RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/10780 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. E. Kaya) en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [persoon A] ). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de toekenning van een WIA-uitkering. Eiser is het niet eens met het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- Met het besluit van 18 juli 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiser met ingang van 31 oktober 2022 een loongerelateerde Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-uitkering toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 41,17%. 1.
- Met het besluit van 22 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid, in verband met de aanpassing van het maatmanloon, aangepast naar 47,1%. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
- Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het bestreden besluit
- Eiser, laatstelijk werkzaam als steigerbouwer voor gemiddeld 40 uur per week, heeft zich op 2 november 2020 ziek gemeld voor dit werk vanwege gezondheidsklachten. Op 30 oktober 2022 heeft eiser de einde wachttijd bereikt. Per die datum heeft hij bij het UWV een aanvraag gedaan om een WIA-uitkering. 2.
- In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vervolgens in de medische rapportage van 30 juni 2023 geconcludeerd dat eiser op de datum in geding als gevolg van ziekte of gebrek niet geschikt was voor zijn eigen werk. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 juni 2023, geldig vanaf 30 oktober 2022, heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. In de rapportage van 17 juli 2023 heeft de arbeidsdeskundige, met inachtneming van de beperkingen en functionele mogelijkheden van eiser, een aantal gangbare functies geduid. Uit de arbeidsdeskundige berekening van de verdiencapaciteit van eiser volgt dat het loon dat eiser kan verdienen 41,17% lager ligt dat het maatmaninkomen. Op grond van de conclusies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft het UWV met het primaire besluit aan eiser een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend. 2.
- In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 23 september 2024 een medische rapportage opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat de FML enige wijziging behoeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 23 september 2024 in de rubriek sociaal functioneren nieuwe beperkingen aangenomen. Gelet op de aanpassingen in de FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 11 oktober 2024 opnieuw gangbare functies geduid. Eiser wordt geschikt geacht voor de functies assemblagemedewerker elektronische producten (SBC-code 267041), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC- code 111160) en productiemedewerker industrie (samenstellen producten) (SBC- code 111180). Bij de berekening van de verdiencapaciteit van eiser is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgekomen op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,1%. Met inachtneming van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het UWV met het bestreden besluit het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Aan eiser wordt per 31 oktober 2022 een WIA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 47,1%. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft om die reden beroep ingesteld. Het standpunt van eiser
- Eiser voert in beroep aan dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Met name zijn mentale klachten zijn onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. In dit verband stelt eiser dat de verzekeringsarts te veel is afgegaan op een kort spreekuur, terwijl uit de, informatie van de psycholoog veel meer beperkingen blijken. Eiser is van mening dat er aanvullende beperkingen aangenomen hadden moeten worden voor verschillende items in de rubrieken ‘persoonlijk functioneren’ en ‘sociaal functioneren’. Verder stelt eiser dat de objectieve medische stukken die hij in de bezwaarfase heeft ingebracht onvoldoende betrokken zijn bij de besluitvorming en dat de verzekeringsarts daarom onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser heeft in beroep ter onderbouwing van zijn standpunt een brief van zijn behandelaren ( [naam stichting] ) van 23 januari 2025 en een huisartsenjournaal van 30 december 2024 ingebracht. Eiser stelt dat hij niet in staat kan worden geacht om de geselecteerde functies uit te oefenen, specifiek de functies van assemblagemedewerker, inpakker, textielproductenmaker en productiemedewerker. Het toetsingskader
- Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatman-inkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per datum in geding terecht heeft vastgesteld op 47,1%. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, medisch onderzoek en hetgeen op de hoorzitting in bezwaar en het daarop aansluitend medisch onderzoek van 17 september 2024 naar voren is gekomen. Het medisch onderzoek heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. Dat eiser psychische klachten heeft, was bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de rapportage van 23 september 2024 wordt hieraan aandacht besteed onder verwijzing naar een brief van de behandelend psycholoog, systeemtherapeut van 24 januari
- Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de bezwaarfase kennis genomen van het huisartsenjournaal over de periode tot 12 september
- Ten aanzien van de in beroep ingebrachte brief van Stichting [naam stichting] heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullende rapport van 28 april 2025 opgemerkt dat dit gaat over de situatie ruim twee jaar na de datum in geding en dat hieruit geen nieuwe inzichten blijken over de belastbaarheid van eiser per datum in geding. Datzelfde geldt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de journaalregels van de huisarts. 6.
- De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aspecten van de gezondheidstoestand van eiser heeft gemist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Anders dan eiser stelt, is het de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsartsen een onvolledig beeld hebben gehad van de lichamelijke en psychische situatie van eiser op 31 oktober
- Zoals hiervoor overwogen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de overwegingen betrokken wat over de psychische problematiek van eiser bekend was. Dat de indruk van eiser tijdens het spreekuur doorslaggevend is geweest volgt de rechtbank niet. Ten aanzien van de beperkingen waarvan eiser stelt dat die aangenomen hadden moeten worden voor persoonlijk functioneren en sociaal functioneren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat dergelijke beperkingen doorgaans alleen worden gesteld bij mensen met een ernstige psychische stoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd aangegeven dat hiervan geen sprake is bij eiser. Ten aanzien van het item ‘emotionele problemen van anderen hanteren’ gaat het beroep van eiser niet op, nu hierop beperkingen zijn aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en er geen afwijkingen zijn vastgesteld die verdere beperkingen in deze rubriek kunnen rechtvaardigen. In de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend, maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiser ervaren impact van zijn klachten op het dagelijks leven, merkt de rechtbank op dat er geen medisch objectieve onderbouwing is voor verdergaande beperkingen.
- Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de arbeidsdeskundige beoordeling uit van de beperkingen zoals deze in de FML van 23 september 2024 zijn opgenomen. Daarom gaat de rechtbank, voor zover eiser heeft aangevoerd dat in de functies de belastbaarheid wordt overschreden omdat hij meer beperkt is, hieraan voorbij. Eiser heeft ten aanzien van de geselecteerde functies aangevoerd dat daarin op diverse onderdelen zijn belastbaarheid wordt overschreden. Op deze beroepsgrond heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een aanvullend rapport van 2 mei 2025 gereageerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert dat in geen van de functies de belastbaarheid wordt overschreden. Twee van de in het beroepschrift genoemde functies zijn in bezwaar reeds vervallen en niet meegenomen in de berekening. Voor het overige geldt volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat, voor zover in de functies de bij FML vastgestelde beperkingen van belang zijn, in die functies de vastgestelde belastbaarheid niet wordt overschreden. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de arbeidsdeskundige beoordeling. De arbeidsdeskundige heeft naar het oordeel van de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat de belastbaarheid in de geduide functies niet wordt overschreden.
- Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, leidt tot een verlies aan verdienvermogen van 47,1%. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht per 31 oktober 2022 een WIA-uitkering aan eiser toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 47,1%. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie onder meer de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:459.