RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven Zaaknummer/rolnummer: C/10/690243 / HA ZA 24-1060 Vonnis van 8 oktober 2025 in de zaak van 1 [eiser 1], woonplaats: Zwijndrecht, 2. [eiser 2], woonplaats: Zwijndrecht, eisende partijen, hierna gezamenlijk te noemen: ‘[eisende partij]’, advocaat: mr. M.R. Dill, tegen 1 [gedaagde 1],vestigingsplaats: Zwijndrecht, hierna te noemen: ‘[gedaagde 1]’, niet verschenen, 2. [gedaagde 2], woonplaats: Zwijndrecht,advocaat: mr. J.P.M. Borsboom, hierna te noemen: ‘[gedaagde 2]’, gedaagde partijen. 1De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaardingen van 11 november 2024, met producties 1 tot en met 12; het herstelexploten van 10 december 2024, de conclusie van antwoord; de oproepbrief van 10 april 2025 voor de mondelinge behandeling; het bericht van de rechtbank van 15 juli 2025 met de zittingsagenda; de nagezonden producties 13 en 14 aan de zijde van [eisende partij]; de spreekaantekeningen van mr. Dill; de spreekaantekeningen van mr. Borsboom. 1.2. Op 27 augustus 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eisende partij], bijgestaan door mr. Dill voornoemd, [gedaagde 2], bijgestaan door mr. Borsboom voornoemd. 2De beoordeling Wat is de kern? 2.1. Deze zaak gaat over een geldleningsovereenkomst. [eisende partij] heeft aan [gedaagde 1] een bedrag van € 100.000,- geleend. [gedaagde 1] heeft dat bedrag niet op het afgesproken tijdstip terugbetaald. [eisende partij] vordert terugbetaling van het geleende bedrag door [gedaagde 1] en door haar bestuurder, [gedaagde 2]. De rechtbank wijst de vordering van [eisende partij] tegen [gedaagde 2] af. [gedaagde 1] is inmiddels failliet. 2.2. De beslissing wordt hieronder uitgelegd. Wat is er gebeurd? 2.3. [eisende partij] en [gedaagde 1] hebben op 20 augustus 2021 een geldleningsovereenkomst gesloten. Daarbij heeft [eisende partij] aan [gedaagde 1] een bedrag van € 100.000,-, geleend, ter investering in een vastgoedproject in Duitsland. Afgesproken is dat [gedaagde 1] dit bedrag met rente vóór 20 augustus 2023 terugbetaalt. [gedaagde 1] heeft hierbij aan [eisende partij] het vastgoedobject in Duitsland als zekerheid verstrekt. 2.4. [gedaagde 1] heeft rentebetalingen gedaan, maar [gedaagde 1] heeft het geleende bedrag niet vóór 20 augustus 2023 terugbetaald. 2.5. [gedaagde 2] is eigenaar en bestuurder van [gedaagde 1]. [gedaagde 1] is een (indirect) aandeelhouder van [naam bedrijf]. 2.6. [gedaagde 1] is op 29 april 2025 in staat van faillissement verklaard. 2.7. [eisende partij] vordert in deze procedure van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terugbetaling van het geleende bedrag, met rente en kosten minus gedane rentebetalingen, wat neerkomt op een totaalbedrag van € 107.994,09. 2.8. [gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd. [gedaagde 2] heeft wel verweer gevoerd. De procedure tegen [gedaagde 1] is ambtshalve geschorst 2.9. [gedaagde 1] is na het uitbrengen van de dagvaarding in staat van faillissement verklaard. Om die reden is de procedure tegen [gedaagde 1] geschorst. [gedaagde 2] is geen contractpartij bij de geldleningsovereenkomst 2.10. [eisende partij] stelt primair dat [gedaagde 2] in persoon contractpartij is bij de geldleningsovereenkomst, omdat [gedaagde 2] dat zo deed voorkomen, althans deed voorkomen alsof [gedaagde 1] een eenmanszaak was. [eisende partij] en [gedaagde 2] hebben namelijk voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst alleen als privépersonen contact met elkaar gehad. In de ondertekende overeenkomst staat ook geen vennootschapsaanduiding (zoals B.V. of GmbH) genoemd, wat bij [eisende partij] de indruk wekte dat het om een overeenkomst met [gedaagde 2] in persoon ging. De in de overeenkomst vermelde term ‘DGA’ kent [eisende partij] niet, zo stelt [eisende partij]. 2.11. [gedaagde 2] betwist de indruk te hebben gewekt zelf contractpartij te zijn of de indruk te hebben gewekt dat [gedaagde 1] een eenmanszaak is. 2.12. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 2] in privé geen contractpartij is bij de geldleningsovereenkomst. Het is juist dat in de geldleningsovereenkomst alleen de naam ‘[gedaagde 1] Innovation Management’ staat vermeld zonder de toevoeging ‘B.V.’. Maar die omstandigheid op zichzelf maakt nog niet dat [gedaagde 2] de indruk heeft gewekt dat [gedaagde 1] een eenmanszaak is. Direct onder deze bedrijfsnaam heeft [gedaagde 2] namelijk zijn naam vermeld met daarbij de toevoeging ‘Titel: DGA’, zijnde directeur-grootaandeelhouder. Een directeur-grootaandeelhouder impliceert een besloten of naamloze vennootschap, geen eenmanszaak. Het moge zo zijn dat [eisende partij] tijdens het ondertekenen van de geldleningsovereenkomst niet wist wat die titel betekende, maar dat risico komt voor rekening van [eisende partij]. Dat geldt met name omdat [eisende partij] heeft gesteld dat tijdens de onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst nooit de naam [gedaagde 1] is genoemd, terwijl op de overeenkomst wel de naam [gedaagde 1] staat vermeld. In het licht van deze omstandigheden had het op de weg van [eisende partij] gelegen om voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst navraag te doen bij [gedaagde 2] over of onderzoek te doen naar deze contractpartij en/of titel. Dat [gedaagde 1] een besloten vennootschap is, blijkt uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel. Dat handelsregister is voor een ieder te raadplegen. Voor zover de naam ‘[gedaagde 1]’ in de onderhandelingsfase niet is genoemd, blijkt uit de WhatsAppcorrespondentie tussen [eisende partij] en [gedaagde 2] dat wel gesproken is over het aangaan van de leningsovereenkomst met de ‘Nederlandse BV’ van [gedaagde 2]. Zo stuurt [gedaagde 2] op 31 juli 2021, 13.14 uur: “Dan kan ik de overeenkomst opmaken” en 13.15 uur: “Mag trouwens ook gewoon naar mijn Nederlandse BV als je dat liever hebt”. En op 20 augustus 2021, 10.42 uur: “Goedemorgen, ik ga jullie vandaag de leningsovereenkomst sturen met de gegevens; dat kan gewoon via mijn Nederlandse BV”, waarop [eisende partij] om 13.13 uur antwoordt: “Ik heb hem binnen. Spreek je snel”. Op grond van bovenstaande omstandigheden mocht [eisende partij] er redelijkerwijs niet vanuit gaan dat hij (ook) met [gedaagde 2] in persoon de overeenkomst sloot. Ook blijkt niet dat [gedaagde 2] op andere manieren heeft geprobeerd de indruk te wekken dat hij in persoon de overeenkomst aanging of dat [gedaagde 1] een eenmanszaak zou zijn. [gedaagde 2] is niet als bestuurder aansprakelijk 2.13. [eisende partij] stelt subsidiair dat [gedaagde 2] als bestuurder van [gedaagde 1] persoonlijk kan worden aangesproken voor betaling van het gevorderde bedrag van € 107.994,09, omdat [gedaagde 2] een persoonlijk ernstig verwijtbaar kan worden gemaakt. Ten eerste (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.