Rechtbank Rotterdam Team insolventie rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 13 maart 2025 in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats], verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 19 september 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten: - [schuldeiser], in behandeling bij Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders B.V. (hierna: [schuldeiser]); die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. Ter zitting van 6 maart 2025 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw P.S. Kootstra, werkzaam bij Geldplein Rotterdam, voorheen genaamd Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening); mevrouw M. Verschoor, werkzaam bij het Centrum voor Dienstverlening (hierna: maatschappelijk werker); [naam 1], tolk namens verzoeker; [naam 2] en [naam 3], namens [schuldeiser]. De uitspraak is bepaald op heden. 2Het verzoek Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift twee concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 5.610,30 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 8 mei 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 13,70% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker ontvangt hulp van het Centrum voor Dienstverlening en sinds november 2024 begeleiding vanuit de Wmo. Verzoeker is momenteel vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan. Eén schuldeiser stemt met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 4.884,75 op verzoeker, welke 87,07% van de totale schuldenlast beloopt. 3Het verweer Ter zitting heeft [naam 2] namens [schuldeiser] een verweerschrift overgelegd en de inhoud daarvan nader toegelicht. [schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat hij een juridisch erkende vordering heeft op verzoeker en dat hij door toewijzing van het dwangakkoord een groot financieel nadeel zal lijden. Voorts stelt [schuldeiser] dat verzoeker relatief jong is en ruime mogelijkheden heeft om in de toekomst een inkomen te genereren. Er is geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker blijvend arbeidsongeschikt is. Het is dan ook aannemelijk dat verzoeker na herstel in staat is om te werken en daarmee (deels) aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Verder stelt [schuldeiser] zich op het standpunt dat er onvoldoende is aangetoond dat verzoeker op langere termijn niet kan voldoen aan een afbetalingsregeling. De toewijzing van het dwangakkoord leidt tot een disproportionele benadeling van hen als schuldeiser. In plaats van volledige kwijtschelding kan er een redelijke betalingsregeling worden getroffen, afgestemd op het toekomstige verdienvermogen van verzoeker. Daarnaast meent [schuldeiser] dat de toewijzing van het dwangakkoord een verkeerd signaal zou afgeven, namelijk dat huurachterstanden eenvoudig kunnen worden afgeschreven, wat kan leiden tot ongewenste precedentwerking. Mocht het dwangakkoord onverhoopt worden toegewezen, verzoekt [schuldeiser] de rechtbank om de proceskosten ten laste van verzoeker te brengen. 4De beoordeling Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij zijn weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeiser die door de weigering worden geschaad. De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast van 87,07%. De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker ontvangt een Participatiewet-uitkering. Ter zitting heeft de maatschappelijk werker verklaard dat de gemeente Rotterdam op dit moment niet vereist dat verzoeker aan de arbeidsverplichting voldoet. Verzoeker ontvangt hulp van het Centrum voor Dienstverlening en sinds november 2024 begeleiding vanuit de Wmo. Gelet hierop en de overgelegde medische stukken acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat hij in de komende 18 maanden geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeiser die heeft ingestemd met het aanbod, zwaarder weegt dan die van [schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen. Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen. [schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil. De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: - beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling; - veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil; bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming; wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.