← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:10791

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/654554 / HA ZA 23-270 Vonnis in vrijwaring van 23 april 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser in vrijwaring, advocaat: mr. M.G. Hop te Dreischor, tegen [gedaagde] , zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland, gedaagde in vrijwaring, advocaat: mr. E. Pimentel te Schiedam. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 20 maart 2024 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; hetgeen op de mondelinge behandeling ten overstaan van de behandelend rechter mr. J.B. Smits en de griffier is meegedeeld, zoals dat blijkt uit de zittingsaantekeningen van de griffier; het deskundigenrapport van 10 juli 2024; de aktes uitlaten deskundigenbericht van beide partijen; het bericht van de rechtbank aan partijen met de vraag of zij prijs stellen op een nieuwe mondelinge behandeling nu de zaak verder zal worden behandeld door een andere rechter aangezien mr. J.B. Smits niet meer werkzaam is bij deze rechtbank; de reactie van beide partijen dat zij daaraan geen behoefte hebben. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling De handtekening 2.
  3. In het deskundigenrapport van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau is onder meer het volgende opgenomen:
  4. Hypothesen Op basis van de onderzoeksvraag zijn de volgende twee elkaar uitsluitende hypothesen beschouwd voor het onderzoek naar de echtheid van de betwiste handtekening: H
  5. De betwiste handtekening is een authentieke handtekening van [gedaagde] . H
  6. De betwiste handtekening is een vervalsing van de handtekening van [gedaagde] . Bij het onderzoek is nagegaan of de resultaten beter passen bij hypothese H1, of de alternatieve hypothese H
  7. […]
  8. Conclusies Op basis van het onderzoek aan de hand van het huidige overgelegde materiaal kan een uitspraak worden gedaan ten aanzien van de onder [8] genoemde hypothesen voor de betwiste handtekening. De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese H1 juist is, dan wanneer hypothese H2 juist is. Dit betekent: de kans op het vinden van deze resultaten is ongeveer 100 tot 10.000 keer groter wanneer de betwiste handtekening een authentieke handtekening is , dan wanneer het om een vervalsing zou gaan van de handtekening van [gedaagde] . 2.
  9. Partijen hebben ondanks uitnodiging daartoe inhoudelijk geen commentaar geleverd op het conceptrapport. [gedaagde] erkent in zijn akte ook dat “daarmee is geoordeeld dat redelijk vaststaat dat [gedaagde] zijn handtekening heeft gezet op de mantelovereenkomst”. Over de conclusie van het rapport bestaat tussen partijen dan ook geen discussie. De rechtbank concludeert dat als bewezen feit vaststaat dat de onderzochte handtekening op de mantelovereenkomst door [gedaagde] is geplaatst. De betekenis van de handtekening 2.
  10. De vraag is vervolgens wat deze vaststelling betekent. [eiser] stelde zich van meet af aan op het standpunt dat [gedaagde] met de ondertekening van de mantelovereenkomst én het in gebruik nemen van de auto, heeft bevestigd in privé aansprakelijk te zijn voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst. [gedaagde] betwistte dat het ging om zijn handtekening, maar betwist nu ook dat zijn handtekening als bewijs dient van zijn aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de verplichtingen uit de mantelovereenkomst. De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. 2.
  11. Volgens [eiser] blijkt uit de handtekening van [gedaagde] dat de afspraak was dat [gedaagde] de leasekosten van de auto zou betalen. Tijdens de mondelinge behandeling is expliciet de betekenis van de geplaatste handtekening aan de orde gesteld. De rechter heeft de mogelijke benoeming van een handschriftdeskundige aan de orde gesteld en vervolgens [gedaagde] gevraagd naar de betekenis van zijn handtekening áls uit een dergelijk onderzoek zou blijken dat het zijn handtekening is. [gedaagde] heeft in antwoord hierop aangegeven vertrouwen te hebben in de handschriftdeskundige en volhardde in zijn betwisting dat de handtekening van hem is. De rechter heeft partijen daarop expliciet gewezen op hun waarheidsplicht en op de potentieel verstrekkende gevolgen van een schending daarvan, omdat de rechter uit een schending de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Partijen zijn op grond van artikel 21 Rv verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, ook als die feiten nadelig zijn voor hun eigen positie, terwijl ook het ontkennen van feiten waarvan men weet of behoort te weten dat zij waar zijn, in strijd is met deze waarheidsplicht. 2.
  12. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] – door tegen beter weten in te blijven betwisten dat hij de mantelovereenkomst heeft ondertekend – welbewust zijn waarheidsplicht heeft geschonden. Ook heeft hij het concentratiebeginsel niet nageleefd doordat hij nagelaten heeft al zijn weren bij conclusie van antwoord duidelijk en met redenen omkleed naar voren te brengen. Hij voert immers pas na het deskundigenrapport aan dat hij er geen weet van zou hebben waarvoor hij een handtekening heeft gezet en dat de bedoeling van de handtekening onduidelijk is. De rechtbank verwerpt dit te laat aangevoerde verweer, ook als consequentie van de schending van de waarheidsplicht en vanwege de ongeloofwaardigheid. [gedaagde] kan niet eerst betwisten dat hij de handtekening heeft gezet en vervolgens, als blijkt dat de handtekening toch van hem is, beweren dat hij slechts heeft getekend ‘voor gezien’. Die argumentatie staat haaks op zijn eerdere stelling dat de handtekening niet van hem was en kan hem gezien het verloop van het partijdebat in dit stadium niet meer baten. 2.
  13. De consequentie van vorenstaande is dat de stellingen van [eiser] over de betekenis van de handtekening op de mantelovereenkomst als onbetwist zijn komen vast te staan. Bij gebrek aan een alternatieve verklaring is de enige verklaring dat die handtekening blijk geeft van de tussen partijen gemaakte afspraak dat – kort gezegd – [gedaagde] zou betalen voor de auto waarin hij mocht rijden. Zodoende staat vast dat [gedaagde] heeft bevestigd in privé aansprakelijk te zijn voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst door de mantelovereenkomst te ondertekenen, hetgeen de grondslag vormt van de toe te wijzen vordering. 2.
  14. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van de leasebedragen aan [eiser] ter zake waarvan [eiser] bij vonnis van 26 juli 2023 in de hoofdzaak is veroordeeld om deze aan DLM te betalen, alsmede de in het dictum van dat vonnis genoemde buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. De vordering van [eiser] zal dus worden toegewezen. Proceskosten 2.
  15. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op: dagvaarding € 143,43 griffierecht € 1.301,00 advocaatkosten € 2.358,00 (3 punten x tarief III) (één punt voor de dagvaarding, één punt voor de mondelinge behandeling en één punt voor de twee – in omvang beperkte – aktes uitlaten deskundigenbericht); deskundigenonderzoek € 3.493,86 nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 7.474,
  16. 3De beslissing De rechtbank 3.
  17. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak jegens DLM is veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling; 3.
  18. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.474,29, te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 3.
  19. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 23 april
  20. 3533 / 3152

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.