← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:11492

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/126141-25 Datum uitspraak: 24 juli 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] [postcode] [woonplaats] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief in de [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] . raadsvrouw mr. J. van Egmond, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Verdachte wordt verweten dat hij betrokken was bij de invoer van drugs in Nederland en dat hij in de Rotterdamse haven op een terrein was, waar hij niets te zoeken had. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van 30 mei 2025 4Waardering van het bewijs 4.
  2. Bewezenverklaring feit 2 Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en de verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.
  3. Bewijswaardering 4.2.
  4. Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op de invoer van cocaïne dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe. De verdachte dacht dat hij rond de 20 pakketten hennep uit de container zou gaan halen en dat hij daar een vergoeding van € 5000,- voor zou krijgen. Dat is niet onaannemelijk gezien de straatwaarde van hennep en die van cocaïne. In de Rotterdamse haven wordt ook hennep gesmokkeld. De verdachte wist niet dat er cocaïne in de container zat en had dit ook niet kunnen of moeten vermoeden. 4.2.
  5. Beoordeling De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 22 april 2025 hebben verbalisanten op het Rotterdamse haventerrein van de Europe Container Terminal (ECT) in een reefercontainer afkomstig uit Honduras met containernummer [containernummer] achter het inspectieluik 15 pakketten met cocaïne aangetroffen, met een totaal nettogewicht van 15 kilo. De pakketten zijn in beslag genomen en vervangen door dummypakketten waarbij een monster van 10 gram cocaïne is teruggeplaatst. Op 25 april 2025 rond 01.00 uur de werd verdachte samen met de medeverdachte aangetroffen bij de reefercontainer. Op de grond naast de container lag een zwarte sporttas gevuld met dummypakketten en in de buurt van de container zijn nog twee dummypakketten aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij € 5.000,- zou krijgen als hij “iets” uit een container zou halen. De verdachte dacht gezien de hoogte van het bedrag dat het om hennep ging. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte wist of had moeten vermoeden dat hij cocaïne uit een container moest halen. De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat de haven van Rotterdam regelmatig wordt gebruikt om harddrugs te smokkelen. Uitgaande van de verklaring van de verdachte heeft hij een klus aangenomen van personen die hij verder niet kent, omdat hij geld nodig had. Hij heeft daar geen vragen over gesteld en hij heeft zich in de nacht van 25 april 2025 met een hem onbekende 14-jarige jongen naar het afgesloten haventerrein laten brengen. Verdachte heeft door zo te handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inhoud van de pakketten uit harddrugs bestond. De verdachte had daarom minst genomen voorwaardelijk opzet op de invoer van de cocaïne. De tenlastegelegde hoeveelheid kan niet worden bewezen omdat er slechts 10 gram cocaïne op de dummypakketten zat. Conclusie De rechtbank acht de onder 1 primair ten laste gelegde verlengde invoer van een hoeveelheid cocaïne wettig en overtuigend bewezen. 4.3 Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: 1hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 15 kilogram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
  6. hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Hapag-Lloyd Waalhaven en/of Hanseatic GlobalTerminals, gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam en/of het beslotenterrein van Barge Center Waalhaven, gelegen aan de [adres 3] teRotterdam; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: eendaadse samenloop van Feit 1 primair medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Feit 2 wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, en/of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.3 Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.4 Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft met een ander wederrechtelijk verbleven op het Rotterdamse haventerrein om pakketten cocaïne uit een container te halen. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne in Nederland. Uithalers zijn een onmisbare schakel in de internationale transportketen en handel van verdovende middelen. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. De volksgezondheid wordt door het gebruik van harddrugs ernstig bedreigd, hetgeen de verdachte ter zitting ook heeft erkend. Daarnaast gaat de handel in harddrugs gepaard met vele vormen van criminaliteit, met alle gevolgen van dien. Het handelen van de verdachte lijkt ingegeven te zijn door het lucratieve karakter van de gepleegde feiten om zijn eigen financiële situatie te verbeteren. 7.5 Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.5.1 Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 juni 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.5.2 Rapportages Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 mei 2025 ten behoeve van de voorlopige hechtenis. Dit rapport houdt het volgende in. Er zijn risico verhogende factoren op het gebied van financiën, doordat de verdachte geen inkomen heeft. Hij heeft een deels negatief sociaal netwerk en een pro-criminele houding door de verkeerde keuzes die verdachte heeft gemaakt om snel geld te willen verdienen. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Aan een schorsing kunnen de volgende voorwaarden worden verbonden, te weten, de meldplicht, het volgen van een gedragsinterventie, locatieverbod en locatiegebod met elektronische monitoring en het inspannen voor het vinden en behouden van dagbesteding. 7.6 Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd. Hoewel de (verlengde) invoer van ‘een hoeveelheid’ cocaïne wettig en overtuigend bewezen is verklaard, zal bij de strafoplegging rekening worden gehouden met het gegeven dat de verdachte ervan uit ging dat een veel grotere hoeveelheid drugs werd binnengehaald, namelijk zo’n 20 pakketten. De rechtbank ziet redenen om de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Hoewel uithalers een belangrijke schakel zijn bij de invoer van harddrugs, is hun rol aanzienlijk minder dan die van de personen achter de grootschalige drugstransporten. Verdachte is jong. In strafmatigende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de proceshouding van de verdachte tijdens het strafrechtelijk onderzoek waarin hij enigszins openheid van zaken heeft gegeven en daarmee tot op zekere hoogte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. De verdachte zegt zijn leven te willen beteren. Hij staat open voor hulpverlening en begeleiding door de reclassering om zijn leven weer op de rit te krijgen. Om de verdachte een kans te geven zijn leven op orde te krijgen en om te voorkomen dat hij opnieuw verkeerde keuzes maakt en daardoor weer in het criminele milieu zal belanden, zal de rechtbank, met het oog op het strafdoel van speciale preventie, een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. Gelet op de ernst en de aard van de feiten alsmede dat hulpverlening en begeleiding door de reclassering voor langere tijd noodzakelijk is, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een proeftijd van drie jaar nodig is. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 138aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 9Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 10Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden, beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde: - de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; stelt als bijzondere voorwaarden:
  7. de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling dat noodzakelijk vindt;
  8. de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
  9. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd niet bevinden in de omgeving van de container- en opslaghavens in de regio Rotterdam en Vlissingen, zoals aangegeven op de bij dit vonnis in bijlage IV aangehechte kaarten, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
  10. de veroordeelde zal zich inspannen voor het vinden en behouden van een dagbesteding met een vaste structuur, te weten betaald werk of het volgen van een opleiding; verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden: - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.J. Peeck, voorzitter, en mrs. C.M. Derijks en A. Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 24 juli
  11. De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging 1hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 15 kilogram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 25 april 2025, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel3a van die wet- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede teplegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoegelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen vandat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegenvan dat feit, door- zich op het terrein van Hapag-Lloyd en/of Hanseatic Global Terminals te begeven,gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam, en/of- zich op het terrein van Barge Centre Waalhaven te begeven, gelegen aan de[adres 3] te Rotterdam, en/of- een witte sporttas voorhanden te hebben, en/of- één of meer (organisatie)telefoons voorhanden te hebben, en/of- één of meer schroeven (afkomstig van de inspectieluiken van container[containernummer] ) voorhanden te hebben, en/of- de schroeven van de inspectieluiken van container [containernummer] los te makenen/of te verwijderen, en/of- één of meer inspectieluik(en) van container [containernummer] te verwijderen, en/of- één of meer pakketten uit (de inspectieluik(en) van) container [containernummer] teverwijderen;( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht ) 2hij op of omstreeks 25 april 2025 te Rotterdam, althans in Nederlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het besloten terrein van Hapag-Lloyd Waalhaven en/of Hanseatic Global Terminals, gelegen aan de [adres 2] te Rotterdam en/of het besloten terrein van Barge Center Waalhaven, gelegen aan de [adres 3] te Rotterdam;( art 138aa lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 138aa lid 3 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.