Rechtbank Rotterdam Team insolventie weigering schone lei [insolventienummer] uitspraakdatum: 4 september 2025 Bij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2021 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van: [schuldenaar] , [adres] [postcode] [plaats] , schuldenaar, bewindvoerder: E.A. de Snoo. 1De procedure 1.1. De bewindvoerder heeft op 29 april 2025 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. 1.2. Op 5 juni 2025, 1 juli 2025 en 18 augustus 2025 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken. 1.3. De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 18 augustus 2025. Ter terechtzitting zijn verschenen en gehoord: - schuldenaar; - de heer mr. J.M. van der Linden, advocaat van schuldenaar; - mevrouw E.A. de Snoo, bewindvoerder. 1.4. De uitspraak is bepaald op heden. 2De standpunten 2.1. Standpunt bewindvoerder De bewindvoerder heeft in haar eindverslag en in haar berichten aan de rechtbank negatief geadviseerd over de verlening van de schone lei. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat schuldenaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die vanuit de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing zijn. Die tekortkomingen zien volgens de bewindvoerder op de informatieverplichting, de verplichting om geen nieuwe schulden te maken en de afdrachtverplichting. 2.1.1. (
- i)De informatieverplichting Schuldenaar is de informatieverplichting niet naar behoren nagekomen. Thans ontbreken nog de inkomensgegevens van mei 2025 tot en met heden in het dossier. 2.1.2. (
- ii)De verplichting om geen nieuwe schulden te maken Flanderijn, afdeling Telecom inzake [schuldeiser 1] , heeft op 24 april 2025 de bewindvoerder bericht dat schuldenaar een nieuwe schuld heeft laten ontstaan van € 638,95. Vervolgens heeft Flanderijn, afdeling Telecom inzake [schuldeiser 2] , op 30 mei 2025 de bewindvoerder bericht dat schuldenaar wederom een nieuwe schuld heeft laten ontstaan. Deze vordering bedraagt € 1.354,00. Schuldenaar heeft daarmee in 2025 nieuwe schulden laten ontstaan van in totaal € 1.992,95. In 2023 had schuldenaar ook al een nieuwe schuld laten ontstaan bij [schuldeiser 3] ter hoogte van € 2.964,29. Of schuldenaar deze nieuwe schuld inmiddels heeft afbetaald, is onduidelijk. Zowel schuldenaar als zijn budgetbeheerder heeft de bewindvoerder hierover niet geïnformeerd. 2.1.3. ( iii) De afdrachtverplichting Schuldenaar is ook de afdrachtverplichting niet naar behoren nagekomen. Door de budgetbeheerder van schuldenaar werd in mei 2024 voor het laatst afgedragen aan de boedel. In april 2025 werd slechts een bedrag van € 45,24 ontvangen op de boedelrekening. De boedelachterstand bedraagt tot en met juli 2025 € 8.682,95. Dit betreft een schatting omdat de bewindvoerder nog niet alle inkomensgegevens van schuldenaar heeft mogen ontvangen. 2.1.4. (
- iv)Geen verlenging Schuldenaar heeft niet aangetoond dat hij de tekortkomingen wil en kan herstellen. De bewindvoerder kan daarom geen positief advies uitbrengen omtrent een verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. 2.1.5. (
- v)Beschermingsbewind De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat zij geen reden zag om schuldenaar beschermingsbewind te laten aanvragen. De bewindvoerder heeft meermaals contact gehad met schuldenaar en schuldenaar leverde uiteindelijk, weliswaar steeds te laat, de gevraagde informatie aan. Dat sprake zou zijn van onvermogen aan de kant van schuldenaar, volgt niet uit de contacten die de bewindvoerder met schuldenaar heeft gehad. Daarnaast had schuldenaar een budgetbeheerder. 2.2. Standpunt schuldenaar 2.2.1. (
- i)Verklaring schuldenaar Schuldenaar heeft ter zitting verklaard dat hij, ook tijdens de regeling, een budgetbeheerder had. Voorts heeft hij verklaard dat hij bezig is met het afbetalen van de nieuwe schulden. De betalingsregelingen worden nagekomen. 2.2.2. (
- ii)Verklaring advocaat van schuldenaar De advocaat van schuldenaar vraagt zich ter zitting af waarom tijdens de schuldsaneringsregeling niet is gesproken over beschermingsbewind. Aan de kant van schuldenaar is immers sprake van onvermogen. Hij heeft ondersteuning nodig en had eerder geholpen moeten worden. Schuldenaar heeft geen waarschuwingen dan wel hulp gekregen waardoor de schade van de tekortkomingen onnodig is opgelopen. Het had op de weg van de bewindvoerder gelegen om schuldenaar hierbij te helpen en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:110). Voorts verliep de communicatie hierover niet goed. Schuldenaar heeft immers geen waarschuwingsbrief ontvangen, althans dat is op die manier niet bij schuldenaar binnengekomen. 2.2.3. De advocaat van schuldenaar heeft vervolgens ter zitting primair aangevoerd dat aan schuldenaar de schone lei moet worden verleend. De tekortkomingen die zijn ontstaan kunnen namelijk niet aan schuldenaar worden toegerekend en verwijst daarbij naar een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3428). Subsidiair heeft hij aangevoerd dat schuldenaar door middel van een verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling de mogelijkheid moet krijgen om de tekortkomingen te herstellen, waarbij – gelet op de omstandigheden - de boedelachterstand gematigd wordt. De advocaat van schuldenaar verwijst daarbij naar een uitspraak van het hof Den Haag. Schuldenaar is in staat om € 550,00 tot € 600,00 per maand af te lossen. 3De beoordeling 3.1. De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om aan het einde van de regeling een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat (een groot deel van) de schuld van € 34.596,21 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedel en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Daarnaast mogen er geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. 3.2. De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en overweegt daartoe als volgt. 3.3. Ter zitting is besproken dat sprake is van een boedelachterstand. Deze bedraagt volgens het bericht van de bewindvoerder van 18 augustus 2025 € 8.682,95. Schuldenaar heeft de boedelachterstand niet weersproken. Daarmee staat vast dat schuldenaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn afdrachtverplichting. Daarnaast zijn er nieuwe schulden ontstaan bij [schuldeiser 3] en Flanderijn, inzake [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] , van in totaal € 4.957,24. Schuldenaar heeft ook dit niet weersproken. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij met deze schuldeisers een betalingsregeling heeft lopen en dat hij reeds aan het aflossen is. Daarmee staat vast dat schuldenaar ook tekort is geschoten in de nakoming van de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan. Deze tekortkomingen staan in de weg aan de beëindiging van de schuldsaneringsregeling met een schone lei. 3.4. Dat bovengenoemde tekortkomingen niet aan schuldenaar is toe te rekenen, is onvoldoende aannemelijk geworden. Schuldenaar is door middel van de openbare verslagen, een strenge brief van 15 oktober 2021 en bij gelegenheid van het verhoor op 14 juli 2023 op de hoogte gesteld van de tekortkomingen waaronder de oplopende achterstand in de afdrachteverplichting. Bij brief van 30 september 2024 heeft de rechter-commissaris schuldenaar opnieuw gewezen op de ontstane achterstanden. Schuldenaar heeft gedurende de regeling geen, althans onvoldoende, actie ondernomen om de tekortkomingen (proberen) te herstellen. Dit terwijl hij daartoe wel de gelegenheid heeft gehad. Schuldenaar zou met behulp van zijn budgetbeheerder de boedelachterstand inlopen. In plaats daarvan is de boedelachterstand aanzienlijk opgelopen. De boedelachterstand bedraagt thans € 8.682,95. Daarnaast heeft schuldenaar in 2023 en 2025 ook nieuwe schulden laten ontstaan. Deze gedraging van schuldenaar past niet binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarin van een schuldenaar een actieve houding wordt verwacht bij de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Bovendien is het zijn eigen verantwoordelijkheid om aan de verplichtingen te voldoen. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding schuldenaar te volgen in zijn stelling dat een deel van de boedelachterstand niet verwijtbaar zou zijn en dat hij dat deel niet zou hoeven af te lossen 3.5. De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om schuldenaar via een verlenging de kans te geven om de tekortkomingen (alsnog) te herstellen. De regeling heeft inmiddels vier jaar geduurd en kan daarom met maximaal één jaar worden verlengd. Schuldenaar heeft niet concreet aannemelijk gemaakt dat hij de boedelachterstand én de nieuwe schulden middels een verlenging van (maximaal) één jaar kan en zal inlossen. Ook volgt de rechtbank de stelling van de advocaat van schuldenaar niet dat gelet op de omstandigheden de boedelachterstand gematigd moet worden. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doen aan de ernst van de tekortkomingen. 3.6. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat aan schuldenaar geen schone lei wordt verleend. 3.7. De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen. 4De beslissing De rechtbank: - stelt vast dat schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten; - bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 5 augustus 2025; - stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 4.486,00. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 september 2025. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.