← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:11726

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11463 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2025 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. A. Aksu) en De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: mr. S. Roodenburg). Samenvatting Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht aan eiser heeft geweigerd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop

  1. Met het besluit van 18 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen. 1.
  2. Met het besluit van 25 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.
  3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  4. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift van 27 mei
  5. Eiser heeft op 5 september 2025 nog nadere medische informatie ingebracht. 1.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV. Totstandkoming van het bestreden besluit
  7. Eiser, laatstelijk werkzaam als medewerker verpakkingsafdeling voor 22 uur per week, heeft zich op 25 april 2022 ziek gemeld voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Op 21 april 2024 heeft eiser bij het UWV een aanvraag ingediend om een WIA-uitkering. 2.
  8. In het kader van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 15 mei 2024 op het medisch spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft vervolgens in de medische rapportage van 15 mei 2024 geconcludeerd dat eiser verminderde benutbare mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 mei 2024, geldig vanaf 22 april 2024, heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de rubrieken sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. In de rapportage van 14 juni 2024 heeft de arbeidsdeskundige, met inachtneming van de beperkingen en functionele mogelijkheden van eiser, geconcludeerd dat eiser geschikt is voor de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC- code 111180), lader, losser (SBC-code 111220), textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functie medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 12,33% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Op grond van de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft het UWV met het primaire besluit de WIA-aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. 2.
  9. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 11 november 2024 een medische rapportage opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts en om aanvullende beperkingen in de FML op te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 11 november 2024, geldig vanaf 22 april 2024, in de rubriek persoonlijk functioneren een extra beperking opgenomen. Gelet op de aanpassingen in de FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 22 november 2024 de eerder geduide functies verworpen en opnieuw gangbare functies geduid. Eiser wordt geschikt geacht voor de functies productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), medewerker tuinbouw (planten, bloemen, vruchten) (SBC-code 111010) en textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160). Bij de berekening van de verdiencapaciteit is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep uitgekomen op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 16,74%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Het standpunt van eiser
  10. Eiser heeft medische stukken ingebracht waar hij zich op beroept. Eiser stelt dat zijn medische beperkingen onvoldoende zijn onderkend. Met name de neurologische beperkingen en het gehoorverlies zijn onvoldoende meegewogen. De progressieve pijnklachten hebben psychische gevolgen hebben voor hem. De FML houdt volgens eiser te weinig rekening met deze psychische klachten. Eiser vindt het inconsistent en onverklaarbaar dat bij de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) veel meer beperkingen zijn aangenomen dan bij de WIA-beoordeling terwijl er geen verbetering is opgetreden. Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij het duiden van de functies geen rekening heeft gehouden met de fysieke beperkingen van eiser, de noodzaak van een aangepast werktempo en frequente pauzes, de gehoorproblemen in communicatieve functies en de aanzienlijke beperkingen in de fijne motoriek en handkracht, waardoor volgens eiser administratieve of repetitieve handelingen niet haalbaar zijn. Eiser doet een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel, wegens een onvoldoende motivering van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Tot slot stelt eiser dat hij niet voldoet aan de taaleisen en communicatieve vaardigheden die vereist zijn voor de geduide functies. Het toetsingskader
  11. Op grond van artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, derde lid, van de WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA. Beoordeling door de rechtbank
  12. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 22 april 2024 (datum in geding) moet worden bepaald op 16,74%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan hem voorgehouden functies te verrichten.
  13. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, het gestelde in het bezwaarschrift en ter hoorzitting in bezwaar van 4 november 2024 en de beschikbare medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. 6.
  14. Wat eiser in beroep aanvoert, geeft geen reden om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. De medische stukken waar eiser zich op beroept waren (grotendeels) bekend bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 11 november 2024 de klachten van eiser op kenbare wijze meegewogen. Ten aanzien van de neurologische klachten, zenuwschade, de motorische en sensorische uitval en de beperkte mobiliteit die eiser daardoor stelt te hebben, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML beperkingen aangenomen op het gebied van dynamische handelingen. Er zijn geen afwijkingen vastgesteld die verdere beperkingen op dit gebied rechtvaardigen. Ten aanzien van het gehoorverlies heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 11 november 2024 beperkingen aangenomen op het gebied van Sociaal functioneren. Zo is eiser aangewezen op hoortoestellen om adequaat te kunnen horen. Ook voor langdurig staan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML beperkingen opgenomen. Er zijn bij eiser geen afwijken vastgesteld die langdurig zitten in de weg zouden staan. Daardoor wordt het aannemen van een beperking op dit onderdeel niet noodzakelijk geacht. Ook zijn er bij eiser geen afwijkingen vastgesteld in de motoriek en handkracht, waardoor ook hier geen beperking noodzakelijk is. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in zijn keuze om hiervoor geen beperkingen aan te nemen. De door eiser op 5 september 2025 de ingebrachte stukken brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het betreft het huisartsenjournaal over de periode november 2024 tot 22 augustus 2025 en een met google-translate vertaalde brief van een Bulgaarse arts van 21 juli
  15. De gemachtigde van het UWV heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat aan deze stukken geen betekenis toekomt nu deze niet zien op de datum in geding. De rechtbank kan het UWV daarin volgen en ziet ook overigens in deze stukken niets dat doet twijfelen aan het medisch oordeel van verzekeringsarts bezwaar en beroep.Zonder afbreuk te willen doen aan de door de eiser ervaren gezondheidsklachten, merkt de rechtbank op dat van belang is dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten van eiser als zodanig of om de door hem ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is daarbij de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep om op grond van de beschikbare medische gegevens de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. Ook hetgeen eiser stelt ten aanzien van de EZWb brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat zoals door het UWV toegelicht bij de EZWb-beoordeling sprake is van een ander moment van beoordelen met een ander toetsingskader.
  16. Het voorgaande betekent dat de rechtbank ervan moet uitgaan dat de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 22 november 2024 voldoende uitgelegd waarom de functies geschikt zijn voor eiser. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 november 2024 afdoende gemotiveerd dat in de geduide functies de beperkte belastbaarheid van eiser niet wordt overschreden. Er wordt voldoende rekening gehouden met de beperkingen in alle rubrieken van de FML. Daarnaast voldoet eiser aan de opleidings- en ervaringseisen. Voor zover beheersing van de Nederlandse taal als eis geldt heeft de arbeidsdeskundige erop gewezen dat dat hieraan gelet op de toepasselijke regels van het Schattingsbesluit aan wordt voldaan, omdat dit een bekwaamheid is die die algemeen gebruikelijk is en binnen zes maanden kan worden verworven.
  17. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functie zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen 16,74%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is dus terecht bepaald op minder dan 35%, zodat het UWV de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen. Conclusie en gevolgen
  18. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober
  19. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.