RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/698779 / JE RK 25-871 Datum uitspraak: 9 mei 2025 Beschikking van de kinderrechter over (horen op) een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] en [de vader], hierna te noemen: de moeder en de vader, tezamen: de ouders, wonende in [plaats] , advocaat: mr. J. Brouwer, kantoorhoudende in Rotterdam, de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM RIJNMOND, gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI. 1Het verloop van de procedure 1.
- Het procesverloop blijkt uit: de spoedbeschikking van 29 april 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; de brief van de advocaat van de ouders met bijlagen van 8 mei 2025; een kopie van de veiligheidsafspraken van 6 mei 2025, die ter zitting is overhandigd. 1.
- Op 9 mei 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de ouders bijgestaan door hun advocaat; een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] . 1.
- Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Franse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van K. Ghanmi, tolk in de Franse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. 1.
- De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten 2.
- De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] 2.
- [minderjarige] verblijft op een crisisopvang. 2.
- Bij beschikking van 29 april 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 29 juli
- Bij die beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 27 mei
- 3Het (aangehouden) verzoek 3.
- De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 3.
- Bij de hierboven onder 2.
- vermelde spoedbeschikking is al deels beslist op deze verzoeken. Nog beslist dient te worden op het restant van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , te weten tot 29 juli
- Ook moet worden gehoord op voornoemde spoedbeschikking. Wijziging verzoek ter zitting 3.
- Gelet op de recente ontwikkelingen trekt de Raad ter zitting het (aangehouden) verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing in. [minderjarige] heeft verteld dat haar eerdere verhaal over dat ze geslagen wordt door de vader niet waar is. Desondanks blijft de situatie van [minderjarige] zorgwekkend. De Raad heeft gehoord dat ambulante hulpverlening per direct zal starten in gezin. Het is van belang om te achterhalen waarom [minderjarige] dit verhaal heeft verteld, aangezien er mogelijk meer speelt dan alleen verveling. Ook dient er aandacht te worden besteed aan de moeilijke situatie waarin [minderjarige] zich bevindt. Haar broers waren heel boos op haar omdat zij onrust in het gezin heeft veroorzaakt. 4Het standpunt van de GI 4.
- De GI sluit zich ter zitting aan bij het standpunt van de Raad en brengt naar voren dat het verhaal van [minderjarige] serieus is opgepakt, gezien de stevige uitspraken en de grote zorgen die hierdoor ontstonden. [minderjarige] heeft uiteindelijk aangegeven dat haar verhaal niet waar is. [minderjarige] hoort bij haar ouders thuis, maar er wordt wel ambulante hulpverlening ingezet. 5Het standpunt van de ouders 5.
- Door en namens de ouders wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen de voorlopige ondertoezichtstelling. Wel ontkennen zij uitdrukkelijk dat de vader [minderjarige] heeft geslagen. De ouders missen [minderjarige] erg en willen haar graag thuis hebben. Zij zijn dan ook positief verrast dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] niet meer nodig wordt gevonden. Wel benadrukken de ouders dat de situatie hen (emotioneel) zwaar heeft getroffen, vooral door het optreden van de GI. Dat kwam dreigend en beschuldigend over, wat ertoe leidde dat de ouders in eerste instantie de hulpverlening weigerden. Hoewel de ouders begrijpen dat de uitspraken van [minderjarige] serieus genomen moesten worden, kunnen zij zich niet vinden in de wijze waarop dit is gebeurd. Zo had de GI veiligheidsafspraken gemaakt met [minderjarige] om haar thuis te laten verblijven. Toch stond de GI de volgende dag op school en nam [minderjarige] mee, wat opnieuw een nare ervaring voor hen was. De ouders staan open voor samenwerking met de GI, maar dan wel met een andere jeugdbeschermer. 6De beoordeling 6.
- De kinderrechter heeft de belanghebbenden gehoord naar aanleiding van de spoedbeschikking van 29 april
- [minderjarige] had zorgwekkende uitlatingen over fors huiselijk geweld gedaan. Hoewel [minderjarige] inmiddels heeft aangeven dat zij dit met haar vriendin heeft verzonnen, blijft het zorgelijk dat zij een dergelijk verhaal heeft verzonnen. Het is dan ook van belang om binnen de kaders van een voorlopige ondertoezichtstelling de ontwikkeling van [minderjarige] te volgen. Positief is dat ambulante hulpverlening zal starten en [minderjarige] heeft aangegeven binnen het gezin meer te willen praten. De komende periode zal de Raad verder onderzoek doen en beoordelen wat in het belang van [minderjarige] is. Daarnaast is het van belang dat de GI in gesprek gaat met de ouders over hun eerdere negatieve ervaringen, zodat een goede basis voor een verdere samenwerking wordt gelegd. 6.
- Ter zitting heeft de Raad het (aangehouden) verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ingetrokken. Als gevolg van het intrekken van het verzoek kunnen de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing niet meer onderzocht worden. Om die reden zal de kinderrechter het verzoek afwijzen. 7De beslissing De kinderrechter: 7.
- wijst het anders of meer verzochte af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2025 door mr. Ü. Gümüş, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 23 mei
- Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.