Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummers: 10/124317-24 en 10-006379-24 (gevoegd ttz) Parketnummer vordering TUL VV: 10/310798-22 Datum uitspraak: 27 mei 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van: [naam P.I.] , [detentieadres] , [postcode 1] [detentieplaats] , verblijvende te [verblijfadres] , [postcode 2] [verblijfplaats] , raadsvrouw mr. N.S. van der Vliet, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 13 mei 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, zoals deze op de terechtzitting van 18 juli 2024 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd: vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 10-006379-24 onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10-006379-24 onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 300 dagen met aftrekvan voorarrest; oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering 10-006379-24 onder 1 primair, 2 en 3 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 10-006379-24 onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewezenverklaring zonder nadere motivering 10/006379-24 feit 1 subsidiair en 10/124317-24 feit 2 Het in de zaak met parketnummer 10/006379-24 onder 1 subsidiair en het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.3. Bewijswaardering 10/124317-24 feit 1 primair en subsidiair 4.3.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte is in opdracht naar de woning aan de [adres 1] in Vlaardingen gegaan. Hij droeg een tas met daarin een jerrycan met daaraan bevestigd twee Cobra 6-explosieven. De verdachte had ook een aansteker bij zich. De verdachte is langs de woning gelopen en werd verder op in de betreffende straat met de tas aangehouden. Naar de uiterlijke verschijningsvorm waren zijn gedragingen gericht op de voltooiing van het primair tenlastegelegde feit. De officier van justitie verwijst in dit verband naar de uitspraken ECLI:NL:RBNHO:2024:9157 en ECLI:NL:RBROT:2024:8217. 4.3.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, omdat geen sprake is van een begin van uitvoering van het teweegbrengen van een ontploffing. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde, omdat er geen sprake is van een (strafbare) voorbereidingshandeling. De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte niet strafbaar is omdat sprake is van vrijwillige terugtred. 4.3.3. Beoordeling Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Sinds april 2023 zijn er meerdere (pogingen tot) aanslagen met explosieven gepleegd bij de woning aan de [adres 1] in Vlaardingen. Om die reden is de [naam locatie] aangewezen als veiligheidsrisicogebied. In de nacht van 10 april 2024 omstreeks 1:12 uur, zagen politieambtenaren de verdachte de [naam locatie] inlopen in de richting van de woning met huisnummer [huisnummer X] . In zijn hand had hij een witte big shopper. Uit de beschrijving van camerabeelden blijkt dat verdachte kwam aangelopen over het trottoir aan de overzijde van huisnummer [huisnummer X] en dat hij deze woning voorbij liep. Hij werd vervolgens ter controle staande gehouden ter hoogte van de [naam locatie] huisnummer [huisnummer Y] . In de tas werd een jerrycan met benzine aangetroffen, waaraan twee Super Cobra 6-explosieven waren bevestigd. Daarnaast had de verdachte een Cobra 6 in zijn jaszak en een aansteker bij zich. Daarop is hij aangehouden. Van een strafbare poging tot het plegen van een strafbaar feit is sprake als het voornemen van de dader zich door een begin van de uitvoering van dat strafbare feit heeft geopenbaard. Van een begin van de uitvoering is sprake als er handelingen zijn verricht die, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, in voldoende concrete mate gericht zijn op voltooiing van het strafbare feit. De enkele vaststelling dat verdachte langs de woning met huisnummer [huisnummer X] is gelopen met een tas met daarin een explosief/vuurwerkbom, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om te kunnen spreken van een begin van uitvoering van het voornemen om een ontploffing teweeg te brengen aan of bij bovengenoemde woning. Daarom zal de verdachte op deze grond worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot het plegen van dit strafbare feit. De rechtbank acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde bewezen. De verdachte bevond zich op 10 april 2025 in de nachtelijke uren in de nabijheid van de woning aan de [adres 1] die meerdere keren doelwit is geweest van (pogingen tot) aanslagen met explosieven. De verdachte heeft verklaard dat hij opdracht had om een explosief te plaatsten en aan te steken voor de deur van huisnummer [huisnummer X] . De verdachte had een tas bij zich met daarin een jerrycan met benzine waaraan 2 cobra’s waren vastgeplakt. Verder had hij nog een andere cobra en een aansteker bij zich in zijn zakken. Deze voorwerpen zijn naar hun aard geschikt om brand te stichten en/of een explosie te veroorzaken en niets wijst er op dat de verdachte daarmee een andere bedoeling had dan het plegen van het tenlastegelegde strafbare feit (de voorbereiding van de explosie). Gelet op deze feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voltooide voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Dat de verdachte uit eigen beweging heeft afgezien van het plan om een ontploffing teweeg te brengen bij of in de woning aan de [adres 1] in Vlaardingen, kan niet uit de feitelijke gang van zaken worden afgeleid. Uit het dossier blijkt dat de verdachte juist op het moment dat hij de politieauto zag van richting veranderde, op het trottoir ging lopen, de tas met het explosief neerzette en doorliep. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet van verdachtes’ wil afhankelijk was dat hij besloot de tas neer te zetten en door te lopen, maar dat dit werd ingegeven door het feit dat hij de politieauto zag naderen. Gelet op het voorstaande stelt de rechtbank vast dat geen sprake is geweest van een vrijwillige terugtred. 4.3.4. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 1 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het in de zaak met parketnummer 10-124317-24 onder 1 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. 4.4. Vrijspraak 10/124317-24 feit 3 4.4.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Uit de verklaring van verbalisant [naam verbalisant 1] volgt dat hij een geluid hoorde wat voor hem gelijkend was op het geluid dat er een voorwerp tegen een muur werd aangegooid. Dat de verdachte aangeeft dat de telefoon per ongeluk is beschadigd is niet aannemelijk. 4.4.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 3 ten laste gelegde feit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaring van de verdachte dat de telefoon is gevallen, is niet ongeloofwaardig aangezien er geen schade was te zien aan het toestel. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario kan niet worden uitgesloten en staat een bewezenverklaring in de weg. Nu het vereiste (voorwaardelijk) opzet ontbreekt, kan niet worden gesproken van strafbaar handelen. 4.4.3. Beoordeling De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, namelijk dat de telefoon is gevallen, vindt geen weerlegging in de bewijsmiddelen en kan niet worden uitgesloten. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het opzet had op de vernieling van het toestel. De rechtbank overweegt daarbij dat bij verbalisant [naam verbalisant 1] slechts het vermoeden bestond dat de telefoon tegen de muur werd gegooid. 4.4.4. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.5. Bewijswaardering 10/006379-24 feit 4 4.5.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken. Uit de camerabeelden blijkt niet dat de verdachte opzettelijk het been van de aangeefster heeft vastgeklemd tijdens de worsteling. Hoewel de verdediging niet ter discussie stelt dat de aangeefster letsel aan haar linkerknie heeft opgelopen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het mishandelen van de aangeefster en dat daar ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor is. 4.5.2. Beoordeling Op 7 januari 2023 was verbalisant [naam verbalisant 2] (hierna: de aangeefster) werkzaam bij het arrestantencomplex van het bureau van politie aan de [adres 2] te Capelle aan den IJssel. In verband met de aanhouding van de verdachte moesten er politiefoto’s worden gemaakt. De verdachte werkte hier niet aan mee en moest uiteindelijk worden gefixeerd. Om de verdachte te kunnen fixeren heeft de aangeefster haar linkerbeen tussen de benen van de verdachte geplaatst. Op het moment dat verdachte naar de grond werd gebracht heeft hij zijn beide benen met kracht om het linkerbeen van de aangeefster geklemd. De aangeefster heeft verklaard dat zij op dat moment een knak voelde in haar linkerknie. De aangeefster voelde na het incident pijnscheuten in haar linkerknie. De verklaring van de aangeefster wordt bevestigd door getuige [naam getuige] . De FARR arts heeft geconstateerd dat er sprake was van ongeveer 5 à 6 cm zwelling aan de knie van de aangeefster. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte door zo te handelen de aanmerkelijke kans aanvaard dat de aangeefster daarbij letsel zou oplopen en was er derhalve, anders als de verdediging stelt, sprake van voorwaardelijk opzet. 4.5.3. Conclusie Het in de zaak met parketnummer 10/006379-24 onder 4 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. 4.6. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 1 subsidiair en onder 2 en het in de zaak met parketnummer 10/006379-24 onder 4 ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10/006379-24 onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: Parketnummer 10/124317-24 1. subsidiair) hij op of omstreeks 10 april 2024 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk al dan niet bij/in danwel in de nabijheid van (een) woning(
- en)brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen, en stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten - een aansteker en/of - een Super Cobra 6, althans zwaar vuurwerk, en/of - een tas met daarin een jerrycan met transparante vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6, althans zwaar vuurwerk, waren bevestigd, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad 2 hij op of omstreeks 10 april 2024 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een tas met daarin een jerrycan met transparante vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6, althans zwaar vuurwerk, waren bevestigd, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad. Parketnummer 10/006379-24 1. subsidiair) hij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen te weten een molotovcocktail, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad; 4 hij op of omstreeks 7 januari 2024 te Capelle aan den IJssel [naam verbalisant 2] heeft mishandeld door een been van die [naam verbalisant 2] met kracht te klemmen tussen zijn, verdachtes benen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten 5.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren op: Parketnummer 10/124317-24 De eendaadse samenloop 1. subsidiair medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is; en 2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een voorwerp van categorie II, onderdeel 7º. Parketnummer 10/006379-24 1. subsidiair medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is; 4. mishandeling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich op 6 januari 2024 op veertienjarige leeftijd samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ontploffing bij een woning aan de [adres 3] in Rotterdam en het voorhanden hebben van een explosief. De verdachte is samen met de medeverdachte meerdere keren langs de woning gereden. De verdachte werd samen met de medeverdachte in de auto aangehouden, waarin een fles benzine werd aangetroffen met daaraan een lont. Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft kennelijk tot doel de slachtoffers te intimideren en te treffen in hun (gevoel van) veiligheid. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent de verdachte dit aan. Daarnaast heeft de verdachte zich op 7 januari 2024 schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieambtenaar. Hij weigerde mee te werken en stelde zich verbaal en fysiek agressief op, waardoor het noodzakelijk was hem te fixeren. Tijdens deze fixatie heeft de betrokken politieambtenaar letsel opgelopen aan haar linkerbeen, doordat de verdachte zijn benen om haar been klemde op het moment dat hij naar de grond werd gebracht. Met de mishandeling van de politieambtenaar heeft de verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit, maar ook heeft hij het respect en het gezag ten aanzien van de politieambtenaar ondermijnd. Tevens heeft de verdachte zich op 10 april 2024 op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ontploffing bij een woning aan de [adres 1] in Vlaardingen door onder meer een tas met daarin een jerrycan met benzine, meerdere cobra’s en een aansteker voorhanden te hebben. Hiermee heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet wapens en munitie. De [adres 1] in Vlaardingen is een woning waar in de afgelopen jaren al meerdere (poging tot) ontploffingen hebben plaatsgevonden. Het bij de verdachte aangetroffen explosief was geschikt om een ontploffing teweeg te brengen en veel schade te veroorzaken Dergelijke explosies zijn bedreigend en beangstigend voor de slachtoffers en de omwonenden. Helemaal nu de woning van de slachtoffers al meerdere keren het doelwit is geweest. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij bij het plegen van het feit kennelijk enkel heeft gedacht aan zijn eigen financiële gewin, zonder daarbij na te denken over de gevolgen van zijn acties. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 april 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer verboden wapenbezit. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee. 7.3.2. Rapportages en verklaringen van de deskundige op de terechtzitting Psychiater, dr. [persoon A] , onder supervisie van psychiater, dr. [persoon B], heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 23 december 2024. Dit rapport houdt - zakelijk weergeven en voor zover van belang - het volgende in. Er is bij de verdachte sprake van een normoverschrijdend-gedragsstoornis, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken, een stoornis in cannabisgebruik en zwakbegaafdheid. Er zijn veel zorgen over zijn niveau van functioneren (cognitief, emotioneel en sociaal) en over zijn persoonlijkheidsontwikkeling. Het is zeer aannemelijk dat de vastgestelde pathologie een rol heeft gespeeld in de ten laste gelegde feiten, indien deze worden bewezen. Gezien de ten gevolge van zijn pathologie beperkte keuzemogelijkheden, adviseert de psychiater om de verdachte het ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat en er zijn weinig beschermende factoren. De verdachte heeft een intensieve residentiële behandeling nodig in een drie milieus voorziening met expertise op het gebied van licht verstandelijke beperking (LVB), zoals bijvoorbeeld Pluryn of Almata. De plaatsing moet gesloten zijn en kan plaatsvinden binnen het civielrechtelijke kader van een machtiging gesloten jeugdzorg. Strafrechtelijk kan, mits de feiten bewezen worden geacht, gedacht worden aan afdoening met een deels voorwaardelijk strafdeel zodat er toezicht kan zijn door de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting. GZ-psycholoog drs. [persoon C] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 27 december 2024. Dit rapport houdt - zakelijk weergeven en voor zover van belang - het volgende in. Door de weigering van de verdachte om mee te werken kan er geen volledig diagnostisch beeld geschetst worden en is het niet mogelijk om tot de beantwoording van de vraagstelling te komen. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 12 maart 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Uit het onderzoek komen de algemene risicofactoren uit op hoog en het dynamisch risicoprofiel komt uit op heel hoog. Er komen nauwelijks tot geen beschermende factoren naar voren. Op alle domeinen komen grote risicofactoren naar voren, waardoor de kans op herhaling van recidive heel hoog wordt ingeschat. Gelet op de zware delicten waar de verdachte van wordt verdacht, heeft de Raad een jeugddetentie overwogen. De Raad is zich echter er ook van bewust dat de verdachte nu al enige tijd in hechtenis verblijft. Hierdoor ziet de Raad geen pedagogische meerwaarde in oplegging van een jeugddetentie. De Raad sluit zich aan bij het Pro Justitia advies. De Raad is van mening dat begeleiding en behandeling gericht op emotieregulatie, verbeteren van houding en het aanleren van vaardigheden noodzakelijk is om de kans op recidive te verlagen. Omdat de verdachte niet openstaat voor begeleiding en behandeling, lijkt een ambulant traject niet haalbaar. Een residentiële setting is om deze reden wenselijk. Het civiele kader lijkt hierin te prevaleren boven het strafrechtelijke kader. Desondanks is de Raad van mening dat een voorwaardelijke jeugddetentie een passende straf is die als stok achter de deur kan dienen. Een jeugdbeschermer en jeugdreclasseerder zijn betrokken en kunnen hierin samen blijven optrekken. Omdat de verdachte in zijn proeftijd meerdere malen is gerecidiveerd, is de Raad van mening dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf op zijn plaats is. De Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen en daaraan als bijzondere voorwaarden te verbinden: • meldplicht • opname in een zorginstelling; • behandeling door zorginstelling; • onderwijs volgen volgens schoolrooster. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten. Ter zitting is door jeugdreclasseerder, [persoon D] onder meer naar voren gebracht dat de verdachte gemotiveerd was begonnen bij Chapter Next. Voor de vakantie van de jeugdreclasseerder hield de verdachte zich, voor zover bekend, aan de voorwaarden, werkte hij hard en heeft hij zich ingeschreven bij het MBO. Nadat de jeugdreclasseerder op 6 mei 2025 terug was van vakantie bleek dat de verdachte in die week (op 6 en 8 mei) niet bij Chapter Next is geweest. De verdachte neemt niet op als de jeugdreclasseerder hem belt. Wel gaf hij in een bericht aan dat hij de rechter niet heeft horen zeggen dat dit in zijn voorwaarden staat. De jeugdreclasseerder heeft hem gezegd dat dit wel zo is en hij naar Chapter Next moet gaan. Daarnaast heeft de verdachte tijdens de vakantie van de jeugdreclasseerder twee keren de avondklok overtreden. De wijkagent liet weten dat de verdachte tweemaal niet thuis was op het moment dat hij de controle deed. De jeugdreclasseerder is nu op zoek naar een passende vervolgplek voor de verdachte. De verdachte is op meerdere plekken afgewezen, omdat men teveel risico’s ziet. Op dit moment worden er gesprekken gevoerd met Rijnhoven. Hoewel dit een open setting is betreft het wel een drie milieus voorziening. Ook staat hij op de wachtlijst voor een plaatsing bij Boomerang Zorg, een kamertrainingscentrum (KTC) in Amsterdam. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. 7.4.1. Toerekeningsvatbaarheid De conclusie van de psychiater wordt gedragen door zijn bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van de tenlastegelegde feiten acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar. 7.4.2. Straffen Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Omdat de rechtbank minder feiten bewezen verklaard, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast houdt de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en zijn jeugdige leeftijd. Aangezien de verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten, ziet de rechtbank geen ruimte meer om een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een PIJ-maatregel op te leggen. Uit de rapportages volgt dat het civiele kader voorliggend is. De verdachte heeft intensieve hulp nodig. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de zoektocht naar een passende plek voor de verdachte weliswaar moeizaam verloopt, maar dat nog niet alle mogelijkheden zijn uitgeput. Hoewel er bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, is de rechtbank van oordeel dat deze problematiek binnen het civielrechtelijke kader dient te worden aangepakt. De uitgebrachte adviezen, noch de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen het opleggen van een PIJ-maatregel. 7.4.3. Algemene afsluiting Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank een jeugddetentie van 150 dagen passend en geboden. 8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen 8.1. De volgende vorderingen zijn door mr. R. Korver, ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 (bewezen verklaarde onder 1 subsidiair en 2 ) ten laste gelegde strafbare feiten, namens de in het geding gevoegde benadeelde partijen ingediend. Vordering van [benadeelde 1] De benadeelde partij vordert een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering van [benadeelde 2] De benadeelde partij vordert een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering van [benadeelde 3] De benadeelde partij vordert een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.1.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht een bedrag van € 5.000,- toewijsbaar, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.1.3. Standpunt verdediging Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat gelet op de bepleite vrijspraak de vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, dan wel dienen te worden afgewezen. Subsidiair is de verdediging van mening dat de benadeelde partijen in de vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. 8.1.4. Beoordeling De benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten. Uit de ter zitting nader gegeven toelichting op de ingediende vorderingen van de benadeelde partijen volgt dat het schadebedrag vooral is gebaseerd op de huisuitzetting als gevolg van de vele (pogingen tot) ontploffingen. Hoewel de impact hiervan op de slachtoffers invoelbaar is, is onvoldoende gesteld en gebleken wat het handelen van de verdachte rechtstreeks aan het leed van de benadeelde partijen heeft bijgedragen. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering. De benadeelde partijen kunnen de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 8.1.5. Conclusie In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. 8.2. Benadeelde partij [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde 4] / [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 322,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren gelet op de vrijspraak die is bepleit. Subsidiair is de verdediging van mening dat de vordering dient te worden gematigd nu het gevorderde bedrag tevens ziet op een nieuwe handset, welke niet kapot is gegaan. 8.2.3. Beoordeling De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, omdat de verdachte van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken. 8.2.4. Conclusie In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. 8.3. De volgende vorderingen zijn door mr. L.A.R. Newoor, ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/006379-24 (bewezen verklaarde onder 1 subsidiair) ten laste gelegde strafbare feit, namens de in het geding gevoegde benadeelde partijen ingediend. Vordering [benadeelde 6] De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 618,27 (voor het vervangen van de sloten € 302,31, voor hotel overnachting(
- en)€ 315,96 en de hypotheekkosten van vier weken p.m.) aan materiële schade en een bedrag van € 5.000,-, aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering [benadeelde 7] De benadeelde partij vordert een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering [benadeelde 8] De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering [benadeelde 9] De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.3.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. 8.3.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft primair aangevoerd dat de vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, althans voor afwijzing in aanmerking komen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van deze vorderingen een onevenredige belasting vormt voor het strafproces. De vorderingen zijn onvoldoende onderbouwd. Indien het treffen van voorbereidingshandelingen bewezen wordt verklaard, ontbreekt het causaal verband met de gevorderde materiële en immateriële schade. Voor de immateriële schade geldt bovendien dat er in ieder geval aanleiding bestaat de vorderingen te matigen. 8.3.3. Beoordeling De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit. Nu de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 8.3.4. Conclusie In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. 8.4. Benadeelde partij [naam verbalisant 2] Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [naam verbalisant 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 10/006379-24 onder 4 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 689,09 aan materiële schade (vergoeding voor huishoudelijke hulp (€ 354,-), het eigen risico (€ 335,09)) en een bedrag van € 850,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.4.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.4.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat , gelet op de bepleite vrijspraak, de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard dan wel moet worden afgewezen, aangezien dit (zoals in de pleitnotitie uiteengezet) een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair verzoekt de verdediging om het bedrag aanzienlijk te matigen, nu het gestelde letsel de kwalificatie ‘zwaar beperkt’ volgens de letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp 2024 niet rechtvaardigt. Bovendien zijn de kinderen van aangeefster meerderjarig (18 en 21 jaar), zodat moet worden uitgegaan van de norm voor een ‘alleenstaande met kinderen boven de vijf jaar’, waarvoor een lagere vergoeding geldt. 8.4.3. Beoordeling De rechtbank is van oordeel dat, nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam verbalisant 2] door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, de vordering, voor zover deze ziet op het gevorderde eigen risico van € 335,09 kan worden toegewezen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag met betrekking tot de vergoeding huishoudelijk hulp wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, omdat onvoldoende is onderbouwd dat en welk normbedrag van de Richtlijn Huishoudelijke hulp op de situatie van aangeefster van toepassing is. De rechtbank is voorts van oordeel dat ook is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de vordering ontoereikend zijn. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 januari 2024. Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8.4.4. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 835,09, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. 9Vordering tenuitvoerlegging 9.1. Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd Bij vonnis van 25 mei 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 9 juni 2023. 9.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging wordt afgewezen, omdat het van belang is dat de verdachte in het civiele kader begeleiding en ondersteuning krijgt. 9.3. Standpunt verdediging De verdediging heeft eveneens verzocht de vordering af te wijzen of de proeftijd te verlengen, zodat de verdachte de kans krijgt te laten zien dat hij vanaf nu met ondersteuning in het civiele kader de aan hem opgelegde afspraken gaat nakomen. 9.4. Beoordeling De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie. De rechtbank ziet, ondanks de uitgebrachte adviezen, gelet op de omstandigheid dat de verdachte in de proeftijd meerdere ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, geen reden om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. 10Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 46, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77gg, 157 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 11Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 12Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 1 primair en 3 ten laste gelegde feiten en het in de zaak met parketnummer 10-006379-24 onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 10/124317-24 onder 1 subsidiair en 2 en het in de zaak met parketnummer 10-006379-24 onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst; verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering; verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] / [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering; verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 7] , [benadeelde 6] , [benadeelde 8] en [benadeelde 9] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam verbalisant 2] , te betalen een bedrag van € 835,09 (zegge: achthonderdvijfendertig euro en negen cent), bestaande uit € 335,09 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam verbalisant 2] te betalen € 835,09 (hoofdsom, zegge: achthonderdvijfendertig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 25 mei 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 10/310798-22. Dit vonnis is gewezen door: mr. C.N. Melkert, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. K.T.F. Chocolaad-de Bos en A.M.T.A. Verhagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 mei 2025. De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat Parketnummer 10/124317-24 1 hij op of omstreeks 10 april 2024 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(
- s)voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor de woning aan de [adres 1] en/of nabijgelegen woningen en/of de inboedel/huistraad van de woning aan de [adres 1] en/of de inboedel/huisraad van die nabijlegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of, - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten één van de zich in die nabijgelegen woningen bevindende pers(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor een ander of anderen, te duchten was - zich in het bezit van een aansteker en/of een Super Cobra 6, althans zwaar vuurwerk en/of een tas met daarin een jerrycan met transparante vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6, althans zwaar vuurwerk, waren bevestigd, naar de [naam locatie] heeft begeven en/of in de richting van de woning aan de [adres 1] is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 10 april 2024 te Vlaardingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk al dan niet bij/in danwel in de nabijheid van (een) woning(
- en)brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten - een aansteker en/of - een Super Cobra 6, althans zwaar vuurwerk, en/of - een tas met daarin een jerrycan met transparante vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6, althans zwaar vuurwerk, waren bevestigd, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad 2 hij op of omstreeks 10 april 2024 te Vlaardingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een tas met daarin een jerrycan met transparante vloeistof, waaraan twee Super Cobra's 6, althans zwaar vuurwerk, waren bevestigd, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad; 3 hij op of omstreeks 11 april 2024 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [benadeelde 4] en/of [naam verbalisant 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; ( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Parketnummer 10/006379-24 1hij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht door een brandbom en/of een of meerderestukken zwaar vuurwerk, althans een of meer explosieven, aan te steken en/of(vervolgens) in de tuin, althans in de dichte nabijheid van de woning gelegen aan de[adres 3] te gooien en/of te plaatsen, waardoor die brandbom en/of stuk(ken)vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht,terwijl daarvan- gemeen gevaar voor voor goederen, te weten voor de woning aan de [adres 3][adres 3] en/of aangrenzende/nabijgelegen woningen en/of de inboedel/huisraad van dewoning aan de [adres 3] en/of de inboedel/huisraad van dieaangrenzende/nabijgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederenen/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetenéén van de zich in de woning aan de [adres 3] en/ofaangrenzende/nabijgelegen woningen bevindende perso(o)n(en), in elk gevallevensgevaar en/of gevaar voor een ander of anderen,te duchten was; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijvingeen gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk eenontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/oflevensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letselvoor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen teweten een molotovcocktail, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeftverworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhandenheeft gehad 2 hij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres 3] , geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 3 hij op of omstreeks 6 januari 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [benadeelde 6] en/of de (overige) bewoners van de woning aan de [adres 3] te Rotterdam heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een brandbom en/of een of meerdere stukken zwaar vuurwerk, althans een of meerdere explosieven, aan te steken en/of (vervolgens) in de tuin, althans in de dichte nabijheid van de woning gelegen aan de [adres 3] , te gooien en/of te plaatsen, waardoor die brandbom en/of stuk(ken) vuurwerk, althans explosie(f)ven tot ontploffing is/zijn gebracht; 4 hij op of omstreeks 7 januari 2024 te Capelle aan den IJssel [naam verbalisant 2] heeft mishandeld door een been van die [naam verbalisant 2] met kracht te klemmen tussen zijn, verdachtes benen.