← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:11009

Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/316197-24 Datum uitspraak: 15 april 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:[adres] , [postcode] [plaats] , raadsvrouw mr. I. Saey, advocaat in Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 1 april

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A. de Bruijne heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde; toepassing van het jeugdstrafrecht; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door Reclassering Nederland (hierna te noemen: de reclassering); met opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. 4Waardering van het bewijs 4.
  2. Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.
  3. Bewijswaardering feit 1 4.2.
  4. Standpunt verdediging De verdediging bepleit partiële vrijspraak van het laatste gedachtestreepje “bij de vagina, althans in de kruisstreek vast te pakken en/of te grijpen”, omdat de verklaring van aangeefster op dit punt niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund. Daarnaast heeft de verdachte over de alle feiten openheid van zaken gegeven, maar blijft hij erbij dat dit onderdeel niet is gebeurd. 4.2.
  5. Beoordeling Aangeefster heeft verklaard, zoals blijkt uit de uitgewerkte bewijsmiddelen in bijlage II, dat zij op 3 oktober 2024 eerst door de verdachte is achtervolgd en daarna in haar bil is geknepen. Vervolgens is aangeefster van haar fiets getrokken, ten val gekomen en terwijl zij op de grond lag is zij nog een keer in haar bil geknepen en meermalen bij haar kruis gepakt. Ook verklaart de aangeefster over het signalement van de verdachte, namelijk een jongen met een rode fiets, een bril, een donkere jas, een rugtas en een spijkerbroek. De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster geloofwaardig, omdat zij uitgebreid, consistent en gedetailleerd heeft verklaard over wat haar is overkomen en over het signalement van de dader, en de rechtbank heeft geen enkele reden om aan die verklaring te twijfelen. Het verweer wordt verworpen. 4.2.
  6. Conclusie Het onder 1 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. 4.
  7. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: Feit 1: hij op of omstreeks 3 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht met een persoon, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten, het meermalen knijpen in de billen en/of het vastpakken bij de vagina, althans grijpen in de kruisstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, en geweld en/of bedreiging, door - die [slachtoffer 1] te achtervolgen op de fiets en/of - (telkens) onverhoeds in de billen te knijpen en/of (vervolgens) - om te keren en de fiets van die [slachtoffer 1] uit de handen te trekken en/of - die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of omver te trekken (waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of - die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) bij de vagina, althans in de kruisstreek vast te pakken en/of te grijpen; Feit 2: hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) knijpen in de billen, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak; Feit 3: hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het likken/zuigen aan de wang, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, en vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer 3] - de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, niet eerder wegging voordat met hem was gezoend, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of - vervolgens die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal vast te grijpen/beet te pakken bij de keel en/of in de nek en/of; - op de grond te duwen; Feit 4: hij op of omstreeks 3 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 4] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetaanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging, - die [slachtoffer 4] op de fiets heeft achtervolgd en/of - met zijn, verdachtes fiets, de doorgang van [slachtoffer 4] heeft belemmerd en/of vervolgens - die [slachtoffer 4] de woorden heeft toegevoegd: "Ik steek je dood of je gaat nu met mij zoenen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 5: hij op of omstreeks 28 september 2024 te Alblasserdam met een persoon, te weten [slachtoffer 5] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) knijpen in de billen, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 5] daartoe de wil ontbrak. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: Feit 1: opzetaanranding, voorafgegaan en vergezeld van dwang en geweld; Feit 2: opzetaanranding; Feit 3: opzetaanranding, voorafgegaan en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging; Feit 4: poging tot opzetaanranding, voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang en bedreiging; Feit 5: opzetaanranding. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.
  8. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.
  9. Feiten waarop de straf is gebaseerd De negentienjarige verdachte heeft in een week tijd vijf vrouwen op de openbare weg aangerand. De verdachte heeft de eerste twee slachtoffers achtervolgd en onverhoeds in hun billen geknepen. Daarna lijkt er sprake van een toename in ernst van het geweld en de bedreigingen. De verdachte heeft het derde (minderjarige) slachtoffer eerst bedreigd en is vervolgens met haar in een worsteling geraakt, waarbij hij aan haar wang gelikt heeft. Ook bij het vierde slachtoffer heeft de verdachte geweld gebruikt. Nadat hij eerst, terwijl het slachtoffer aan het fietsen was, onverhoeds in haar billen heeft geknepen, is hij vervolgens omgedraaid en heeft hij haar het fietspad op getrokken. Toen het slachtoffer op de grond lag heeft hij opnieuw in haar billen geknepen en haar vagina vastgepakt. Bij het vijfde slachtoffer is het bij een poging gebleven. Daarbij heeft de verdachte het slachtoffer bedreigd haar iets aan te doen als zij niet met hem zou zoenen. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. Bij bijna alle feiten heeft de verdachte de slachtoffers achtervolgd en voelden zij ook dat zij achtervolgd werden. Dat moet voor hen uiterst bedreigend en beangstigend zijn geweest. Uit de aangiftes, de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen en de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van een van de slachtoffers en nadere toelichting van een ander slachtoffer ter zitting, blijkt dat zij nog steeds last ondervinden van wat hen is overkomen. Bovendien dragen dergelijke zedenmisdrijven bij aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. 7.
  10. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.
  11. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor aanranding. De rechtbank weegt deze documentatie daarom in strafverzwarende zin mee. 7.3.
  12. Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting Psychiater, dr. [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd21 december
  13. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. Het denken en spreken van de verdachte verlopen zowel inhoudelijk als naar vorm op licht beperkt verstandelijk niveau, conform het eerder geteste intelligentieniveau van
  14. De bevindingen van het psychiatrisch onderzoek en de beschikbare informatie bevestigen de eerder bij de verdachte gestelde diagnose van een autismespectrumstoornis. De verdachte heeft vrijwel geen ziekte-inzicht en beperkt probleeminzicht. Daardoor werd het impulsief en agressief afreageren van zijn seksuele verlangens en frustratie door zijn autistische rigiditeit en neiging tot fixatie en repetitie, gezien zijn uitlatingen, snel een expansief en drangmatig patroon. Het handelen van de verdachte, zoals ten laste gelegd, is grotendeels voortgekomen uit een gebrek in de sociale interactie door een autistische stoornis met bijkomende verstandelijke beperking. Het advies is daarom om de ten laste gelegde feiten in een sterk verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, waarbij de risico’s voor ernstiger zedendelicten moeilijk zijn in te schatten, maar lager lijken te zijn. In vragen van de psychiater naar de kans op herhaling heeft de verdachte gezegd: “ik ben ook wel bang voor herhaling, ook wel voor ergere dingen, verkrachting of zo. Ze hadden me niet veel later moeten oppakken, het werd steeds erger”. De psychiater adviseert een voorwaardelijk strafdeel en klinische psychiatrische behandeling van de verdachte in een instelling voor licht verstandelijk beperkten. Daarbij is noodzakelijk dat de instelling expertise heeft op het gebied van zedendelicten en aansluitende resocialisatie naar een beschermd of begeleid-wonen voorziening. Ook wordt oplegging van toezicht door de reclassering geadviseerd. Bovendien wordt toepassing van het adolescentenstrafrecht geadviseerd omdat de verdachte functioneert op verstandelijk beperkt niveau, zijn gedrag slecht kan organiseren en risico’s van zijn handelen slecht kan inschatten. Hij handelt zonder nadenken, is in zijn ontwikkeling jonger dan zijn kalenderleeftijd en een pedagogische aanpak lijkt mogelijk. Reclassering Nederland schrijft in het rapport over de verdachte van 19 maart 2025 dat de inschatting is dat zonder inzet van passende interventies de kans op herhaling van een zedendelict hoog is. De reclassering ziet geen reden af te wijken van het door de psychiater gegeven advies. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden dat de verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), zich laat opnemen in een passende zorginstelling, waarbij de gemiddelde opnameduur achttien maanden is, en medewerking verleent aan het verblijf in een instelling voor beschermd/begeleid wonen of een andere maatschappelijke opvang. Daarnaast adviseert de reclassering toepassing van het adolescentenstrafrecht, gezien de kwetsbaarheid van de verdachte, het impulsieve gedrag dat hij daardoor vertoont en het niet kunnen overzien van de gevolgen van zijn handelen. Daarbij weegt voor de reclassering mee dat de verdachte voor zijn detentieverblijf thuis woonde, veel sturing nodig heeft en onder bewind en mentorschap van zijn moeder staat. Ter zitting heeft de deskundige [persoon B], werkzaam als jeugdreclasseerder bij de WSS, verklaard dat er nog geen zicht is op een behandelplek voor de verdachte. Een plaatsing bij Ipse de Bruggen zou mogelijk zijn, maar daarvoor is vereist dat de verdachte gemotiveerd is voor de behandeling. Er wordt getwijfeld of de verdachte daadwerkelijk deze motivatie heeft of dat deze motivatie ziet op de wens om uit de jeugdgevangenis te komen. Daarnaast is voor de klinische opname vereist dat na het slagen van de behandeling er een terugkeergarantie is. De verdachte heeft op dit moment een vrije lage indicatie op grond van de Wet Langdurige Zorg, is niet eerder in de zorg geweest en staat niet op een wachtlijst, waardoor de wil er bij de instanties niet is om deze garantie te ondertekenen. Er is daarom geen zicht op een behandelplek. Morgen, op 2 april 2025, vindt er op hoog niveau een overleg plaats over wat er moet gebeuren op de langere termijn en waar de verdachte naartoe kan terugkeren. Vast staat dat hij niet terug kan naar zijn ouders en dat er op de korte, middellange en lange termijn nog geen plek is voor de verdachte. Het zou helpend zijn als de verdachte nog niet op vrije voeten wordt gesteld, zodat er meer tijd beschikbaar is om een geschikte plek voor hem te regelen. 7.
  15. Conclusies van de rechtbank Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Toepassing van het jeugdstrafrecht Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen. Toerekeningsvatbaarheid De conclusie van de psychiater wordt gedragen door zijn bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis en een lichtverstandelijke beperking die ook aanwezig waren ten tijde van de tenlastegelegde feiten kunnen deze feiten in verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend en houdt hier in strafverminderende zin rekening mee bij het bepalen van de straf. Straf De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Aan de verdachte zou normaal gesproken een forse (deels voorwaardelijke) taakstraf dienen te worden opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte op het moment van de zitting al 181 dagen in voorarrest verblijft. De reden daarvan is mede dat er tot op heden nog geen geschikte behandelplek en woonplek voor de verdachte is gevonden. Dat een passende plek voor de verdachte nog niet gevonden is, ligt niet aan de bereidheid van de verdachte en de inspanningen van de jeugdreclasseerder. Omdat terugkeren in de thuissituatie bij de moeder (en de vader) niet mogelijk is, zou dat betekenen dat de verdachte als hij op vrije voeten komt geen woonplek heeft. Die situatie is noch in belang van de verdachte noch in het belang van de maatschappij wenselijk. Uit de rapportages en de verklaring van de verdachte blijkt dat het recidiverisico hoog is en dat behandeling en begeleiding noodzakelijk is om de kans op herhaling te beperken. Het is daarom belangrijk dat de benodigde passende plek voor de verdachte alsnog gevonden wordt. Om de jeugdreclassering extra tijd te geven in de zoektocht naar deze plek, ziet de rechtbank zich genoodzaakt een onvoorwaardelijke straf op te leggen die langer is dan de voorlopige hechtenis. De verdediging heeft tegen de dienovereenkomstige eis van de officier van justitie, onder meer op dezelfde gronden als de rechtbank, ook geen verweer gevoerd. De rechtbank zal dus aan de verdachte een hogere straf opleggen dan gebruikelijk, omdat dit het meest tegemoet komt aan de belangen en ontwikkeling van de verdachte. Daarnaast zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten (gekwalificeerde) opzetaanranding. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psychiater en reclassering, komt naar voren dat de oorzaak van het handelen van de verdachte gelegen is in zijn persoonlijkheid, er nauwelijks ziekte-inzicht is en dat zonder behandeling er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Algemene afsluiting Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een jeugddetentie voor de duur van 270 dagen, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met een proeftijd van twee jaar onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden. 8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen Feit 1: [slachtoffer 1] Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 133,93 aan materiële schade en een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Feit 3: [slachtoffer 3] Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 99,- aan materiële schade en een bedrag van € 1.000 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Feit 5: [slachtoffer 5] Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.700,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.
  16. Standpunt officier van justitie De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedings-maatregel. 8.
  17. Standpunt verdediging Feit 1: [slachtoffer 1] De verdediging refereert zich over de gevorderde parkeerkosten, aan het oordeel van de rechtbank. Het gevorderde bedrag voor de kleding, omdat [slachtoffer 1] dit niet terug wil, leent zich niet voor vergoeding door de verdachte. Daarnaast vindt de verdediging dat er een disproportioneel hoog bedrag aan immateriële schade is gevorderd. Bovendien is het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd. Feit 3: [slachtoffer 3] Ten aanzien van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderde materiële schade, de herstelkosten van de telefoon, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Wat de hoogte van de immateriële schade betreft begrijpt de verdediging dat, ondanks dat dit niet met stukken is onderbouwd, gezien de jonge leeftijd van de benadeelde sprake is van aantasting van haar lichamelijke integriteit. Feit 5: [slachtoffer 5] Tot slot stelt de verdediging zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade door de benadeelde partij [slachtoffer 5] op het standpunt dat de psychische schade die de benadeelde ervaart niet met stukken is onderbouwd en dit een dergelijk hoog schadebedrag niet rechtvaardigt. Kortom, de verdediging verzoekt ten aanzien van alle gevorderde immateriële schadebedragen van alle benadeelde partijen, onder verwijzing van de ter zitting overhandigde jurisprudentie, de hoogte daarvan te matigen tot € 500,-. 8.
  18. Beoordeling Feit 1: [slachtoffer 1] Vast is komen te staan dat aan benadeelde partij [slachtoffer 1] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde parkeerkosten zijn onderbouwd en door de verdediging niet weersproken, waardoor dit deel van de vordering voor toewijzing vatbaar is. Ook de kosten voor de kleding acht de rechtbank voor toewijzing vatbaar, omdat de benadeelde partij de kleding al zes maanden niet (meer) in bezit heeft. Tevens is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van het feit, de inbreuk op de lichamelijke integriteit, brengen mee dat aantasting in persoon aannemelijk is. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 750,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het overige deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Wettelijke rente De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 oktober
  19. Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Feit 3: [slachtoffer 3] Vast is komen te staan dat aan benadeelde partij [slachtoffer 3] door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechts materiële schade is toegebracht. De gevorderde reparatiekosten van de telefoon zijn voldoende onderbouwd en daarmee voor toewijzing vatbaar. Daarnaast is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtsreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van het feit, de inbreuk op de lichamelijke integriteit, brengen mee dat aantasting in de persoon aannemelijk is. De immateriële schade is door de verdediging ook niet weersproken, en nu de rechtbank geen aanleiding ziet de hoogte van dit bedrag te matigen, zal ook dit deel van de vordering worden toegewezen. Wettelijke rente De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 oktober
  20. Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Feit 5: [slachtoffer 5] Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De aard en de ernst van het feit, de inbreuk op de lichamelijke integriteit, brengen mee dat aantasting in de persoon aannemelijk is. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Het overige deel van de vordering wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Wettelijke rente De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 september
  21. Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8.
  22. Conclusie Feit 1: [slachtoffer 1] De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 1] een schadevergoeding betalen van € 883,93, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. Feit 3: [slachtoffer 3] De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 3] een schadevergoeding betalen van € 1.099,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. Feit 5: [slachtoffer 5] De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer 5] een schadevergoeding betalen van € 500,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 45, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 241 van het Wetboek van Strafrecht. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 270 (tweehonderd-zeventig) dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de jeugdreclassering nodig achten, zal laten opnemen in passende zorginstelling, te bepalen door de jeugdreclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven; - gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor beschermd dan wel begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld; van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden: - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie; veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 883,93 (zegge: achthonderddrieëntachtig euro en drieënnegentig eurocent), bestaande uit € 133,93 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen € 883,93 (hoofdsom, zegge: achthonderddrieëntachtig euro en drieënnegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 1.099,- (zegge: duizend negenennegentig euro eurocent), bestaande uit € 99,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen € 1.099,- (hoofdsom, zegge: duizend negenennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer 5] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 5] te betalen € 500,- (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen. Dit vonnis is gewezen door: mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. K.T.F. Chocolaad-de Bos en A. Wolthuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 april
  23. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat Feit 1: hij op of omstreeks 3 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht met een persoon, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten, het meermalen knijpen in de billen en/of het vastpakken bij de vagina, althans grijpen in de kruisstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- die [slachtoffer 1] te achtervolgen op de fiets en/of- (telkens) onverhoeds in de billen te knijpen en/of (vervolgens)- om te keren en de fiets van die [slachtoffer 1] uit de handen te trekken en/of- die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of omver te trekken (waardoor die [slachtoffer 1] ten val kwam) en/of- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) bij de vagina, althans in de kruisstreek vast te pakken en/of te grijpen; Feit 2: hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) knijpen in de billen, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak; Feit 3: hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambacht met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het likken/zuigen aan de wang, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak,en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [slachtoffer 3]- de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, niet eerder wegging voordat met hem was gezoend, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of- vervolgens die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal vast te grijpen/beet te pakken bij de keel en/of in de nek en/of- op de grond te duwen; Feit 4: hij op of omstreeks 3 oktober 2024 te Hendrik-Ido-Ambachtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 4] , een of meer seksuele handelingen te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 4] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetaanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,- die [slachtoffer 4] op de fiets heeft achtervolgd en/of- met zijn, verdachtes fiets, de doorgang van [slachtoffer 4] heeft belemmerd en/of vervolgens- die [slachtoffer 4] de woorden heeft toegevoegd: "Ik steek je dood of je gaat nu met mij zoenen", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; Feit 5: hij op of omstreeks 28 september 2024 te Alblasserdam met een persoon, te weten [slachtoffer 5] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) knijpen in de billen, terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 5] daartoe de wil ontbrak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.