RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 11338781 CV EXPL 24-25205 datum uitspraak: 20 juni 2025 (bij vervroeging) Vonnis van de kantonrechter in de zaak van STICHTING [eiseres] , vestigingsplaats: [plaats 1] , eiseres, gemachtigde: mr. X. Brockmann, tegen [gedaagde] B.V., vestigingsplaats: [plaats 2] , gedaagde, gemachtigde: mr. W.H. Lindhout. De partijen worden hierna de ‘stichting’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 24 september 2024, met bijlagen 1-26; het antwoord van 8 januari 2025, met bijlagen 1-4; de akte van de stichting van 26 mei 2025, met bijlage 27; de brief van [gedaagde] van 27 mei 2025, met bijlagen 5-18; de spreekaantekeningen van mr. S.H.C. Bouwmeister en mr. Lindhout voor de mondelinge behandeling van 6 juni
- 1.
- Op 6 juni 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] (directeur) en [naam 2] (facilitair manager) voor de stichting, met mr. P. Vis ter vervanging van mr. Bouwmeister, die op zijn beurt mr. Brockmann heeft vervangen; [naam 3] (directeur grootaandeelhouder) voor [gedaagde] , met mr. Lindhout. 2De feiten 2.
- De stichting exploiteert afscheidscentrum “ [afscheidscentrum] ” nabij [plaats 3] . 2.
- [gedaagde] houdt zich bezig met interieurbouw. 2.
- Op 15 maart 2017 is tussen de stichting en [gedaagde] een aannemingsovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] zich onder meer heeft verbonden om bij de ingang van [afscheidscentrum] een sfeerwand van 17 Eternit Equitone Natura platen te bouwen met een gefreesd decor van evenwijdige groeven. De wand bevindt zich gedeeltelijk binnen het gebouw en gedeeltelijk daarbuiten. De aanneemsom voor deze werkzaamheden bedroeg € 14.150,00 exclusief btw. 2.
- In de orderbevestiging van 15 maart 2017 staat voor zover van belang: “De verlijming zal plaatsvinden conform de voorschriften van Eternit. Dit houdt in dat alle naden tussen de platen 10 mm zullen bedragen. Wij nemen de afwerking van de bovenzijde van de wanden buiten ook mee.” 2.
- De werkzaamheden zijn verricht in het voorjaar van
- Het werk is in mei 2017 opgeleverd. 2.
- In maart 2019 heeft een vertegenwoordiger van de stichting geconstateerd dat de platen buiten het gebouw kromtrekken en loslaten van de regels waarop zij zijn verlijmd. De stichting heeft hierover op 7 maart 2019 schriftelijk bij [gedaagde] geklaagd. 2.
- [gedaagde] heeft op 7 maart 2019 aangeboden om de platen vast te schroeven of te nieten. 2.
- Tijdens een bespreking bij [afscheidscentrum] op 16 april 2019 heeft [gedaagde] aangeboden om in de naden tussen de platen beugeltjes te plaatsen, waarmee de platen strak tegen de regels getrokken worden. De stichting heeft hiermee ingestemd. Een afspraak om de beugeltjes te plaatsen is door [gedaagde] verzet. 2.
- Bij brief van 13 mei 2020 heeft de gemachtigde van de stichting [gedaagde] gesommeerd om de gebreken te herstellen. [gedaagde] heeft gereageerd met de mededeling dat zij de platen kosteloos wil vastschroeven, maar dat zij voor het aanbrengen van beugeltjes kosten in rekening zal brengen. De stichting heeft daarmee niet ingestemd. 2.
- Op 22 september 2020 heeft in opdracht van de stichting een deskundigenonderzoek plaatsgevonden door het Bureau voor Bouwpathologie. De directeur van [gedaagde] is hierbij aanwezig geweest. De deskundige heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 8 oktober
- In dat rapport staat voor zover relevant: “De Equitone Natura platen op de wand zijn krom getrokken ter plaatse van de wand buiten. Ten gevolge daarvan heeft de lijmverbinding los gelaten. Dit is gebeurd tussen de lijm en de plaat. (…) De oorzaak van de aangetroffen gebreken is dat de natura platen niet geschikt zijn om daarin frezingen aan te brengen. Door de frezingen is de waterwerende toplaag van de platen plaatselijk verdwenen. Vocht kan daardoor in de cementgebonden plaat migreren. Ten gevolge daarvan zijn de platen krom getrokken. Daarbij wordt een dermate grote kracht op de lijmverbinding uitgeoefend dat deze los komt. Daarbij zal tevens een ondergeschikte rol spelen dat de vochtbelasting niet alleen aan de voorzijde, maar ook aan de achterzijde van de beplating hoog is omdat de gevelconstructie aan de bovenzijde niet is afgedekt. (…)” 2.
- De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 7.250,00 inclusief btw voor het vervangen van de negen platen die buiten zijn aangebracht. De kosten voor het aanbrengen van aluminium kappen zijn geraamd op € 2.000,00 inclusief btw. 2.
- Bij brief van 28 oktober 2020 heeft de stichting [gedaagde] het rapport gestuurd. De stichting heeft [gedaagde] gesommeerd om de platen te vervangen door geschikte gefreesde platen. [gedaagde] is een termijn van twee weken gegeven om met de herstelwerkzaamheden een begin te maken. Op deze ingebrekestelling is geen inhoudelijke reactie gevolgd. 2.
- Bij e-mail van 4 januari 2021 heeft de stichting aan [gedaagde] een omzettingsverklaring uitgebracht. 2.
- De stichting heeft Heembouw gevraagd om een offerte voor het vervangen van de platen en het aanbrengen van een aluminium zetwerk om inregenen aan de bovenkant te voorkomen. De geoffreerde aanneemsom bedroeg € 14.278,00 inclusief btw. Heembouw heeft deze werkzaamheden in het najaar van 2022 verricht voor een aanneemsom van € 12.683,97 inclusief btw. 3Het geschil 3.
- De stichting eist samengevat: - [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen: o € 14.278,00 met handelsrente vanaf 1 augustus 2022; o € 1.194,62 aan handelsrente vanaf 4 januari 2021 tot en met 31 juli 2022; o € 1.397,55 aan deskundigenkosten; o € 917,78 aan buitengerechtelijke incassokosten; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- De stichting baseert de eis op het volgende. [gedaagde] is tekortgekomen in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] heeft geen goed en deugdelijk werk opgeleverd. [gedaagde] heeft Eternit Equitone Natura platen verwerkt die niet geschikt waren om te frezen. De platen zijn door de inwerking van water kromgetrokken. [gedaagde] had voor de ongeschiktheid van de platen moeten waarschuwen (artikel 7:754 lid 1 BW). [gedaagde] heeft ook geen afdichting (kap) aan de bovenzijde van de platen aangebracht. [gedaagde] heeft van de mogelijkheid om de gebreken te herstellen geen gebruik gemaakt. De stichting heeft de verbintenis van [gedaagde] op 4 januari 2021 omgezet. De stichting begroot de vervangende schadevergoeding op het bedrag dat door Heembouw is geoffreerd om de werkzaamheden opnieuw te verrichten (€ 14.278,00). 3.
- [gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. [gedaagde] had geen ervaring met Eternit platen. De keuze voor Eternit Equitone Natura platen is gemaakt door de stichting en haar architect. [gedaagde] heeft het productinformatieblad van Eternit geraadpleegd. Daarin staat niet dat de platen ongeschikt zijn om te frezen. Er staat in dat de verzaagde randen dienen te worden afgedicht met Luko randsealer. [gedaagde] heeft ook de gefreesde groeven met Luko afgedicht. Er is daarom geen sprake van een onjuistheid in de opdracht die [gedaagde] kende of behoorde te kennen. Het aanbrengen van een kap is niet overeengekomen en het ontbreken ervan had de stichting bij de oplevering redelijkerwijs kunnen ontdekken (artikel 7:758 lid 3 BW). Artikel 6 lid 1 van de algemene verkoopvoorwaarden van de CBM bepaalt dat eventuele reclames binnen een jaar na “levering der zaken” ter kennis van [gedaagde] moesten worden gebracht. De stichting heeft niet binnen een jaar na oplevering geklaagd. [gedaagde] beroept zich op overmacht. [gedaagde] betwist ook de hoogte van de schade. 4De beoordeling [gedaagde] is aansprakelijk voor het frezen van daartoe ongeschikte platen 4.
- Een aannemer ( [gedaagde] ) moet de opdrachtgever (de stichting) waarschuwen voor de ongeschiktheid van zaken van de opdrachtgever voor zover hij die kende of redelijkerwijze behoorde te kennen (waarschuwingsplicht). De aannemer is niet aansprakelijk voor een ondeugdelijke uitvoering van een werk als de gebreken zijn te wijten aan de ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever (de stichting), voor zover de aannemer niet zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden. 4.
- Er is in dit geval sprake van een ondeugdelijke uitvoering van het werk. Niet in geschil is dat de gebruikte Natura platen ongeschikt zijn om te frezen. Door het frezen is de coating ter plaatse verdwenen en kon vocht binnentreden. Het afdichten met Luko heeft dit onvoldoende voorkomen. Omdat de coating aan de achterkant intact is gebleven, is daar minder vocht binnengetreden. Het gevolg van de verhoogde inwerking van vocht aan één kant is geweest dat de platen zijn kromgetrokken. 4.
- De stichting en haar architect hebben de Natura platen voorgeschreven. Die platen zijn dus afkomstig van de stichting als opdrachtgever. [gedaagde] heeft niet gewaarschuwd dat de Natura platen ongeschikt waren om te frezen. De vraag is of zij dit wist of redelijkerwijs had behoren te weten, zodat zij een waarschuwingsplicht heeft geschonden en aansprakelijk is voor de ondeugdelijke uitvoering van het werk. 4.
- De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] dit redelijkerwijs had behoren te weten. In het productinformatieblad staat dat de Natura platen aan de voorzijde zijn voorzien van een meerlaagse acrylcoating en aan de achterzijde van een fysiek gelijkwaardige afdichtingscoating. [gedaagde] aanvaardde de opdracht om Natura platen van Eternit aan één kant over het gehele oppervlakte van een patroon te voorzien van evenwijdige groeven en de gefreesde platen buiten toe te passen. De mededeling in het productinformatieblad dat de verzaagde randen dienen te worden afgedicht met Luko randsealer had [gedaagde] aan het denken moeten zetten: bij het frezen van de groeven werd de coating over een groot oppervlakte verwijderd en werden de platen aan één kant blootgesteld aan vochtinwerking over een veel groter oppervlak dan het oppervlak van de zaagkanten. [gedaagde] had naar haar zeggen geen ervaring met Eternit platen. Zij heeft echter geen navraag gedaan bij Eternit of de opgedragen bewerking zonder problemen kon plaatsvinden en of een afdichting met Luko volstond. [gedaagde] heeft nog gesteld dat de problemen niet te voorspellen waren, omdat de witte Eternit platen die zij als onderdeel van dezelfde opdracht elders had geplaats na het frezen niet kromtrokken. De stichting heeft daartegen ingebracht dat de witte platen niet waren gecoat, zodat het frezen van die platen niet tot aantasting van de coating leidde. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] ook dit had kunnen begrijpen na het lezen van het productdocumentatieblad van de witte platen en zo nodig bij Eternit had kunnen navragen. 4.
- Het beroep van [gedaagde] op artikel 6 lid 1 van de algemene verkoopvoorwaarden van CBM faalt. Deze voorwaarden maken deel uit van de overeenkomst, omdat [gedaagde] dat in haar offerte heeft bedongen. De stichting heeft echter gemotiveerd betwist dat artikel 6 lid 1 van die voorwaarden van toepassing is op gebreken in aangenomen werkzaamheden. De bepaling ziet op “levering van zaken”. Artikel 6 lid 1 verbindt aan het overschrijden van de termijn van één jaar ook geen sanctie. Zonder nadere uitwerking, die ontbreekt, heeft [gedaagde] onvoldoende concreet gesteld dat artikel 6 lid 1 de strekking heeft om de aansprakelijkheid voor een gebrek in een aangenomen werk dat naar zijn aard pas na verloop van tijd aan het licht komt geheel af te wenden. 4.
- Ook het beroep op overmacht faalt. [gedaagde] heeft niet voldoende uitgewerkt, waarom het gebrek niet aan haar kan worden toegerekend, nu is geoordeeld dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. 4.
- [gedaagde] is dus aansprakelijk voor het frezen van daartoe ongeschikte platen. [gedaagde] is bij brief van 28 oktober 2020 in gebreke gesteld en was in verzuim toen de stichting bij brief van 4 januari 2021 de verbintenissen van [gedaagde] omzette in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding. [gedaagde] is niet meer aansprakelijk voor het ontbreken van een kap 4.
- [gedaagde] kan niet meer aansprakelijk worden gehouden voor het ontbreken van een afdichting aan de bovenzijde door middel van een kap. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord erkend dat de wand van een kap voorzien had moeten worden. Daarom gaat de kantonrechter voorbij aan haar betwisting tijdens de mondelinge behandeling dat in haar offerte met “afwerking van de bovenzijde” een kap werd bedoeld. Het ontbreken van een kap is echter een gebrek dat de stichting bij oplevering redelijkerwijs had kunnen ontdekken. Oplevering vond plaats voor de invoering van artikel 7:758 lid 4 BW. Op grond van artikel 7:758 lid 3 BW is [gedaagde] voor dat gebrek niet meer aansprakelijk. Schade 4.
- De stichting heeft de schade begroot op een bedrag van € 14.278,
- Dat is het bedrag dat genoemd wordt in de offerte van Heembouw. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de stichting toegelicht dat de werkzaamheden van Heembouw hebben bestaan uit het verwijderen van de kromgetrokken platen en de oude regels, het aanbrengen van nieuwe regels en nieuwe platen en het plaatsen van een kap. Die nieuwe platen zijn niet gefreesd. Het minderwerk ten opzichte van de offerte wordt verklaard door het gebruik van grotere platen. 4.
- [gedaagde] heeft de hoogte van de schade bestreden. Zij heeft aangevoerd dat overeenkomstig haar orderbevestiging van 15 maart 2017 de aanneemsom van € 14.150,00 betrekking heeft op de gehele wand van 10,4 meter en dat zich van die wand maar 1/5 deel buiten het pand bevindt. Over 4/5 deel van de wand heeft de stichting geen klachten. Heembouw heeft bovendien eenvoudige, niet-gefreesde platen gebruikt. Het bedrag van € 14.278,00 kan daarom geen betrekking hebben op alleen de herstelwerkzaamheden, aldus [gedaagde] . 4.
- Het gaat bij vervangende schadevergoeding om een vergoeding die in de plaats komt van de prestatie die [gedaagde] zou leveren en waarvoor de stichting ook heeft betaald. De hoogte van die vergoeding zal in beginsel gelijk zijn aan de waarde in het economisch verkeer van de prestatie die [gedaagde] had moeten leveren. De stichting moet in staat zijn om de gemiste prestatie alsnog bij een derde in te kopen. Het peilmoment voor het bepalen van de omvang van de schade is het moment van de omzettingsverklaring, dus 4 januari
- 4.
- Volgens het rapport van de deskundige moesten negen van de 17 platen worden vervangen. Dat is meer dan de helft van de wand en niet 1/5 zoals [gedaagde] heeft gesteld. De deskundige heeft de kosten hiervan geraamd op € 7.250,00 inclusief btw. De offerte van Heembouw voor een bedrag van € 14.278,00 is alleen al geen voor de hand liggend aanknopingspunt voor de schade, omdat vervanging van de platen, inclusief het aanbrengen van de kap, de stichting uiteindelijk slechts € 12.683,97 inclusief btw heeft gekost. Voor het ontbreken van de kap kan [gedaagde] echter niet meer aansprakelijk worden gehouden. In de facturen van Heembouw is niet gespecificeerd welk deel van het factuurbedrag betrekking heeft op de kap. Dat de daadwerkelijke kosten van herstel van de wand (ook zonder de kap) mogelijk hoger zijn geweest dan de raming van de deskundige kan althans deels worden verklaard door het tijdsverloop tussen de datum van het rapport (8 oktober 2020) en de datum van de offerte van Heembouw (5 april 2022). Prijsstijgingen na 4 januari 2021 komen in beginsel voor rekening van de stichting. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld om het bedrag van € 7.250,00 inclusief btw dat de deskundige heeft begroot als vervangende schadevergoeding aan de stichting te betalen. De kantonrechter is ervan uitgegaan dat de stichting de btw niet kan verrekenen. [gedaagde] moet de kosten van de deskundige van € 1.397,55 betalen 4.
- De kosten van de deskundige komen op grond van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking voor zover ze redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt. Dat is het geval. De kosten zijn, anders dan [gedaagde] heeft gesteld, niet nodeloos gemaakt. Dat de deskundige het vastschroeven van de platen heeft benoemd als minder duurzame hersteloptie en [gedaagde] heeft aangeboden om de gebreken op die wijze te herstellen, maakt niet dat de deskundigenkosten nodeloos zijn gemaakt. [gedaagde] moet incassokosten van € 737,50 betalen 4.
- De incassokosten worden toegewezen tot een bedrag van € 737,50, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De incassokosten zijn berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten uitgaande van een hoofdsom van € 7.250,
- [gedaagde] moet rente betalen 4.
- De rente wordt gedeeltelijk toegewezen. De stichting vordert de wettelijke handelsrente over schadevergoeding. De wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW heeft echter alleen betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten en een verplichting tot vergoeding van schade kan daartoe niet worden gerekend. 4.
- De verplichting om schadevergoeding te betalen vloeit voort uit de omzettingsverklaring van 4 januari
- De schadevergoedingsvordering is echter pas opeisbaar, wanneer de schade daadwerkelijk is geleden. Als de vordering dan niet terstond wordt betaald, treedt verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 onder b BW). De kantonrechter zal als datum voor opeisbaarheid 3 december 2023 hanteren. Dat is de vervaldatum van de tweede factuur van Heembouw. Dit leidt tot toewijzing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 7.250,00 vanaf 3 december 2023 tot de dag dat volledig is betaald. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 4.
- De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan de stichting moet betalen op € 115,22 aan dagvaardingskosten, € 1.409,00 aan griffierecht, € 812,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.471,
- Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 4.
- Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de stichting dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan de stichting te betalen € 7.250,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 3 december 2023 tot de dag dat volledig is betaald, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan de stichting te betalen € 1.397,55 voor de kosten van de deskundige, 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan de stichting te betalen € 737,50 voor incassokosten, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.471,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken. [62430] Centrale Bond van Meubelfabrikanten.