vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/692162 / HA ZA 25-21 Vonnis van 27 augustus 2025 in de zaak van [eiseres] B.V., gevestigd in [plaats 1] , eiseres, advocaat: mr. L.R.C. Serrarens te Rotterdam, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd in [plaats 2] , gedaagde, advocaat: mr. R.Q. Potter te Amsterdam. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De zaak in het kort [eiseres] en [gedaagde] hebben in diverse projecten samengewerkt. [eiseres] verrichtte onder meer managementdiensten voor [gedaagde] . In deze procedure vordert [eiseres] betaling van een deel van haar facturen. Volgens [gedaagde] heeft zij de samenwerking moeten beëindigen door slecht werk van [eiseres] en heeft zij daardoor kosten moeten maken. [gedaagde] beroept zich erop dat partijen vervolgens een finale kwijtingsafspraak hebben gemaakt. Daardoor is zij nu niets meer aan [eiseres] verschuldigd. [eiseres] betwist dat er finale kwijting is overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat de betwisting door [eiseres] , gelet op de gemotiveerde onderbouwing van de finale kwijting door [gedaagde] , onvoldoende gewicht in de schaal legt. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 18 december 2024, met producties 1 t/m 17; - de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 15; - de brieven van de rechtbank van 26 maart 2025 en 11 juni 2025, met een oproep voor de mondelinge behandeling en een zittingsagenda; - de aanvullende producties 18 t/m 21 van [eiseres] ; - de aanvullende producties 16 t/m 21 van [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling, gehouden op 21 juli 2025, en de daarbij door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen. 2.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de datum bepaald waarop er vonnis wordt gewezen. Dit vonnis wordt vandaag een week eerder uitgesproken. 3De feiten 3.1. [gedaagde] ontwikkelt en produceert recyclingmachines. [eiseres] is actief in de industriële projectontwikkeling. [gedaagde] heeft [eiseres] voor diverse projecten ingeschakeld, waarna [eiseres] managementwerkzaamheden uitvoerde en op haar beurt (onder)aannemers inschakelde. Aan deze samenwerking is in 2022 een einde gekomen. 3.2. Voor het project ‘ [project 1] ’ heeft [gedaagde] [eiseres] ingeschakeld als installateur. Op 13 juni 2022 heeft [gedaagde] een offerte van [eiseres] ondertekend waarin – kort gezegd – is bepaald dat [eiseres] zorgdraagt voor de installatie van een recyclinginstallatie voor een totaalbedrag van € 241.845,00 exclusief btw. De operationele inbedrijfstelling van de installatie viel buiten de opdracht van [eiseres] . De betaling zou worden verricht in vier termijnen van elk 25%. Op de offerte zijn de metaalunievoorwaarden 2019 van toepassing. 3.3. [eiseres] heeft voor [project 1] op haar beurt [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) ingeschakeld als onderaannemer voor het aanleggen van de elektrotechnische aansluiting van de recyclinginstallatie. De werkzaamheden van [eiseres] ten behoeve van [project 1] zijn op 4 november 2022 geëindigd. Vanaf dat moment heeft [gedaagde] direct met [bedrijf] gecontracteerd. 3.4. Bij brief van 11 november 2022 heeft [gedaagde] [eiseres] aansprakelijk gesteld voor (onder meer) de schadelijke gevolgen van slechte uitvoering van de opdracht bij [project 1] . 3.5. De vier betalingstermijnen van 25% bedroegen ieder afzonderlijk € 73.158,11 inclusief btw. De eerste twee termijnen heeft [gedaagde] betaald. Van de laatste twee termijnen heeft [gedaagde] € 60.500,00 betaald, waardoor een bedrag van € 85.816,22 onbetaald is gebleven (€ 70.922,50 exclusief btw). 3.6. Bij e-mail van 4 januari 2023 liet de heer [persoon A] , manager sales engineering bij [gedaagde] (hierna: [persoon A] ) aan de heer [persoon B] , bestuurder van [eiseres] (hierna: [persoon B] ), weten dat [gedaagde] het openstaande bedrag zou verrekenen: [afbeelding 1] 3.7. [persoon B] heeft op 25 januari 2023 per e-mail gereageerd dat hij de verrekening niet accepteert, dat [gedaagde] de vaste aanneemsom en het verrichte meerwerk moet betalen, dat de meerwerkfacturen nog worden toegestuurd en dat hij begin februari met de heer [persoon C] , destijds bestuurder van [gedaagde] (hierna: [persoon C] ) de zaak wil bespreken. 3.8. In reactie op een aanmaning van [gedaagde] om de door haar gefactureerde kosten (zie 3.6) van € 94.140,99 (€ 77.802,47 exclusief btw) te betalen stuurde [persoon B] op 27 januari 2023 de volgende e-mail aan [persoon C] en [persoon A] : [afbeelding 2] 3.9. In de ochtend van 13 februari 2023 (om 07:33 uur) stuurde [persoon B] aan [persoon A] een e-mail waarin ten aanzien van meerwerk het volgende staat: Achtereenvolgend mijn voorgaande email volgt bij deze een overzicht van de meerwerkfacturen. Inhoudelijk is het de bedoeling dat ik daar vandaag toelichting op geef. […] Meerwerk Elektra Materialen, Wartels, Kabels Kabelschoenen € 2.037,00 Bekabeling [naam 1] € 4.117,85 Bekabeling pallertizer € 15.199,80 Bekabelen granulator manuren € 7.037,25 Missende kabels € 12.551,61 Totaal. € 40.943,51 3.10. Vervolgens heeft op die dag een bespreking plaatsgevonden tussen [persoon B] , [persoon A] en [persoon C] . [persoon C] stuurde om 12:56 uur een e-mail met het volgende verslag van deze bespreking aan [persoon B] en [persoon A] : [afbeelding 3] Als bijlage bij deze e-mail is een kostenoverzicht meegestuurd. De onderste regels van dat overzicht zijn als volgt: [afbeelding 4] 3.11. Diezelfde middag stuurde [persoon B] de e-mail van [persoon C] door aan een medewerker van [eiseres] met het volgende bericht: [afbeelding 5] 3.12. Later die dag voerden [persoon B] (berichten links) en [persoon A] (berichten rechts) het volgende gesprek via Whatsapp: [afbeelding 6] 3.13. Op 24 februari 2023 heeft [bedrijf] diverse facturen gestuurd aan [eiseres] en [gedaagde] . Daarvan waren er vier gericht aan [gedaagde] , in totaal ten bedrage van € 30.009,30 exclusief btw. Vervolgens heeft [persoon A] aan [persoon B] bij e-mail van 2 maart 2023 gevraagd of hij daar iets op aan te merken heeft of dat het akkoord is. Op 7 maart 2023 heeft [persoon A] zijn vraag herhaald per e-mail: Graag vandaag even een akkoord hierop zodat wij [bedrijf] kunnen betalen. Hun administratie zit ons achter de broek aan en ik wil dit nu graag afgerond hebben. Wat mij betreft betaald [gedaagde] die 30K zoals besproken bij [naam 2] en is het afgerond. [persoon B] heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd met “Akkoord”. 3.14. Bij e-mail van 5 mei 2023 schreef [bedrijf] aan [eiseres] het volgende bericht: Hey [persoon B] , Ik hoorde van [naam 3] dat er nog wat vragen waren over de openstaande facturen. Er zouden een aantal facturen dubbel gemaakt zijn. Vanaf 7 november 2022 zijn de manuren op de factuur naar [gedaagde] gegaan. Dit waren andere werkzaamheden die niet op de factuur naar [eiseres] zijn gekomen. De facturen naar [eiseres] zijn alleen de manuren en werkzaamheden tot 4 november 2022 gefactureerd. Ik heb ze hieronder nog even gespecificeerd; […] 3.15. Op 18 juli 2023 heeft [eiseres] een meerwerkfactuur ( [factuurnummer 1] ) met betrekking tot [project 1] gestuurd aan [gedaagde] ten bedrage van € 47.274,29 inclusief btw. [eiseres] heeft [gedaagde] op 22 oktober 2024 bericht dat zij een btw-percentage van 9 in plaats van 21 heeft toegepast en een herziene factuur ten bedrage van € 52.478,80 gestuurd. [gedaagde] heeft deze (herziene) meerwerkfactuur niet betaald aan [eiseres] . 3.16. Op 18 oktober 2023 heeft [bedrijf] conservatoir derdenbeslag gelegd onder [gedaagde] op alle vorderingen die [eiseres] op dat moment op [gedaagde] had of uit een bestaande rechtsverhouding zou verkrijgen. [gedaagde] heeft op 8 november 2023 een derdenverklaring afgegeven waarbij zij heeft aangegeven dat zij voor de openstaande factuur met [factuurnummer 2] een bedrag van € 47.274,29 aan [eiseres] verschuldigd was (zie 3.15). 3.17. Op 8 januari 2024 heeft [eiseres] een tweede meerwerkfactuur met betrekking tot [project 1] gestuurd aan [gedaagde] ten bedrage van € 118.598,15 (inclusief btw). Ook deze meerwerkfactuur heeft [gedaagde] niet betaald. 3.18. In het vonnis van 28 augustus 2024 in de bodemzaak tussen [bedrijf] en [eiseres] heeft deze rechtbank de vorderingen van [bedrijf] toegewezen. Voor zover van belang overwoog de rechtbank in dat vonnis als volgt: 5.9. Ter zitting heeft [eiseres] erkend dat de werkzaamheden die als meerwerk door [bedrijf] zijn gefactureerd ook door haar zijn verricht. [eiseres] voert echter als verweer dat deze werkzaamheden na 4 november 2022 zijn verricht en daarom door [bedrijf] aan [gedaagde] in rekening gebracht hadden moeten worden. 5.10. Uit de door [bedrijf] overgelegde facturen voorzien van manurenregister […] blijkt dat het aan [eiseres] gefactureerde meerwerk is uitgevoerd in de periode tot 4 november 2022. [bedrijf] heeft na 4 november 2022 in opdracht van [gedaagde] gewerkt. Dat werk betrof de commissioning zo heeft [bedrijf] tijdens de mondelinge behandeling – onbetwist door [eiseres] – aangevoerd. De commissioning maakte geen onderdeel uit van de opdracht die [eiseres] van [gedaagde] had gekregen. […] Uit de door [bedrijf] aan [gedaagde] gestuurde facturen voorzien van manurenregistratie […] blijkt dat de aan [gedaagde] gefactureerde werkzaamheden betrekking hebben op een periode vanaf 4 november 2022. Dat wat [bedrijf] aan [eiseres] heeft gefactureerd voor meerwerk, mocht zij dus ook aan [eiseres] factureren. De vorderingen ter zake van het meerwerk zijn dus ook toewijsbaar. 5.11. De gevorderde € 67.785,91 is dus volledig toewijsbaar. 3.19. Op 4 oktober 2024 heeft [gedaagde] € 47.274,29 betaald aan de deurwaarder van [bedrijf] vanwege het door [bedrijf] onder haar gelegde, executoriaal geworden, derdenbeslag. 3.20. Op verzoek van de deurwaarder heeft [gedaagde] op 8 oktober 2024 nogmaals een derdenverklaring afgegeven. Deze keer heeft zij verklaard en ingevuld dat [eiseres] niets van haar te vorderen heeft. 3.21. Naast het project [project 1] heeft [eiseres] ook werkzaamheden in opdracht van [gedaagde] verricht in twee andere projecten, te weten ‘ [project 2] ’ in Duitsland en ‘ [project 3] ’ in Frankrijk. Voor het project [project 2] zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] € 13.677,21 betaalt aan [eiseres] – [eiseres] heeft op 11 oktober 2023 een factuur gestuurd ten bedrage van € 16.532,81 en op 17 oktober 2023 een creditfactuur ten bedrage van € 2.855,60. Voor het project [project 3] heeft [eiseres] op 8 januari 2024 een factuur aan [gedaagde] gestuurd ten bedrage van € 21.084,25. 4Het geschil 4.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van: I. € 291.654,64, te vermeerderen met rente; II. de buitengerechtelijke incassokosten van [eiseres] , primair begroot op € 7.331,41, subsidiair begroot op € 2.996,90, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van dagvaarding; III. de proceskosten, waaronder € 1.227,89 aan beslagkosten en € 20.364,45 aan advocatensalaris; IV. een en ander te verminderen met € 47.274,29 conform het wettelijk systeem. 4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 5De beoordeling Grondslag vordering 5.1. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat partijen overeenkomsten hebben gesloten en dat [gedaagde] facturen onbetaald laat. [eiseres] vordert dan ook nakoming van de contractuele verplichting om de facturen te betalen op grond van artikel 3:296 lid 1 BW. Een overzicht van de volgens [eiseres] openstaande facturen ziet er als volgt uit: [afbeelding 7] 5.2. [eiseres] vordert echter een lager bedrag dan het totaalbedrag uit het overzicht. Het bedrag van € 47.274,29 dat [gedaagde] heeft betaald onder het door [bedrijf] gelegde derdenbeslag zou volgens [eiseres] in mindering moeten strekken op het toe te wijzen bedrag conform het wettelijk systeem van artikel 6:44 BW. Verweer 5.3. Het verweer van [gedaagde] ziet hoofdzakelijk op de ingenomen stelling dat partijen elkaar bij het gesprek van 13 februari 2023 over en weer finale kwijting hebben verleend voor [project 1] . [gedaagde] zou [eiseres] dan ook niets meer verschuldigd zijn voor dat project. Daarop voortbouwend stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat zij de facturen van [project 2] en [project 3] – waarvan zij de juistheid inhoudelijk niet betwist – heeft voldaan met de betaling van € 47.274,29 aan [bedrijf] onder het gelegde derdenbeslag. Die betaling meent [gedaagde] immers grotendeels onverschuldigd te hebben gedaan; zij voert aan per abuis een onjuiste derdenverklaring te hebben afgegeven, waaraan zij vervolgens bij het executoriaal worden van het beslag is gehouden. [eiseres] betwist op haar beurt dat tijdens het gesprek van 13 februari 2023 finale kwijting aan de orde is geweest. Finale kwijting 5.4. De kern van het geschil tussen partijen is de vraag of partijen op 13 februari 2023 al dan niet finale kwijting zijn overeengekomen voor [project 1] . De stellingname dat dit zo is, is een bevrijdend verweer van [gedaagde] ; op haar rusten dan ook in beginsel de stelplicht en de bewijslast (artikel 150 Rv). 5.5. [gedaagde] heeft in dit kader aangevoerd dat uit de e-mail van [persoon B] van 27 januari 2023 (zie 3.8) blijkt dat partijen op 13 februari 2023 tot een totaaloplossing wilden komen met betrekking tot [project 1] . Dat zij die ook daadwerkelijk hebben bereikt, blijkt volgens [gedaagde] uit (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.