarden) en [plaats 2] ; met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: JBRR) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en de verdediging heeft geen verweer gevoerd. Deze feiten zullen daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 2. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door via het kapot gegooide raam van een woning, gelegen aan [adres 2] , in die woning een of meer explosieven, althans een explosieve/brandbare substantie en/of stof(fen), tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of nabijgelegen panden en/of, de in die dat panden aanwezige goederen, en/of auto's en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van voornoemd pand en/of een ander en/of anderen te duchten was; 3. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de andere bewoners van de woning gelegen aan [adres 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een explosief te plaatsen op, althans in de dichte nabijheid van/voor voornoemde woning, en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht; 4. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan [adres 2] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de eigenaar van dat pand, althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 5. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)voorgenomen misdrijf om op/in/aan/nabij een woning, gelegen aan [adres 3] , opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, meermalen, althans eenmaal (heeft getracht) door open vuur in aanraking te brengen met een of meer voorwerpen waar draden uitstaken en/of een of meer explosiefven en/of voornoemd(
  2. e)voorwerp(
  3. en)meermalen, althans eenmaal, in de richting van/tegen voor (de voorruit van) voornoemd pand heeft gegooid en/of neergezet, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen en/of een auto's en/of, - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van voornoemd pand en/of een ander en/of anderen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 6. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] en/of de andere bewoners van de woning gelegen aan [adres 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door - in de nabijheid van voornoemde woning meermalen, althans eenmaal, (te trachten) open vuur in aanraking te brengen met een of meer voorwerpen waar draden uitstaken en/of een of meer explosiefven en/of - (daarbij) (vervolgens) voornoemd(
  4. e)voorwerp(
  5. en)meermalen, althans eenmaal, in de richting van/tegen bij (de voorruit van) voornoemd pand te gooien en/of neer te zetten. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: De eendaadse samenloop van Feit 2: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; Feit 3: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd; Feit 4: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw, dat geheel of ten dele aan en ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken. De eendaadse samenloop van Feit 5: medeplegen van poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; Feit 6: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met anderen schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing. Zij hebben midden in de nacht eerst een baksteen door de ruit van een woning gegooid en vervolgens, via het daardoor ontstane gat, een explosief in die woning laten ontploffen. De explosie heeft enorm veel schade aan de woning veroorzaakt. Ook zijn er goederen beschadigd. Door de drukwerking van het explosief zijn er zelfs dakpannen verschoven. De verdachte en zijn medebewoners hebben bovendien een levensgevaarlijke situatie voor de vier bewoners van de woning gecreëerd. Zij lagen te slapen. Twee van hen zijn wakker geworden van het alarmsysteem dat afging nadat de verdachte en zijn medeverdachte een baksteen door de ruit hadden gegooid en zijn naar beneden gegaan om dit uit te zetten. Zij stonden in de gang toen het explosief ontplofte. Dat de fysieke gevolgen voor de slachtoffers beperkt zijn gebleven, is niet te danken aan het handelen van de verdachte. Diezelfde nacht heeft de verdachte samen met anderen geprobeerd om in dezelfde straat nog een explosief tot ontploffing te brengen. Dit is niet gelukt omdat het explosief niet ontplofte. Een explosie of een poging daartoe leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en de omwonenden. Uit de slachtofferverklaring van een van de slachtoffers die ter zitting is voorgelezen, blijkt dat de ontploffing een enorme impact op de slachtoffers heeft gehad en dat gevoelens van angst een jaar later nog onverminderd aanwezig zijn. Gezien de grote hoeveelheid aanslagen die de afgelopen tijd in Nederland heeft plaatsgevonden, leidt een dergelijke ontploffing ook tot veel onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit de verdachte, die alleen heeft gedacht aan het geld dat hem voor deze ‘klus’ was toegezegd, zwaar aan. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. 7.3.2. Rapportages en verklaring van een deskundige op de terechtzitting [gz-psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 23 augustus 2024. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake van een reactieve hechtingsstoornis, een ‘andere gespecificeerde psychotrauma – of stressorgerelateerde stoornis’ en een persisterende depressieve stoornis. Er worden problemen gezien in het contact met volwassenen en op sociaal en emotioneel vlak. Er zijn duidelijke signalen dat de verdachte in zijn jonge kinderjaren ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en een patroon van ontoereikende verzorging heeft ervaren, waarbij er geen rekening is gehouden met zijn emotionele basisbehoeften. Daarnaast is er sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis (matig; begin in de kindertijd). De gedragsstoornis veroorzaakt significante aanwijzingen voor beperkingen in het functioneren op sociaal, school en beroepsmatig gebied. Verder kan gesproken worden van een stoornis in cannabisgebruik. Het sociale mediagebruik van de verdachte is zorgelijk en lijkt een functie te hebben in het verdoven van emoties, waardoor tevens gesproken kan worden van ‘probleem verband houdend met levensstijl’. Tot slot is sprake van ouder-kindrelatieproblemen en van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Als de verdachte geen hulpverlening geboden wordt, wordt er gevreesd voor het ontwikkelen van een antisociale en narcistische persoonlijkheidsstoornis in de toekomst. Bij de inschatting van de gedragskeuzes dient rekening te worden gehouden met de gerichtheid van de verdachte op behoeftebevrediging, de gebrekkige egofuncties en het tekortschietend oplossend vermogen. De verdachte toont weinig eigenheid en de beïnvloedbaarheid is groot. Op basis van de psychische stoornissen van de verdachte dient het ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte te worden toegerekend. Het risico op toekomstig gewelddadig en grensoverschrijdend gedrag wordt als matig tot hoog ingeschat. Voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte en ter voorkoming van persoonlijkheids-problematiek heeft de verdachte baat bij een veilige, gestructureerde en voorspelbare leefomgeving. De Gz-psycholoog adviseert om de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke detentiestraf met een proeftijd op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden dat hij zich laat begeleiden door Jeugd FACT van Fivoor en zal meewerken aan begeleiding van de jeugdreclassering. Ook is het verblijf van de verdachte bij [instelling] zeer belangrijk. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) schrijft in het rapport over de verdachte van 7 november 2024 dat hij vastloopt op meerdere leefgebieden en politie- en justitiecontacten heeft. De Raad sluit zich aan bij de gegeven adviezen van de Gz-psycholoog. De aanbevolen interventies zijn voldoende om het gedrag van de verdachte positief te beïnvloeden en herhaling te voorkomen. Geadviseerd wordt om aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal houden aan een contactverbod met de slachtoffers, zich zal houden aan het eerder bepaalde gebiedsverbod, zich zal houden aan een avondklok, zal meewerken aan hulpverlening/behandeling zoals FACT Fivoor of een soortgelijke hulpverlener, zich zal houden aan de voorwaarden van een gps-enkelband, zich zal houden aan de regels en afspraken van [instelling] , naar school zal gaan en zich zal houden aan een meldplicht bij de jeugdreclassering. Jeugdreclassering JBRR adviseert in het rapport over de verdachte van 4 april 2025 om aan hem een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast wordt oplegging van bijzondere voorwaarden geadviseerd, namelijk dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zal meewerken aan behandeling van Fivoor, zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding en zal verblijven bij [instelling] of op een andere, door JBRR goedgekeurde plek, zoals bij de ouders van zijn vriendin. Op de zitting heeft de [deskundige], werkzaam als jeugdreclasseerder bij JBRR, het advies toegelicht en verklaard dat er geen meerwaarde wordt gezien in oplegging van de avondklok, enkelband, en een gebieds- en contactverbod, omdat de verdachte niet van plan is naar die omgeving toe te gaan. De verdachte is aangemeld voor Perspectief Herstelbemiddeling omdat hij zijn excuses aan de slachtoffers wil aanbieden. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 3 mei 2024 heeft de verdachte laten zien dat hij het anders wil en kan doen. De vriendin van de verdachte en haar ouders zijn belangrijk voor de verdachte en hebben een positieve invloed op hem. Onderzocht wordt of langdurig verblijf bij hen mogelijk is. De verdachte is gestart met behandeling bij Fivoor. Hij heeft een goede band met zijn behandelaar en wil zijn behandeling bij deze behandelaar blijven voortzetten ook als hij bij zijn in [plaats 3] wonende vriendin zal gaan wonen. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Toerekeningsvatbaarheid De conclusie van de Gz-psycholoog wordt gedragen door zijn bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van psychische stoornissen die ook aanwezig waren ten tijde van de tenlastegelegde feiten acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank houdt hier rekening mee bij het bepalen van de straf. Op te leggen straf Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij op de zitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte zich gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis, bijna een jaar dus, goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat hij zich lijkt in te zetten voor het creëren van een toekomst waarin hij geen strafbare feiten meer pleegt. Daarbij ziet hij de noodzaak van behandeling in en is hij gemotiveerd om een vervolgopleiding te gaan doen. De rechtbank zal, gelet op de adviezen van de Gz-psycholoog, de Raad en JBRR, een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegende, komt de rechtbank tot een andere straf dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank acht passend en geboden een jeugddetentie voor de duur van 221 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (te weten 41 dagen), met een proeftijd van twee jaren en met de hierna te noemen bijzondere voorwaarden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis niet in het belang is van de verdere ontwikkeling van de verdachte, en daarmee ook niet in dat van de samenleving, maar dat ook niet kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 41 dagen en een voorwaardelijke jeugddetentie, gezien de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank legt daarom ook een onvoorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 120 uren aan de verdachte op. 8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen 8.1 De vorderingen Benadeelde partij [slachtoffer 2] Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 2] , ter zake van de onder 2, 3, en 4 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 79.692,98 aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ter zake van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen vorderen ieder een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar zijn, met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.3. Standpunt verdediging De verdediging stelt zich op het standpunt dat [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot vergoeding van materiële schade, omdat de beoordeling daarvan een te zware belasting vormt voor het strafgeding. Het betreft een aanzienlijke vordering en ondanks de onderbouwing daarvan, blijven er onduidelijkheden bestaan. Zo is niet duidelijk wat het totale schadebedrag is geweest en welk gedeelte daarvan door de verzekering is vergoed. Ook is niet helder waarom de factuur van de beschadigde glazen ruiten dateert van vijf/zes maanden na de ontploffing en wat de reden is dat er bij de factuur van de schutting geen btw is berekend. 8.4. Beoordeling Materiële schade gevorderd door [slachtoffer 2] Vaststaat dat door de onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht aan de benadeelde partij. Uit het dossier en de zich daarin bevindende foto’s blijkt dat de ontploffing een enorme ravage heeft veroorzaakt. De benadeelde partij heeft te kennen gegeven dat een deel van deze schade is vergoed door de verzekering. Bij de vordering is geen opnamerapport van de verzekeraar gevoegd. Hierdoor is de rechtbank niet duidelijk geworden wat de totale omvang van de schade is, welke kosten al dan niet door de verzekeraar zijn vergoed en waarom bepaalde kosten niet zijn vergoed. Dat maakt de beoordeling van de ingediende vordering lastiger. De rechtbank zal hieronder op de verschillende gestelde schadeposten ingaan. Rolluiken en keukendeur (€ 34.250,-) De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd van twintig rolluiken en (de bekleding van) de keukendeur die door de explosie beschadigd zouden zijn geraakt. Uit het dossier, de schriftelijke toelichting op deze schadepost en de ter zitting gegeven mondelinge toelichting blijkt niet dat er twintig rolluiken beschadigd zijn geraakt. Ook is niet gebleken dat de beschadiging van de rolluiken van zodanige aard is dat vervanging daarvan noodzakelijk is. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit deel van vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Inbraaksysteem en beveiliging (€ 3.718,34 en € 384,18) De benadeelde partij vordert vergoeding van de kosten van installatie van een inbraaksysteem en de kosten van een abonnement op alarmopvolging door een beveiligingsbedrijf. Kosten die zijn gemaakt ter vermindering van gevoelens van onveiligheid komen voor vergoeding in aanmerking als er voldoende verband bestaat tussen de bewezen verklaarde feiten en de schade. Daarbij zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. De gevorderde schadevergoeding heeft betrekking op kosten die zijn gemaakt ter beveiliging van de woning van een familielid, bij wie de benadeelde partij na de ontploffing tijdelijk heeft verbleven. Omdat de rechtbank niet is gebleken dat de dreiging ook op het tijdelijke verblijfadres zag, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze schade samenhangt met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Vervangen glazen ruiten (€ 18.724,75) Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken en de ter zitting daarop gegeven toelichting blijkt dat deze schadepost ziet op vervanging van beschadigd geraakte ruiten. Onduidelijk is waarom deze kosten niet door de verzekeraar zijn vergoed. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit deel van vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Schutting (€ 22.615,71) Uit de stukken is gebleken dat door de explosie een deel van de schutting die om de woning stond beschadigd is geraakt en dat in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Uit de onderbouwing van deze schadepost en de ter zitting hierop gegeven toelichting blijkt echter niet hoe groot het deel van de schutting is dat beschadigd is geraakt, dat het noodzakelijk was om de gehele schutting te vervangen en dat er geen goedkopere oplossing denkbaar was. Evenmin is gebleken dat er een ‘nieuw voor oud-correctie’ is toegepast. Het vervangen van een oude schutting door een nieuwe schutting levert een voordeel voor de benadeelde partij op. Dit voordeel moet worden verdisconteerd. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit deel van vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Immateriële schadevergoeding gevorderd door alle vier de benadeelde partijen Vast is komen te staan dat aan alle benadeelde partijen door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Deze schade is genoegzaam onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. De gevolgen van de explosie zijn bij de benadeelde partijen nog onverminderd aanwezig. Bij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is sprake van herbelevingen en slapeloosheid, [slachtoffer 4] heeft vermoedelijk last van tinnitus en [slachtoffer 5] is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis. Bij alle benadeelde partijen is dus sprake van aantasting in de persoon. Zij hebben daardoor allemaal recht op schadevergoeding. De schade wordt naar billijk vastgesteld op een bedrag van € 5.000,- per persoon. De door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] gevorderde immateriële schadevergoedingen worden dus geheel toegewezen. Hoofdelijke veroordeling Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd. Wettelijke rente De benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 24 maart 2024. Nu de vorderingen van de benadeelde partijen in overwegende mate zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8.5. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ieder een schadevergoeding betalen van € 5.000, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 285 en 352 van het Wetboek van Strafrecht. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 221 (tweehonderd-eenentwintig) dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een twee jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht; - gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1972, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1973, [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2004 en [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum 5] 1999; - zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in [plaats 2] , omgeven door de dorpsgrenzen van [plaats 2] , zoals aangegeven op de overzichtskaart, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht; - gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [instelling] of een soortgelijke instelling, of op een andere door de jeugdreclassering goedgekeurde verblijfplek, en zich zal houden aan de daar geldende regels en afspraken die in overleg met de jeugdreclassering zijn opgesteld; - zich zal inspannen voor het hebben en behouden van zinvolle dag- en vrijetijdsbesteding, in de vorm van school, werk en/of sport; - zijn medewerking zal verlenen aan hulpverlening en/of behandeling van FACT Fivoor of een soortgelijke zorgverlener. Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden: - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren; beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 5.000 (hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 5.000 (hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 4] te betalen € 5.000 (hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] te betalen € 5.000 (hoofdsom, zegge: vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen. Dit vonnis is gewezen door: mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. J.S. van den Berge en H. Biemond, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2025. De voorzitter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of overige in een woning gelegen aan [adres 2] aanwezige personen, van het leven te beroven, met dat opzet: - een rode jerrycan met daarin benzine, in ieder geval een dergelijke vluchtige ontbrandbare vloeistof en/of een lont op enige wijze heeft/hebben aangestoken en/of - die rode jerrycan met daarin benzine, in ieder geval een dergelijke vluchtige ontbrandbare vloeistof en/of een lont, door een ruit/raam en/of het kozijn aan de voorzijde van voornoemde woning heeft/hebben gebracht, waarna die rode jerrycan tot ontploffing is gekomen/gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door via het kapot gegooide raam van een woning, gelegen aan [adres 2] , in die woning een of meer explosieven, althans een explosieve/brandbare substantie en/of stof(fen), tot ontsteking en/of ontbranding en/of ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen en/of auto's en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van voornoemd pand en/of een ander en/of anderen te duchten was; 3. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de bewoners van de woning gelegen aan [adres 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een explosief te plaatsen op, althans in de dichte nabijheid van/voor voornoemde woning, en aan te steken, waardoor dit explosief tot ontploffing is gebracht; 4. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan [adres 2] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de eigenaar van dat pand, althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 5. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
  6. s)voorgenomen misdrijf om op/in/aan/nabij een woning, gelegen aan [adres 3] , opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, meermalen, althans eenmaal (heeft getracht) open vuur in aanraking te brengen met een of meer voorwerpen waar draden uitstaken en/of een of meer explosieven en/of voornoemd(
  7. e)voorwerp(
  8. en)meermalen, althans eenmaal, in de richting van/tegen (de voorruit van) voornoemd pand heeft gegooid en/of neergezet, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of nabijgelegen panden en/of de in die panden aanwezige goederen en/of auto's en/of, - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van voornoemd pand en/of een ander en/of anderen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 6. hij op of omstreeks 24 maart 2024 te [plaats 2] , [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] en/of de bewoners van de woning gelegen aan [adres 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door - in de nabijheid van voornoemde woning meermalen, althans eenmaal, (te trachten) open vuur in aanraking te brengen met een of meer voorwerpen waar draden uitstaken en/of een of meer explosieven en/of - ( daarbij) (vervolgens) voornoemd(
  9. e)voorwerp(
  10. en)meermalen, althans eenmaal, in de richting van/tegen (de voorruit van) voornoemd pand te gooien en/of neer te zetten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.