Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 71-076064-22 Datum uitspraak: 3 september 2025 Tegenspraak (art. 279 Sv) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [plaats 1] , [land] , gemachtigd raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P.J.A. Huttenhuis heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak feit 2 4.1.1. Standpunt officier van justitie Het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van twee tasers en traangas kan wettig en overtuigend worden bewezen. Deze goederen zijn op 15 oktober 2019 aangetroffen tijdens de doorzoeking in de toenmalige woning van de verdachte. De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie de aanwezigheid van de tasers erkend en hier afstand van gedaan. 4.1.2. Beoordeling Een taser of traangaas wordt in de Wet wapens en munitie niet met zoveel woorden als verboden wapen genoemd. In het dossier ontbreken beschrijvingsprocessen-verbaal met betrekking tot deze voorwerpen, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het wapens zijn zoals bedoeld in artikel 2 lid 1, Categorie II onder 5° en onder 6°, van de Wet wapens en munitie. Dit brengt mee dat wettig bewijs voor dit feit ontbreekt. 4.1.3. Conclusie Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering feit 1 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit. Primair is aangevoerd dat het ten laste gelegde witwassen niet bewezen kan worden omdat op basis van het dossier niet kan worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft tijdens zijn verhoor als getuige op 19 maart 2019 en zijn verhoren als verdachte op 22 oktober en 22 november 2019 uitgebreid verklaard over zijn handelsactiviteiten en die van de aan hem gelieerde rechtspersonen, alsmede over de vraag waar de in geding zijnde gelden in overwegende mate van afkomstig zijn. Daarbij heeft hij verklaard dat sprake was van strikt legale activiteiten en dat de desbetreffende gelden een legale herkomst hebben. Dit betreft een verklaring die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het lag daarom vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de veronderstelde criminele herkomst van die gelden. Niet ontkend kan worden dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Dat onderzoek is zelfs uitgebreid en intensief geweest, maar was vooral gericht op het weerleggen van de door de verdachte in 2019 afgelegde verklaringen, en niet zozeer op het uitsluiten van de legale herkomst van de in de tenlastelegging genoemde gelden. Dat had echter wel gemoeten. Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde witwassen te komen, moet het Openbaar Ministerie immers wettig en overtuigend bewijzen dat het niet anders kan zijn dan dat die gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat bewijs is door het Openbaar Ministerie niet geleverd. Subsidiair is aangevoerd dat het, ondanks het uitgebreide onderzoek van politie en justitie, volstrekt onduidelijk is in welke mate sprake is geweest van crimineel geld dat zou zijn vermengd met de legale opbrengsten uit de handelsactiviteiten van de verdachte en de aan hem gelieerde rechtspersonen. Meer subsidiair is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van opzet, dan wel schuld. 4.2.2. Beoordeling Algemene overweging De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a en b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring – en dus niet, zoals de raadsman heeft aangevoerd, naar de criminele herkomst van het voorwerp. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheden betrekken in haar bewijsoverwegingen. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.) Concreet bewijs van witwassen De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af. In de ten laste gelegde periode van 1 januari 2012 tot en met 15 oktober 2019 is een groot aantal contante bedragen gestort op bankrekeningen van de verdachte, zijn echtgenote [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en de aan de verdachte gelieerde rechtspersonen. Ook is door de verdachte een aantal contante betalingen gedaan. Stortingen en contante betalingen waarvan is vastgesteld dat die (mogelijk) een legale herkomst hebben, zijn in het onderzoek buiten de berekening gelaten, dan wel later hierop in mindering gebracht. De overige bedragen zijn op basis van het onderzoek als ongebruikelijk bezit aangemerkt, omdat uit de opgevraagde gegevens met betrekking tot de inkomsten en het vermogen van de verdachte, [medeverdachte] en de genoemde rechtspersonen niet kan worden vastgesteld dat de herkomst van de kasstortingen en contante betalingen legaal is. In totaal gaat het om een bedrag van € 2.292.212,14. Dit bedrag is als volgt samengesteld: Omschrijving Bedrag Kasstortingen op twee rekeningen van de verdachte (1 oktober 2012 tot en met 1 oktober 2019) (€ 35.065,00 + € 286.990,00) € 322.055,00 Kasstortingen op rekening van zijn echtgenote [medeverdachte] (25 januari 2012 tot en met 20 mei 2019) € 42.405,00 Kasstortingen op rekening van [bedrijf 1] (11 november 2013 tot en met 17 juli 2019) € 741.230,00 Kasstortingen op rekening van [bedrijf 2] (24 juni 2013 tot en met 8 oktober 2019) € 309.185,00 Kasstortingen op twee rekeningen van [bedrijf 3] . (1 augustus 2012 tot en met 18 februari 2014) € 822.105,00 Kasstorting op rekening van [bedrijf 4] (3 maart 2014) € 400,00 Kasstoring op rekening van [bedrijf 5] (21 oktober 2013 tot en met 20 januari 2014) € 7.700,00 Vermindering door kasopnames die mogelijk zijn gebruikt voor kasstortingen (€ 17.250,00 + € 5.770,00 + € 37.680,34 + € 5.100,00) € -65.800,34 Contante betalingen (27 juli 2013 tot en met 25 april 2019) € 137.432,48 Ontvangst in verband met verkoop auto (15 augustus 2019) € -24.500,00 Totaal € 2.292.212,14 Bij het onderzoek naar de herkomst van deze kasstortingen is geconstateerd dat er sprake is van diverse transacties en handelingen tussen de ondernemingen waarbij de verdachte als bestuurder betrokken is en andere ondernemingen in Nederland en/of Zuid-Amerika, die verband houden met als verdacht aangemerkte transporten van goederen vanuit Zuid-Amerika. Het gaat om meerdere transporten waarbij cocaïne in de lading is aangetroffen dan wel waarbij sprake is van andere omstandigheden die aanwijzingen opleveren voor de invoer van verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika. Verder geldt dat de gestorte bedragen en de contante betalingen niet in verhouding staan tot de inkomsten en het vermogen van de verdachte en zijn echtgenote en de aan hem gelieerde rechtspersonen. Daar komt bij dat het voorhanden hebben van relatief grote contante geldbedragen ongebruikelijk is vanwege de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan, reden waarom dit als een zogenoemde witwastypologie gezien wordt. Ook komen er veel onregelmatigheden voor in de administratie van de bedrijven. Zo ontbreken over meerdere jaren de kasboeken en zijn er aanwijzingen dat facturen voor de verkoop van de ingevoerde goederen valselijk zijn opgemaakt. Op basis hiervan is er, als gezegd, een gerechtvaardigd vermoeden dat de verdachte met behulp van bedrijven waarbij hij betrokken was samen met anderen handel dreef met Zuid-Amerikaanse bedrijven voor het opzetten van een goederenstroom (fruit, teakhout, schroot) van Zuid-Amerika naar België en Nederland, met de bedoeling om die goederenstroom te gebruiken voor de invoer van cocaïne. De handel die zichtbaar is en die volgens de verdachte de herkomst zou zijn van de contante gelden, is, anders dan gesteld, geen legale handel, maar illegale handel in deklading en dat kan geen legale bron zijn van de gevonden contante gelden. Nog daargelaten dat niet aannemelijk is geworden dat die handel de verklaring is van alle contante geldstromen. Daar komt bij dat de verdachte in zijn verhoren in 2019 niet concreet heeft verklaard over de herkomst van de diverse kasstortingen en contante betalingen. Zo heeft hij geen concrete bedragen genoemd die door klanten zouden zijn betaald in contanten en vervolgens door hem (of een werknemer) zijn gestort op (één van) de rekeningen van zijn bedrijven. Bij zijn verhoor op 26 maart 2021 is aan de verdachte een PowerPointpresentatie getoond met de onderzoeksbevindingen, onder meer met betrekking tot de kasstortingen, en is hem gevraagd of hij hiervoor een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kon geven. Dat kon hij toen niet. Aan het eind van dit verhoor zijn vier dozen, met daarin 35 mappen administratie, aan hem teruggegeven. Ook is daarna aan hem en zijn raadsman het einddossier verstrekt. De politie heeft vervolgens getracht in september 2021, in week 37 en 38, in de week van 29 november 2021 en op 16 december 2021, een verhoor te plannen. Dat is niet gelukt. De politie heeft de verdediging schriftelijk te kennen gegeven dat wanneer de verdachte een schriftelijke of mondelinge verklaring zou willen afleggen, de politie daarvoor beschikbaar zou zijn. Op een laatste uitnodiging van de politie op 1 augustus 2022 om een verhoor te plannen is nooit een reactie ontvangen. De verdachte heeft in zijn verhoor op 22 november 2019 wel verklaard dat hij geld heeft ingebracht in de ondernemingen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] Het zou daarbij gaan om onder meer een contant bedrag van in totaal € 250.000,- aan leningen. De Belastingdienst bleek de verdachte al in 2018 te hebben verzocht om een verklaring over de herkomst van de door hem aan deze bedrijven uitgeleende gelden. Hij heeft toen verklaard dat hij de legale herkomst van een bedrag van € 184.220,- kon verantwoorden en heeft hiertoe naar voren gebracht dat hij: gedurende anderhalf jaar van zijn [ex-echtgenote] € 100.000,- als lening contant heeft ontvangen ten behoeve van de aankoop van hotel [bedrijf 6] te [plaats 2] ; op 10 maart 2012 aan [persoon A] een Volkswagen Caravelle [kenteken 1] heeft verkocht en hiervoor € 19.500,- contant heeft ontvangen; voor de verkoop van de hotelinventaris van hotel [bedrijf 6] in totaal € 64.720,- contant heeft ontvangen. Er is vervolgens door middel van een rechtshulpverzoek aan de Duitse autoriteiten nader onderzoek gedaan naar de bovenstaande verklaring. Uit dat onderzoek is gebleken dat hotel [bedrijf 6] nooit aan [ex-echtgenote] en/of [verdachte] is verkocht. Ook is geen geldleningsovereenkomst, waarover [ex-echtgenote] spreekt in haar verklaring van 25 september 2011, aangetroffen of overgelegd. [ex-echtgenote] heeft in 2021 verder geen getuigenverklaring willen afleggen. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de inventaris van genoemd hotel is verkocht. Verder is de koper van de Volkswagen [persoon A] niet gevonden en was er een verdenking dat de verdachte de Volkswagen Caravelle [kenteken 1] , die hij als leaseauto onder zich had, niet had geretourneerd en aldus had verduisterd. Het is niet aannemelijk geworden dat de verkoop van de Volkswagen voor een bedrag van € 19.500,- door de verdachte aan [persoon A] daadwerkelijk heeft plaatsgevonden dan wel rechtmatig geschiedde. Conclusie Op grond van het bovenstaande concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat de hierboven genoemde kasstortingen en contante betalingen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig zijn uit enig misdrijf. Het witwassen heeft ruim zes jaren geduurd en heeft in die periode een zodanige omvang en continuïteit gehad dat naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen is dat de verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. 4.2.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gewoontewitwassen van een bedrag van € 2.292.212 door deze contante bedragen voorhanden te hebben en te gebruiken dan wel om te zetten nadat het gestort was. 4.3. Bewijswaardering feit 3 4.3.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van een ploertendoder, omdat in het dossier een beschrijvingsproces-verbaal hiervan ontbreekt. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3.2. Beoordeling Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 19 oktober 2019 tijdens de doorzoeking in verdachtes toenmalige woning een “ploertendoder” in beslag is genomen. Een ploertendoder is een wapen, met zoveel woorden genoemd in artikel 2 lid 1, Categorie I onder 3°, van de Wet wapens en munitie. Ter zitting is niet betwist dat het voorwerp een ploertendoder in de zin van de Wet wapens en munitie was. De rechtbank acht de omschrijving “ploertendoder” voldoende duidelijk om vast te stellen dat het gaat om het desbetreffende wapen genoemd in de Wet wapens en munitie en verwerpt het verweer. 4.3.3. Conclusie Het onder 3 ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 15 oktober 2019 te [plaats 3] (hedendaags bekend onder [gemeente] ), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (van) een totaalbedrag van € 2.292.212, althans (van) één of meerdere geldbedrag(en), sub a - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel - heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.