beslissing RECHTBANK ROTTERDAM Wrakingskamer zaaknummer: C/10/697211 / HA RK 25-312 Beslissing van 10 juni 2025 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van [verzoekster] , verzoekster, wonende te [woonplaats] , gemachtigde de heer [persoon A] (MKB Juristen te Rotterdam), strekkende tot de wraking van mr. S. Veling, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. 1De procedure 1.1 Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechter in de bestuurszaak met nummer ROT 23/
- Die zaak betreft een geschil tussen verzoekster als eiseres en de Inspecteur van de Belastingdienst Midden- en kleinbedrijf kantoor Middelburg (hierna: de Belastingdienst) als verweerder. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer. 1.2 Het verloop van de procedure blijkt verder uit: het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 30 maart 2025, met producties; de schriftelijke reactie van de rechter. 1.3 Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 27 mei 2025 zijn verschenen: de hiervoor genoemde gemachtigde van verzoekster; de rechter en de griffier mr. R. Blokhuis mevrouw [persoon B] namens de Belastingdienst. 2Het wrakingsverzoek 2.
- Verzoekster heeft het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Verzoekster heeft op 17 februari 2025 verzocht om het proces-verbaal van de zitting en dit vervolgens niet ontvangen. Dat dit verzoek, zoals de rechter in zijn verweerschrift schrijft, pas op 30 maart 2025 onder zijn ogen is gekomen, is ongeloofwaardig en wekt de schijn van partijdigheid. Het is voorts van groot belang dat de rechter over alle feiten beschikt om de geheime stukken van de Belastingdienst te kunnen beoordelen. Het weigeren van de door verzoekster nader ingediende stukken die hierop betrekking hebben, levert eveneens schijn van partijdigheid op. 2.
- De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft een uitgebreide schriftelijke toelichting gegeven over het verloop van de procedure. De rechter heeft - om voor hem onbekende redenen - pas op 30 maart 2025 het verzoek van 17 februari 2025 van verzoekster ontvangen inzake afschrift van het proces-verbaal van de zitting van 20 december
- Inmiddels is een proces-verbaal opgemaakt en verstrekt aan verzoekster. Uit deze omstandigheid kan niet worden afgeleid dat de onpartijdigheid van de rechter in het geding is. De rechtbank heeft voorts bij brief van 21 maart 2025 aan de gemachtigde van verzoekster laten weten dat de ingediende nadere stukken buiten beschouwing worden gelaten, omdat indiening van nadere stukken in deze fase van de procedure in strijd was met de goede procesorde. Dit is een procesbeslissing die geen schijn van partijdigheid wekt. 3Ontvankelijkheid Ingevolge artikel 8:16, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een wrakingsverzoek te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden. De wrakingskamer stelt vast dat de rechtbank bij brief van 21 maart 2025 aan de gemachtigde van verzoekster heeft laten weten dat de namens verzoekster ingediende stukken buiten beschouwing worden gelaten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat hij niet exact weet op welke datum hij deze brief heeft ontvangen, doch wel dat hij meteen nadat hij die brief onder ogen heeft gekregen het wrakingsverzoek op 30 maart 2025 heeft ingediend. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer de gemachtigde de brief van de rechtbank van 21 maart 2025 heeft ontvangen, moet het ervoor worden gehouden dat het verzoek tijdig is ingediend en dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek tot wraking. 4De beoordeling 4.1 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. 4.2 Uit de enkele omstandigheid dat het proces-verbaal van de zitting van 20 december 2024 na 30 maart 2025 aan verzoekster is verstrekt, kan naar het oordeel van de wrakingskamer geen (objectief gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid worden afgeleid. Verzoekster heeft weliswaar reeds op 17 februari 2025 verzocht om een afschrift van het proces-verbaal, doch volgens de verklaring van de rechter heeft dit verzoek hem pas op 30 maart 2025 bereikt. De wrakingskamer ziet geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. 4.3.1 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Volgens vaste jurisprudentie is het niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de juistheid van de (tussen)beslissing of over een verzuim om te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. 4.3.2 Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er ook tegen dat de motivering van de (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook als het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. 4.3.3 De beslissing van de rechter om de door verzoekster ingediende stukken te weigeren betreft een procesbeslissing. De vraag of deze procesbeslissing inhoudelijk juist is, leent zich - gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader - niet voor een oordeel van de wrakingskamer. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van deze (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake is. De wrakingskamer licht dit als volgt toe. 4.3.4 De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie en ter zitting verklaard dat hij na de zitting op 20 december 2024 het onderzoek uitsluitend heeft heropend om de Belastingdienst in de gelegenheid te stellen om stukken in het geding te brengen met toepassing van artikel 8:29 Awb. Nu deze 8:29 Awb-stukken de inzet zijn van de procedure, is onder verwijzing naar artikel 2.8, zesde lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken aan de gemachtigde van verzoekster venneld dat alleen de rechtbank kennis zal kunnen nemen van deze gegevens. De gemachtigde van verzoekster is vervolgens in de gelegenheid gesteld om de rechtbank toestemming te geven, nu de rechter deze toestemming nodig heeft om de 8:29 Awb-stukken bij de beoordeling te kunnen betrekken. Op 12 februari 2025 heeft de gemachtigde van verzoekster nadere stukken ingediend. De gemachtigde van verzoekster wilde een nadere (schriftelijke) inhoudelijke discussie voeren over de weigeringsgronden en over de vraag waarom de Belastingdienst 8:29 Awb-stukken heeft ingediend en pas daarna ingaan op de vraag of er toestemming wordt verleend. Bij brief van 21 maart 2025 heeft de rechtbank medegedeeld dat de nadere stukken buiten beschouwing worden gelaten, omdat indiening van deze stukken gelet op het stadium van het geding in strijd wordt geacht met de goede procesorde. 4.3.5 Gelet op de uitgebreide toelichting van de rechter in combinatie met het proces verbaal van de zitting van 20 december 2024 is de wrakingskamer van oordeel dat de beslissing van de rechter niet zo zeer onbegrijpelijk is dat daarvoor geen andere verklaring kan worden gegeven, dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Dat verzoekster een andere uitkomst voor ogen had en deze procesbeslissing negatief heeft ervaren, is geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Niet is gebleken dat verzoekster hierdoor het recht op een eerlijk proces is ontnomen. Dit klemt temeer nu verzoekster en haar gemachtigde -om hun moverende redenen - niet op de zitting van 20 december 2024 zijn verschenen en zij daarmee toen de kans voorbij hebben laten gaan om het standpunt van verzoekster naar voren te brengen. De afwijzende procesbeslissing loopt evenmin vooruit op het eindoordeel, noch getuigt die tussenbeslissing van enig oordeel over de inhoudelijke zaak. 4.
- Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de rechter. Het verzoek tot wraking zal dan ook worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. J.F. Koekebakker en mr. S.C.C. Hes-Sakkeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juni
- de griffier is buiten staat om te tekenen de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.