← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:11826

beslissing RECHTBANK ROTTERDAM Wrakingskamer zaaknummer: C/10/699978 / HA RK 25-493 Beslissing van 27 mei 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoekster] , wonende te [woonplaats] hierna te noemen: verzoekster strekkende tot de wraking van de rechters die betrokken zijn (geweest) bij de ondertoezichtstelling van haar drie kinderen. 1De procedure Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechters die betrokken zijn (geweest) bij de ondertoezichtstelling van haar kinderen [naam kind 1] , [naam kind 2] en [naam kind 3] . 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.

  1. Verzoekster richt haar wrakingsverzoek niet tegen concreet bij naam genoemde rechters. Alleen al om die reden kan verzoekster niet in haar wrakingsverzoek worden ontvangen. Aangezien zij ook geen concrete feiten of omstandigheden noemt waaruit (de objectief gerechtvaardigde vrees van) vooringenomenheid tegenover haar zou moeten blijken, kan bovendien niet worden vastgesteld of het wrakingsverzoek op tijd is ingediend en of zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die (de objectief gerechtvaardigde vrees van) vooringenomenheid tegenover haar zouden kunnen wekken. Uit het informatiesysteem van de rechtbank blijkt dat er momenteel binnen team Jeugd een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de drie kinderen van verzoekster loopt. Dat verzoek is op een pro-forma zitting behandeld door rechter mr. M.A. van der Laan-Kuijt en zal op 2 juni 2025 inhoudelijk worden behandeld door rechter mr. A.L. Pöll. Voor zover dit wrakingsverzoek tegen hen (of een van hen) is gericht, geldt ook daarvoor dat in het verzoek geen gronden met daarin concrete feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waaruit vooringenomenheid van deze rechters (of één van hen) blijkt of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor zijn af te leiden. 2.
  2. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek. Bij gebreke van gronden wordt aan dat debat niet toegekomen en kan de mondelinge behandeling achterwege blijven. 2.
  3. Gelet op het voorgaande is verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking van de rechters. Op grond van artikel 8, lid 2, aanhef en onder c, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank zal verzoekster daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek. 3De beslissing De rechtbank: verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking. Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. J.F. Koekebakker en mr. S.C.C. Hes-Sakkeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 mei
  4. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.