← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:11011

Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummers: 10/392147-24, 10/356523-24, 10/303398-23 en 10/213574-23 (gevoegd ttz) Datum uitspraak: 3 juni 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 20 mei 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd: vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 2 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 1 en 3 ten laste gelegde, van het in de zaak met parketnummer 10/392147-24 ten laste gelegde, van het in de zaak met parketnummer 10/356523-24 onder primair ten laste gelegde en van het in de zaak met parketnummer 10/213574-23 onder 1 en 2 ten laste gelegde; toepassing van het jeugdstrafrecht; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 182 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR); met opdracht aan JBRR tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewezenverklaring zonder nadere motivering Het in de zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 1 en 3 ten laste gelegde, het in de zaak met parketnummer 10/392147-24 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/213574-23 onder 1 en 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.3. Vrijspraak met motivering 4.3.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht de in de zaak met parketnummer 10/356523-24 primair ten laste gelegde diefstal van een auto wettig en overtuigend bewezen. Daartoe heeft zij kort samengevat aangevoerd dat de aangever heeft verklaard dat hij die dag bij Inholland was geweest en dat hij er later achter was gekomen dat hij daar vermoedelijk op het toilet zijn autosleutel was verloren. Later op die dag was zijn auto vanaf de parkeerplek nabij Inholland gestolen. Volgens de medeverdachte kwam de verdachte in de gestolen auto aangereden en zou hij verteld hebben dat hij de sleutel had gevonden op het toilet bij Inholland. De verklaring van de medeverdachte sluit aan bij de aangifte, waardoor de officier van justitie daaraan meer waarde hecht dan aan de verklaring van de verdachte. 4.3.2. Beoordeling Op grond van de inhoud van het dossier staat vast dat op 18 juli 2024 de auto van de aangever rondom 15:39 uur is weggenomen vanaf een parkeerplaats nabij Inholland en dat de verdachte en de medeverdachte ongeveer een half uur later om 16:10 uur in deze auto zijn aangetroffen. De verdachte ontkent de autosleutels te hebben weggenomen. Hij verklaart dat zijn medeverdachte hem met de gestolen auto kwam ophalen en dat hij is ingestapt. Hoewel de verdachte aanwezig is geweest op de plek waar de aangever zijn autosleutels mogelijk is kwijt geraakt, kan de rechtbank op basis van de stukken in het dossier echter niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte degene is geweest die de autosleutels heeft weggenomen. De camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier zijn onvoldoende duidelijk om tot herkenning van personen te komen. In het dossier bevinden zich alleen nog de verklaringen van de verdachte en medeverdachte en die verklaringen zijn uiteenlopend en tegenovergesteld. Aanvankelijk verklaart de medeverdachte helder en duidelijk over het aandeel van de verdachte, maar als hij vervolgens nader ondervraagd wordt, is zijn verklaring niet overtuigend en niet consistent. Gelet hierop en omdat de verklaring van de medeverdachte het enige bewijsmiddel is dat de verklaring van de aangever ondersteunt, is de rechtbank van oordeel dat niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde. Ook ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling van de auto, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte als bijrijder in een gestolen auto is aangetroffen. Er waren geen braaksporen noch was er schade aan het contactslot en is de auto met een sleutel gestart. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist, dan wel behoorde te weten dat het een gestolen auto betrof. 4.3.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/356523-24 onder primair en subsidiair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de zaak met parketnummer 10/392147-24 ten laste gelegde, het de in zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 1 en 3 ten laste gelegde en in de zaak met parketnummer 10/213574-23 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: In de zaak met parketnummer 10/392147-24 hij op of omstreeks 9 december 2024 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver, namelijk een (omgebouwde alarm-)revolver van het, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22LRen/ofvoor voornoemd vuurwapen bestemde munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22LR voorhanden heeft gehad; In de zaak met parketnummer 10/303398-23 Feit 1 hij op of omstreeks 6 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten de Van Enckevoirtlaan en/of in het Wilgenplaspark, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ketting en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(

  1. s)toebehoorde(
  2. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - die [slachtoffer 1] in te sluiten en/of - die [slachtoffer 1] (stevig) bij zijn kraag en/of zijn kleding beet te pakken en/of - te voelen in de broekzak en/of de kleding van die [slachtoffer 1] en/of - de ketting van die [slachtoffer 1] los te maken en/of - de mobiele telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] te grissen, althans weg te nemen; Feit 3 hij op of omstreeks 26 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te stompen/ en te slaan in zijn gezicht, althans op/tegen het lichaam; In de zaak met parketnummer 10/213574-23 Feit 1 hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Maassluis en/of Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 80,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 2 hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Maassluis en/of Rotterdam, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (vlees)mes, voorhanden heeft gehad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: In de zaak met parketnummer 10/392147-24 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II; en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie; In de zaak met parketnummer 10/303398-23 Feit 1 diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen op de openbare weg; Feit 3 mishandeling; In de zaak met parketnummer 10/213574-23 Feit 1 opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; Feit 2 handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Allereerst heeft de verdachte zich op achttienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd vuurwapen met munitie. Het ongecontroleerd bezit van vuurwapens kan leiden tot het toebrengen van ernstige schade aan personen en/of goederen en tot gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij. Die gevoelens worden versterkt door het feit dat vuurwapens steeds vaker worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten Vervolgens heeft de toen zeventienjarige verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving op 6 mei 2023 in Rotterdam. Daarbij zijn de ketting en telefoon van het slachtoffer weggenomen en is er geweld gebruikt. Twintig dagen later komt de verdachte het slachtoffer in een park tegen. Daar heeft hij uit boosheid, omdat het slachtoffer aangifte tegen hem gedaan heeft, het slachtoffer mishandeld door hem te slaan en te stompen tegen het gezicht. De wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachte hebben gehandeld getuigt van een gebrek aan respect voor de bezittingen en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden zulke strafbare feiten bovendien tot onrust en angst in de maatschappij. Tot slot heeft de toen zeventienjarige verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet doordat hij harddrugs aanwezig heeft gehad. Na doorzoeking van zijn kamer is er een zak met Xtc-pillen aangetroffen. Bij zijn aanhouding zijn er vervolgens nog een vijftal Xtc-pillen gevonden en is er een vleesmes in zijn broeksband aangetroffen. Drugs vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid. Het voorhanden hebben van een dergelijk mes brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich. De ervaring leert dat het bezit van zo’n mes gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan, met ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Het is een minderjarige dan ook verboden om een dergelijk mes voorhanden te hebben. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. 7.3.2. Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting GZ-psycholoog, drs. [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 februari 2024. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. De verdachte heeft een disharmonisch intelligentieprofiel, maar met globaal gezien een gemiddelde tot een hoog-gemiddelde intelligentie. Er is sprake van een disruptieve stemmingsdisregulatie-stoornis, die gekenmerkt wordt door frequente woedeaanvallen op meerdere levensterreinen en een vaak prikkelbare stemming. Naast agressie is ook vaak sprake van oncontroleerbaar impulsief gedrag. Opvallend aan zijn boosheid en frustraties is dat de verdachte er zo in blijft hangen, waardoor hij haast niet in staat is tot relativeren. Daarnaast wordt een grote ontwikkelingsachterstand op emotioneel gebied gezien en zijn er tekenen van een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis. Er zijn trekken aan te wijzen van een histrionische, narcistische en een paranoïde persoonlijkheidsstoornis, maar niet in die mate dat hij aan één daarvan geheel beantwoordt. Verder wordt een stoornis in cannabis, matig van ernst, ouder kind relatieproblemen en uithuisplaatsing en problemen met onderwijs gezien. Bij nagenoeg alle verdenkingen is planmatigheid in het spel, waardoor het advies is dit niet in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Dat ziet de GZ-psycholoog echter anders voor wat betreft de mishandeling, gepleegd op 26 mei 2023, daar lijkt impulsiviteit een grote impact te hebben gehad. Het advies is om dat feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. De kans op herhaling wordt ingeschat als hoog. Om de kans op herhaling te verlagen is hulpverlening nodig. Deze hulp zou, gezien de complexiteit van de problematiek van de verdachte, eigenlijk intramuraal moeten plaatsvinden. Vanwege lange wachtlijsten is op dit moment zo gedifferentieerd mogelijke ambulante hulp geïndiceerd. Van belang is de agressieregulatie training te verruimen met een emotieregulatie- en/of psychomotore training. Ook kan een vorm van cognitieve therapie of schematherapie helpend zijn om de gevolgen van de stoornissen te verlichten. Om de verstoorde relatie met de ouders te verbeteren zou een vorm van systeemtherapie helpend kunnen zijn. Al met al wordt oplegging van een voorwaardelijke (taak)straf met toezicht door de jeugdreclassering en het meewerken aan de hulpverlening als bijzondere voorwaarden geadviseerd. Gezien de forse achterstand in de emotionele ontwikkeling van de verdachte, waardoor hij nog pedagogische sturing nodig heeft wordt er geen aanleiding gezien om toepassing van het meerderjarigenstrafrecht te adviseren. Reclassering Nederland schrijft in het rapport van 6 mei 2025 over de verdachte dat er aanwijzingen zijn voor problemen op het gebied van sociaal netwerk, houding en psychosociaal functioneren. De verdachte lijkt negatieve sociale contacten te hebben en onvoldoende weerbaar te zijn tegen deze negatieve invloeden. Het verblijf in de woonvorm verloopt moeizaam, omdat de verdachte veel stress ervaart. Hierdoor is zijn cannabisgebruik toegenomen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Reclassering Nederland adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden dat hij zal meewerken aan toezicht en begeleiding door JBRR, zal meewerken aan behandeling door De Waag of een soortgelijke instelling, zal verblijven bij de begeleid-wonen voorziening van Innovazorg of een soortgelijke instelling, zal meewerken aan een locatiegebod en ter controle daarvan zal meewerken aan elektronische monitoring, zich zal inzetten voor het volgen van een mbo-1 opleiding zorg en dienstverlenging aan het Zadkine college of een andere opleiding en zal meewerken aan het aflossen van schulden en treffen van afbetalingsregelingen. Ook is het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen. JBRR schrijft in het rapport over de verdachte van 14 mei 2025 dat er bij de verdachte sprake is van psychische problematiek veroorzaakt door factoren uit het verleden. Het baart zorgen dat de relatie met de ouders ernstig verstoord is. De ouders hebben begin april 2024 tegen de verdachte gezegd dat zij geen contact meer met hem willen. Daarnaast kan de verdachte zich negatief laten beïnvloeden door derden en heeft hij moeite om afstand van deze personen te nemen. De verdachte lijkt in de problemen te komen door zijn impulsiviteit en omdat hij onvoldoende in staat is om de gevolgen van zijn keuzes te overzien. Het algemeen recidiverisico wordt ingeschat als hoog. JBRR adviseert om aan de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het al ondergane voorarrest. Daarnaast is het advies om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte een dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of een baan zal hebben en behouden, zal meewerken aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, zal meewerken aan bewindvoering, zich zal houden aan de voorwaarden die zijn gesteld met betrekking tot elektronische monitoring in de vorm van een gps-enkelband, voor de maximale duur van zes maanden vanaf 6 februari 2025 en zich zal houden aan de aanwijzingen van JBRR. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport opgemaakt over de verdachte, ten aanzien van het onder parketnummer 10-213574-23 ten laste gelegde, gedateerd van 16 mei 2025. Daarin schrijft de Raad over de verdachte dat hij veel heeft meegemaakt en dat de verdenkingen dateren van twee jaar geleden. Sindsdien zijn er positieve ontwikkelingen zichtbaar, zoals dat hij behandeling bij De Waag volgt, het goed doet op zijn stage, gestart is met bewindvoering en verbetering laat zien in zijn schoolgang. De Raad sluit zich aan bij de adviezen van JBRR en Reclassering Nederland en adviseert om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden dat hij zal meewerken aan meldplicht, een positieve dagbesteding zal hebben in de vorm van onderwijs en/of werk, een positieve vrijetijdsbesteding zal hebben in de vorm van sport en/of een bijbaan en zal meewerken aan de door JBRR noodzakelijk bevonden hulpverlening, ook als dat inhoudt meewerken aan behandeling vanuit een GGZ-instelling. Ook sluit de Raad zich aan bij de adviezen van JBRR en Reclassering Nederland om het jeugdstrafrecht toe te passen. Op de zitting heeft de deskundige [persoon B], werkzaam als jeugdreclasseerder bij JBRR het advies toegelicht en verklaard dat ondanks de stappen die de verdachte heeft gezet, er zorgen blijven bestaan over zijn emotieregulatie. Vanuit stress, een vol hoofd of vanuit ingrijpende gebeurtenissen kan de verdachte zeer boos worden. De behandeling bij De Waag richtte zich aanvankelijk op de gebeurtenissen uit het verleden. Dat leverde teveel spanningen op, waardoor de behandeling zich nu op het heden richt. Positief is dat de verdachte altijd open staat voor het voeren van een gesprek, om naar zichzelf te kijken en dat hij contacten verbroken heeft met bepaalde jongeren. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Toepassing van het jeugdstrafrecht Volgens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10/392147-24 bewezenverklaarde feiten, heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen. Toerekeningsvatbaarheid De conclusie van de GZ-psycholoog wordt gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van psychische stoornissen die ook aanwezig waren ten tijde van het in de zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 3 tenlastegelegde feit acht de rechtbank de verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar. Straf Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij ter zitting uiteindelijk openheid van zaken heeft gegeven en daarmee verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en dat voor een deel van de bewezenverklaarde feiten sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis lijkt sprake van een voorzichtige positieve ontwikkeling. Het baart de rechtbank echter wel zorgen dat de verdachte bij nagenoeg alle bewezenverklaarde feiten planmatig gehandeld heeft. Om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen, acht de rechtbank behandeling van de stoornissen van de verdachte in combinatie met een strak kader met een forse stok achter de deur noodzakelijk. De rechtbank zal de verdachte daarom ook een voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel is van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht. Daarnaast zal de rechtbank, gelet op de gegeven adviezen van de GZ-psycholoog, Reclassering Nederland, de Raad en JBRR, waaruit blijkt dat zij begeleiding van de jeugdreclassering en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, de voorwaarden opleggen die hierna worden genoemd. Dadelijke uitvoerbaarheid De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten diefstal met geweld en mishandeling. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de Gz-psycholoog, Reclassering Nederland, de Raad en jeugdreclassering, waaruit naar voren komt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat begeleiding en behandeling nodig is om de kans op herhaling zoveel mogelijk te beperken, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 9Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 10Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 2 ten laste gelegde feit en de in de zaak met parketnummer 10/356523-24 onder primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak met parketnummer 10/303398-23 onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, het in de zaak met parketnummer 10/392147-24 ten laste gelegde feit en de in de zaak met parketnummer 10/213574-23 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 162 (honderdtweeën-zestig) dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 100 (honderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; - zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering; - zich zal inspannen voor het hebben en behouden van dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of een baan; - gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Innovazorg of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering heeft opgesteld; - medewerking zal verlenen aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling; - medewerking zal verlenen aan bewindvoering, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt; - medewerking zal verlenen aan elektronische monitoring en zich zal houden aan de voorwaarden die zijn gesteld met betrekking tot elektronische monitoring in de vorm van een gps-enkelband voor de maximale duur van 6 (zes) maanden vanaf 6 februari 2025; dit houdt ook in dat de verdachte dagelijks tussen 07:00 uur en 22:00 uur de enkelband tenminste drie uur oplaadt; - zich houden zal houden aan een avondklok voor de maximale duur van zes maanden vanaf 6 februari 2025 of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Deze avondklok houdt in dat de veroordeelde dagelijks om 20:00 uur thuis, te weten op het adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] , zal zijn en thuis zal blijven tot de volgende ochtend 07:00 uur. Deze tijdstippen van de avondklok kunnen worden gewijzigd door de (jeugd)reclassering, in die zin dat de veroordeelde in dat geval ’s avonds later thuis mag komen en ’s ochtends eerder van huis mag; Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden: - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en S.C. Sassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2025. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat In de zaak met parketnummer 10/392147-24 hij op of omstreeks 9 december 2024 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver, namelijk een (omgebouwde alarm-)revolver van het, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22LRen/ofvoor voornoemd vuurwapen bestemde munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 4 kogelpatronen van het kaliber .22LR voorhanden heeft gehad; In de zaak met parketnummer 10/356523-24 hij op of omstreeks 18 juli 2024 te Rotterdam een personenauto (voertuig) met kenteken [kentekennummer] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
  3. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en/of een valse sleutel, door de valse en/of gevonden autosleutel onbevoegd te gebruiken en daarmee de personenauto weg te nemen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 18 juli 2024 te Rotterdam, een personenauto (voertuig) met kenteken [kentekennummer] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof; In de zaak met parketnummer 10/303398-23 Feit 1 hij op of omstreeks 6 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten de Van Enckevoirtlaan en/of in het Wilgenplaspark, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ketting en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
  4. s)toebehoorde(
  5. n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - die [slachtoffer 1] in te sluiten en/of - die [slachtoffer 1] (stevig) bij zijn kraag en/of zijn kleding beet te pakken en/of - te voelen in de broekzak en/of de kleding van die [slachtoffer 1] en/of - de ketting van die [slachtoffer 1] los te maken en/of - de mobiele telefoon uit de handen van die [slachtoffer 1] te grissen, althans weg te nemen; Feit 2 hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 mei 2023 tot en met 8 mei 2023 te Rotterdam en/of te Maassluis, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten het tiktok en/of instagram account van [slachtoffer 1] , is binnengedrongen - door het doorbreken van een beveiliging en/of, - met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of - door het aannemen van een valse hoedanigheid door de mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] te openen met een toegangscode, tot welk gebruik hij niet gerechtigd was en/of (vervolgens) zich toegang te verschaffen en/of gebruik te maken van voornoemd tiktok en/of instagram account; Feit 3 hij op of omstreeks 26 mei 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te stompen/te slaan in zijn gezicht, althans op/tegen het lichaam; In de zaak met parketnummer 10/213574-23 Feit 1 hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Maassluis en/of Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 80,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; Feit 2 hij op of omstreeks 17 augustus 2023 te Maassluis en/of Rotterdam, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (vlees)mes, voorhanden heeft gehad.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.